Bergen van goud





Jogledor


© 2015 Jogledor, P.D. de Jong 'Ariesz.'; alle rechten voorbehouden, all rights reserved

Inhoud

1. Stilte graag
2. Startkapitaal
3. Krantenbericht
4. Artiestenuitgang
5. Ontbijtbuffet
6. Laaggebergte
7. Blenheim
8. De derde tap
9. Brouwerij
10. Kloosterruïne
11. Kunstgebit
12. Verbroken verloving
13. Rendez-vous
14. Makelaardij
15. Ochtendwandeling
16. Bekentenis
17. Afrika
18. Stoofpot
19. Hondenfokkerij
20. Leeuwenvel
21. Goudstaven
22. Maneschijn
23. Goede reis
24. Kunstcollectie





1. Stilte graag



Het was zo rond de middeleeuwen dat een groep rondtrekkende studenten, in die tijd betiteld als vaganten, grote paniek in de stad veroorzaakte. De jongelingen hadden zich voor een winters drinkgelag verkleed als Germanen en zij doolden in de kleine uren met dierenvellen en gehoornde schedels door de stad. Een monnik, die belast was met het luiden van de klokken voor de metten, zag hun schaduwen door de stegen glijden. “Vikingen, Vikingen!” riep hij en hij luidde de noodklok. Het was lang geleden dat de laatste Viking in de streek gezien was, maar de schrik zat er nog goed in. De burgers renden in paniek en nachtgewaad de huizen uit. Hun angst maakte plaats voor verbazing over de afwezigheid van plunderaars en sloeg daarna om in een uitbundige vreugde, die enige dagen duurde en de volledige biervoorraad van de stad uitputte.
Deze overwinning op de Vikingen wordt in de ingeslapen provinciestad nog jaarlijks op bescheiden wijze herdacht met het luiden van de klokken in de nanacht en extra politiesurveillances.
De twee jongemannen die juist op deze historische datum vanaf de ruglening van de lage gemetselde bank op het kerkplein probeerden het gebeier te overstemmen, ontsnapten dan ook niet aan de scherpe blik van de langsrijdende ordehandhavers. De stem der wet klonk door de politiemegafoon boven de klokken uit “Komt u van die bank af, ga wijdbeens met de handen tegen de muur staan en verzet u niet.” De mannen stapten van de halfronde bank af en zetten hun handen tegen de stam van de kale lindeboom midden op het plein. De agenten fouilleerden als eerste de dikste van de twee, die een zeer ruime spijkerbroek met laaghangend kruis droeg, wat het speurwerk nogal vertraagde.
Na uitvoerige controle van de legitimatiebewijzen was het duidelijk dat het hier geen Vikingen betrof, maar bezoekers van het nabijgelegen café De Volharding, die zich na sluitingstijd nog wat in de vriesnacht verpoosden. “De Volharding is een degelijke zaak, mijn zwager is de uitbater,” zei één van de agenten en beide arrestanten werden op vrije voeten gesteld met slechts een proces-verbaal voor het niet eerbiedigen van de nachtrust.
De slanke jongeman in een geruit jack was in een opperbeste stemming en wel tegen een proces-verbaaltje opgewassen. Hij dacht dat het ijs voldoende gebroken was voor een praatje. “Pas begonnen met de dienst of…” De kerkklokken begonnen weer te luiden en aangezien hij twee processen-verbaal iets teveel van het goede vond, deed hij er verder het zwijgen toe. De stadswachten zagen zich echter genoodzaakt het aanzien van het gezag te verdedigen en het laatste woord te voeren. Zij liepen terug naar de surveillancewagen en draaiden de megafoon in de hoogste stand. “Wilt u zich verspreiden en het plein in verschillende richtingen verlaten. En wilt u vooral de nachtrust van de omwonenden niet verstoren.”
De jonge mannen stelden nog even het geduld van de agenten op de proef door elkaar innig de hand te drukken, op de schouder te kloppen en te omhelzen als mijnwerkers die bevrijd waren na dagenlange opsluiting onder de grond. Zij deden een paar passen van elkaar, liepen terug om visitekaartjes uit te wisselen en daarna verliet één het plein in noordelijke richting en de ander, die met het geruite jack, in zuidelijke richting.


2. Startkapitaal



“Soms mis ik de regelmaat van een dienstbetrekking.” De zestiger schonk bedaard een kopje thee in. “De zware eiken deur openen, de één voor één arriverende directeuren welkom heten, de mokka serveren in de kamer van de president-directeur, deze herinneringen vervullen mij met een lichte weemoed.”
De jonge man tot wie zojuist het woord was gericht, keek naar het halflege bierglas in zijn hand en vervolgens naar het krat met louter lege flesjes naast zijn comfortabele fauteuil.
“Niet piekeren Jules,” zei hij. “Daar voel ik mij schuldig door. Zonder mijn speculaties op rekening van onze voormalige werkgever was Doré en Constantin nog het gerenommeerde effectenhuis dat het de afgelopen drie eeuwen is geweest, en niet overgenomen door de Chinezen, die jou vervingen door een goedkoper exemplaar van eigen bodem, zodat jij op veel te jonge leeftijd aan het economische verkeer werd onttrokken.”
De jonge man moest even op adem komen en benutte deze pauze om zijn bier op te drinken, zodat de ander ook wat kon zeggen. “Twee miljard euro is een flink bedrag om te verliezen, maar dat het wereldwijde bankwezen jou daarna alle financiële activiteiten ontzegde was toch wel overdreven.”
“En ik had niets strafbaars gedaan,” vulde Anton aan, die weer voldoende op adem was om zijn gebruikelijke alleenspraak te vervolgen. “Ach, ik ben nog jong en zie vooral de zonnige kant van de zaak. Mijn ontslag was slechts een bevrijding van de ketenen die mij weerhielden van de volledige ontplooiing van mijn zakelijke talenten. Al is dat wat lastig zonder zoiets alledaags als een bankrekening. Op jouw leeftijd zijn de vooruitzichten natuurlijk anders. Dat gepieker van jou baart mij steeds meer zorgen en daarom dacht ik, ik ga weer eens bij Jules langs om hem mijn morele steun te geven.” Hij besloot deze uiting van warme en oprechte medemenselijkheid met de sombere fluittoon die ontstaat als men langs de opening van een leeg bierflesje blaast.
Jules trok zijn grijze wenkbrauwen op. “Anton, je kunt mij inderdaad van dienst zijn. De voorraad handzeep behoeft dringende aanvulling en de winkelopening heeft zojuist aanvang genomen. Het staat jou vrij om de missie naar eigen inzicht uit te breiden.” Anton veerde op als een atleet na het startschot om plotseling te verstarren. “Jules, eh… geld?”, stamelde hij. “De beurs ligt op de gebruikelijke plek,” antwoordde Jules. Anton keek verbaasd. “Ik geloof best dat de beurs nog steeds aan het Damrak ligt. Ook kan daar nog steeds goed geld verdiend worden als je het handig aanpakt. Door mijn kleine misstap in de financiële wereld heb ik weinig aan die kennis.” Jules glimlachte. “Ik bedoel de huishoudportemonnee. Die ligt op het aanrecht.” “Ik sta geheel tot uw dienst,” zei Anton. De soepelheid kwam weer terug in zijn spieren en de verbazing verdween van zijn gezicht.
Jules wees op de stapel kranten in vier talen op de tafel voor hem en hij eindigde het gesprek met de verontschuldiging “Als je het niet erg vindt, geeft ik mij nu over aan de lectuur van enige ochtendbladen.”
Een half uur later werd deze lectuur licht gestoord door een zacht geklingel op het tuinpad. Spoedig daarop kwam Anton door de achterdeur binnen met in iedere hand enkele plastic zakjes vol met flesjes bier. Zorgvuldig en vol liefde plaatste hij de flesjes op het aanrecht. “De supermarkt verraste mij met speciale bieren voor een speciale prijs. Een paar kan ik je echt aanbevelen, Jules.” Hij zocht er zelf één uit, liep naar de lederen zetel en installeerde zich met de voeten op de salontafel en het hoofd op twee kussentjes. “Vannacht kwam ik in café De Volharding in gesprek met een zekere Iwan, die net door zijn vriendin het huis uit was gezet. Hij doet iets met het internet en zo kwamen wij op de ongekende mogelijkheden die dit biedt om in korte tijd veel geld te verdienen. De rest van de nacht hebben wij besteed aan het uitdenken van een zeer lucratieve onderneming. Na sluitingstijd hebben wij op de bank op het kerkplein het systeem verder geperfectioneerd, totdat een politieduo ons verzocht huiswaarts te keren. Op zulke momenten maak ik mij ernstig zorgen over het ondernemersklimaat in dit land.”
“Ik voel met je mee,” zei Jules terwijl hij een krantenpagina omsloeg.
Anton gaapte en zakte nog wat verder onderuit in zijn stoel. “Ik hoop, dat ik je wat opvrolijk. Ik vind het zorgelijk dat je in pyjama de deur open deed….”
“Om half zes ‘s ochtends,” vulde Jules aan, maar zijn gast was reeds gedompeld in een diepe slaap.

Anton Klerebezem, gewezen effectenmakelaar bij het ooit zo gerenommeerde effectenhuis Doré en Constantin, werd laat in de middag wakker in de van verdere menselijke aanwezigheid verstoken woning. Hij stond op, liep naar de keuken, stak zijn hoofd in een koude waterstraal, droogde zijn gezicht aan de zoom van zijn polo-shirt en nam op de terugweg een flesje Malzbier mee. Weer in zijn oorspronkelijke positie teruggekeerd nam hij, verkwikt door het schoonheidslaapje, aandachtig de knusse woonkamer in zich op. De laagstaande zon gaf de talloze noten- en mahoniehouten kastjes een glans, die menig antiquair ook na dagen duchtig politoeren niet zou weten te evenaren. Bronzen danseresjes in bevallige poses leken te gaan huppelen in de romantische en impressionistische landschappen, die lijst aan lijst de muren bedekten. De Lodewijk-de-vijftiende stoel waarop hij zat, straalde als een troon. Zijn blik bleek bleef hangen op de envelop die naast zijn voeten op de salontafel lag. Hij las het opschrift.

Anton,
Terugbetaling volgens de bekende afspraak.
Veel succes met de nieuwe onderneming, Jules.
P.S. Tijd is het kostbaarste bezit van de zakenman.

Anton opende de envelop en telde twintig briefjes van honderd euro. Hij greep zijn geruite jack van de grond en verdween door de voordeur.


3. Krantenbericht



“Het spijt mij, dat ik niet eerder langsgekomen ben. De laatste weken ging al mijn tijd naar de onderneming.” Anton zat na lange afwezigheid weer in zijn vertrouwde stoel. Jules keek bezorgd naar de versleten koffer die naast Anton op de grond stond, en vroeg “En, nog succes?”
Meer aanmoediging had Anton niet nodig. Hij ging er gemakkelijk voor zitten. “Doe mij ook maar zo‘n geroosterd broodje, zonder marmelade.” Jules vulde het broodrooster opnieuw en besmeerde zorgvuldig de reeds eerder door hem geproduceerde warme toast met een dun laagje boter.
“Iwan werd mijn compagnon en huisgenoot, goed voor de hele huur.”
“Dat is praktisch,” zei Jules en hij klodderde met een lepel een flinke laag sinaasappelmarmelade op het laagje boter.
“Zo konden wij dag en nacht aan de onderneming werken. Weet jij nog die gekleurde brochures die Doré en Constantin naar klanten stuurden om hen te wijzen op waardeloze effecten die binnen korte tijd veel geld waard zouden worden. De klanten kochten de effecten in grote getale, die dan inderdaad veel geld waard werden. Iedereen blij.”
“Ik denk vaak met plezier aan deze brochures,” antwoordde Jules. “De drukproeven werden altijd bij mij afgeleverd. Het was mijn taak om de verzegelde envelop te openen en aan de president-directeur te geven samen met zijn mokka. Ik kon zodoende ruim voor de verzending aan de klanten mijn kooporders op de beurs plaatsen. Wil je een kopje thee bij de toast?”
“Liever zo’n flesje trappist dat nog op het aanrecht staat.”
“Help jezelf.”
Anton haalde het bier op en vervolgde zijn verhaal.
“Iwan ontwierp de brochure voor onze onderneming op zijn draagbare computer. De brochure beloofde veel geld voor weinig werk. Iwan had een verleidelijk ontwerp gemaakt, verluchtigd met een weelderige dame in badpak aan de rand van een zwembad. Echt een tafereeltje dat de hebzucht en begeerte opwekt. De drukkosten waren wel aanzienlijk.” Anton nipte aan het schuim van zijn bier.
”Waarom gebruikten jullie geen e-mail voor de werving?”
“Heel eenvoudig,” antwoordde Anton. “Het verzenden van ongewenste e-mail is strafbaar, ongewenst reclamedrukwerk niet. Iwan was veel te bang zijn internet-toegang kwijt te raken. Brochures kun je ook huis aan huis verspreiden, voor e-mail heb je de adressen nodig en die liggen niet op straat. Daar draaide nu juist onze onderneming om. Sommige bedrijven betalen veel geld voor grote bestanden met e-mail adressen. De brochure riep op om het e-mailadres en andere gegevens zoals bankrekeningnummer in te voeren op een speciale website. Iwan had deze website fantastisch ontworpen, met weer dezelfde dame in badpak, echt heel fraai.”
“De brochure beloofde toch rijkdom?” vroeg Jules ongeduldig en hij schonk zich nog een kopje thee in, vanuit zijn ooghoeken nauwlettend de koffer van Anton bespiedend alsof er een grote dreiging van uitging.
“Precies. Na invoeren van het e-mailadres en de andere gegevens ontving men een e-mail met daarin een persoonlijke toegangscode. Deze e-mail was bedoeld om door te sturen aan familie en kennissen en bevatte dezelfde oproep als de brochure om persoonlijke gegevens in te voeren op de website, maar dan gebruikmakend van de toegangscode. Voor ieder e-mailadres dat ingevoerd werd met deze code, kreeg de eigenaar van de code één cent.”
“Niet bepaald een snelweg naar rijkdom,” merkte Jules droogjes op.
“Wacht even, dit is nog maar het begin. De nieuwe mensen kregen ook weer een e-mail met een persoonlijke code en dit was een dochtercode die verwees naar de eerste code. Voor ieder e-mailadres dat via deze dochtercode werd ingevoerd, kreeg de eigenaar van de moedercode ook één cent. En hetzelfde gold voor de kleindochtercodes.”
“Een ingewikkeld systeem, zouden de mensen het wel begrijpen?” vroeg Jules.
“Het was heel belangrijk, dat de brochure zo eenvoudig mogelijk geschreven was,” antwoordde Anton. “Daarom bestond mijn werk uit het zogenaamde sociale aspect van de onderneming. Ik testte de brochure uit op mijn bejaarde bovenbuurvrouw.”
“En zij begreep het?” vroeg Jules.
“Zij vond dat ik wel een heel erg jonge opa was en daarna praatte zij aan één stuk door over haar kleinkinderen en achterkleinkinderen, zesentwintig in het totaal, die zij in alfabetische volgorde de revue liet passeren.”
“Waren jullie niet bang voor verzonnen gegevens?”
“Het systeem controleerde zichzelf. Als het e-mailadres niet klopte, dan kregen wij onze e-mail als onbestelbaar terug en als mensen bankgegevens verzonnen, dan kreeg Iwan bericht van de bank.”
“Goed,” zei Jules, “maar hoe zat het nu met de gouden bergen die jullie in de brochure beloofden?”
“Een eenvoudig rekensommetje. Als de eigenaar van de moedercode honderd dochters aanbracht en die brachten weer honderd kleindochters aan, die op hun beurt weer honderd achterkleindochters aanbrachten, dan verdiende de eigenaar van de moedercode tienduizend euro, terwijl hij zelf maar honderd e-mails had verstuurd. Dat is gemakkelijk verdiend, precies zoals de brochure beloofde. En onze onderneming had dan één miljoen e-mailadressen met bijbehorende persoonsgegevens verzameld voor ietsje meer dan drie cent per adres, terwijl wij het bestand gemakkelijk voor tien cent per adres konden verkopen, oftewel zeventig procent winst. Iwan had alles geautomatiseerd, inclusief de betalingen en het verwijderen van verzonnen gegevens. Wij zouden slapend rijk worden.”
Jules keek naar de onheilspellende koffer en vroeg “Wat ging er mis?”
“De dame in badpak diende een aanklacht in wegens inbreuk op het portretrecht. Iwan had haar per ongeluk ook een brochure gestuurd, maar dat is vreemd want we bezorgden de brochures allemaal huis aan huis en deze was per post verstuurd.”
“Had Iwan haar geen toestemming gevraagd om haar foto te gebruiken?”
“Natuurlijk niet, het was zijn ex-vriendin. Linda heet zij trouwens. De aanklacht werd in de minne geschikt. Iwan vertelde Linda dat de onderneming ervoor diende om haar onder de aandacht van het grote publiek te brengen. Zij heeft namelijk ambities om fotomodel te worden, niet zonder reden mag ik wel zeggen.”
“Wat ging er dan nog meer mis?” vroeg Jules terwijl hij met zijn blikken tevergeefs probeerde de koffer van de aardbodem te doen verdwijnen.
“Het gerechtelijk apparaat deed verder onderzoek en vond dat de onderneming een piramidespel of anders een kettingbrief was en dat is tot mijn verbazing allebei verboden zodra er geld mee gemoeid is. Stel je voor, bij Doré en Constantin deden we niets anders.”
“Je bent nog steeds een vrij man. Ik neem aan dat je de aanklacht hebt kunnen weerleggen.”
“Ik vertelde de rechter hetzelfde als Iwan aan Linda, dat alles bedoeld was om haar carrière als fotomodel te bevorderen.”
“Wilde de rechter ook fotomodel worden?” vroeg Jules.
“Dat weet ik niet. Hij had wel een mooie volle baard boven zijn toga en was erg belangstellend naar het debuut van Linda. Linda was namelijk zo aardig om in ons voordeel te getuigen. De rechter beoordeelde zorgvuldig het bewijsmateriaal. Hij maakte Linda nog een compliment voor haar rode jurkje. Daarna was hij voor negentig procent van onze onschuld overtuigd.”
“En de overige tien procent?” vroeg Jules.
“Voor de zekerheid veroordeelde hij ons toch maar voorwaardelijk en moest de website van het internet af. Vaarwel onderneming. Terugbetaling aan jou is hierdoor wat vertraagd.”
Jules haalde zijn schouders op en zei “De dag van de vereffening zal heus wel komen.” En daarna met geveinsde onverschilligheid “Ga je op reis?”
“Nee,” zei Anton. “De voorwaardelijke veroordeling was voor de woningbouwvereniging, samen met mijn huurachterstand, aanleiding om mij met de hulp van een deurwaarder per direct de huur op te zeggen.”
“En toen waren Iwan en jij dakloos,” zei Jules, die zijn bange vermoedens omtrent de koffer bewaarheid zag worden.
“Iwan niet. Hij trekt weer bij zijn ex-vriendin in.”
“Zijn ex-ex-vriendin,” verbeterde Jules hem.
“Nou ja, ik bedoel natuurlijk Linda,” antwoordde Anton.
“En jij gaat nu bij jouw zus logeren?” vroeg Jules, zich vastklampend aan een laatste sprankje hoop.
“Liever niet. Sinds ik honderd euro van haar geleend heb, klaagt zij er steeds over dat zij en haar man zo hard moeten werken. Bovendien, het huis is daar al vol met hun vier kinderen. Ik kom bij jou logeren. Gewoon een logische stap. Eerst ben ik jou gevolgd vanuit de hoofdstad, omdat het leven hier goedkoper is en jij mijn belangrijkste investeerder bent. Nu trek ik bij jou in. Kan ik je gezelschap houden, zodat je niet weer zo somber wordt, en kan ik je helpen de dag door te komen.”
Anton liep naar de keuken om zijn bier te verversen en daarom zag hij niet de lichte sluier die zich aftekende op het anders zo gelijkmatige gezicht van Jules.
“Ik kan prima mijn dag doorkomen, daar heb ik hulp van niemand bij nodig,” zei Jules met nog maar net ingehouden verontwaardiging.
“Kom nu, je leest de hele dag door kranten, daar kun je toch alleen maar somber van worden. Dat zogenaamde nieuws is trouwens geen nieuws. Hier een orkaan, daar een oorlog en dat in eindeloze herhaling,” zei Anton, die verder geheel in beslag werd genomen door het zorgvuldig uitschenken van het bier.
Jules keek naar de krant die opengeslagen voor hem lag, en zijn gezicht begon een sluwe glimlach te vertonen. Hij keek nog eens naar de krant en de sluwe glimlach ontaardde in een kwaadaardige grijns. Anton was verdiept in het etiket van het bierflesje en zag niets van de voor Jules ongebruikelijke gezichtsgymnastiek.
Jules hervond zijn plooi en sprak uitdagend. “Hier heb ik toch een bericht in de krant van vanochtend, dat ook jou zal interesseren. Ik zal je het artikel voorlezen.”
“Ga je gang. De ouderdom komt nu eenmaal met gebreken, daar heb ik alle begrip voor,” zei Anton afwezig starend naar het gerstenat in zijn glas.
Jules las voor.

“De succesvolle tv-producent Bob Cherubin verrast het verwende tv-publiek binnenkort met een geheel nieuw live spelprogramma, waarbij de deelnemers vier maanden op een kasteel aan de Middellandse Zeekust zullen verblijven. In dit kasteel zullen de kandidaten tijdens een meedogenloze afvalrace aan de zwaarste beproevingen worden onderworpen. De hoofdprijs is een heus kasteel met landerijen. De locatie van de hoofdprijs zal geheim gehouden worden, zodat de winnaar zich zijn nieuwe levensstijl in alle rust kan eigen maken.”

“Dat is toch geen nieuws?” onderbrak Anton. “Ik vind jou neiging om hardop krantenberichten te lezen een ronduit zorgelijk symptoom van vereenzaming.”
“Wanneer is iets voor jou dan wel nieuws?” vroeg Jules onverstoorbaar.
“Als het ook echt iets nieuws bevat. Wat is er nieuw aan dat spelprogramma op de tv?”
“De geheimzinnigheid rond de hoofdprijs. De kijkers zullen nieuwsgierig zijn naar het reilen en zeilen van de winnaar op het kasteel en hier kan dan weer goedkoop zendtijd mee gevuld worden.”
“Ga verder,” zei Anton. “Die geheimzinnigheid, daar wil ik meer van weten.”
Jules ging verder met zijn theorie. “Het geheel doet mij denken aan een loterij van ruim een eeuw geleden. De hoofdprijs was ook een landgoed. De loten werden verkocht in arbeiderswijken. Deze arme lieden droomden van een landgoed, maar ze beseften niet dat het bezit ervan samen dient te gaan met voldoende geld voor het beheer. De opbrengst van de loten was meer dan de waarde van het landgoed en de winnaar verkocht noodgedwongen het landgoed meteen ver onder de waarde terug aan de organisator van de loterij, die zo dubbel winst maakte.”
Anton zat recht in zijn stoel en zijn ogen schitterden. “Ik zie wat je bedoelt. De tv-producent is iets dergelijks van plan. Een handlanger van hem koopt voor een habbekrats een vervallen landgoed in een troosteloze omgeving en verkoopt het voor veel geld aan de productiemaatschappij als hoofdprijs voor het nieuwe spelprogramma. De winst is voor de tv-producent en zijn trawant. Als de tv-show een succes wordt, zullen de aandeelhouders ook niet klagen, ook al heeft de productiemaatschappij teveel betaald voor het landgoed. Het is wel nodig, dat het kasteel verder uit beeld blijft, vandaar de bezorgdheid voor de privacy van de winnaar. Een zwak punt in het plan is, dat misschien de winnaar zelf de publiciteit zoekt. De tv-producent kan natuurlijk manipuleren wie de winnaar wordt. Als de winnaar om geld verlegen zit, dan kan de handlanger het kasteel zo snel mogelijk voor een appel en een ei terugkopen en doorverkopen, bijvoorbeeld aan de oorspronkelijke eigenaar. De winnaar moet heel erg aan de grond zitten, zodat hij de lasten onmogelijk kan betalen en geen enkele bank hem hypotheek wil verstrekken. Des te wanhopiger de financiële positie van de winnaar des te beter voor de samenzweerders. Was dat het hele krantenartikel?”
“Het belangrijkste komt nog,” zei Jules en hij las verder voor uit de krant.

“Vanavond beginnen de opnames met het vastleggen van de reis van de deelnemers naar de Middellandse Zeekust, waar de komende maanden om de hoofdprijs gestreden zal worden. Er is één plaats open gehouden voor een last-minute deelnemer. Kandidaten kunnen zich tot twaalf uur bij de studio aanmelden voor de selectiegesprekken.”

“Twaalf uur, dat is over anderhalf uur,” zei Anton, die zijn interesse begon te verliezen.
“Geen enkel probleem als ik je met mijn autootje breng,” antwoordde Jules. “Het is een groot voordeel, dat jouw koffer al gepakt is. We vertrekken direct.”
“Maar ik heb geen cent op zak.”
“Dat maakt jou juist de ideale kandidaat,” zei Jules. “In combinatie natuurlijk met jouw uiterlijk, welsprekendheid en intelligentie,” voegde hij er snel aan toe. “Kom mee, we mogen geen minuut verliezen.”


4. Artiestenuitgang



Bij de schaars verlichte artiestenuitgang van de tv-studio stond een klein groepje rond de zojuist verkozen winnaar van het welbekende dagelijkse tv-programma met als hoofdprijs een kasteel.
“Niet erg verrassend, de uitslag, maar even goed gefeliciteerd,” zei Jules.
“Dank je,” zei Anton. “Laat ik je voorstellen aan Iwan en Linda, die ik voor de zekerheid ook een uitnodiging voor de finale heb laten sturen. Ik had niet verwacht dat jij zou komen opdagen en ik moest er rekening mee houden dat ik na vanavond dakloos en zonder vervoer zou zijn.”
“Dakloos is niet het goede woord voor iemand met de eigendomsakte van een kasteel op zak,” zei een dikke, maar gespierde man lachend. Jules en Iwan drukten elkaar de hand.
“Stevige hand,” zei Jules. “Ik zal aan je denken als ik hulp nodig heb bij het inladen van een antieke meubeltjes.” Tegen Linda zei Jules “Mag ik je complimenteren met een zeldzame, klassieke schoonheid.” Hij liet zich door haar op beide wangen zoenen. Hierna vond Linda dat de tijd gekomen was om Anton met zijn overwinning te feliciteren en wel op een wijze die hem enige minuten sprakeloos liet. Jules wierp zich daarom maar op als de noodzakelijke leider van de groep. “Nu snel op pad naar het dichtstbijzijnde motel voor een korte nachtrust, dan zien we elkaar morgenochtend vroeg bij het ontbijt.”
Bij het inladen van zijn versleten koffer keek Anton verbaasd naar de reistassen in de kofferbak van het autootje van Jules en daarna viel hem het afgeladen imperiaal op de auto van Iwan en Linda op. Hij wilde wat aan Jules vragen, maar deze weerde hem af met een gebiedend “Morgenochtend hebben we alle tijd, nu eerst slapen.”


5. Ontbijtbuffet



Het motel bood gebrekkig comfort voor een schappelijke prijs, inclusief het onvermijdelijke ontbijtbuffet. In de eetzaal, waar de spijzen en dranken vanaf half zeven ‘s ochtends voor de gasten klaar stonden, was op dit vroege tijdstip slechts één tafel bezet. Midden tussen vier met broodjes en beleg overladen borden, vier glazen jus d’orange en vier dampende kopjes koffie lag op de tafel een bontgekleurde wegenatlas, op ouderwetse wijze op papier gedrukt en van ringband voorzien. Een oplettende waarnemer had zich in dit digitale tijdperk, waarin vrijwel iedere automobilist zich op computernavigatie verlaat, kunnen verbazen over het gevoelens van nostalgie opwekkende kaartwerk, maar meer nog over het gezelschap dat zich om de tafel had geschaard. Een man op gevorderde leeftijd bracht een dikke laag sinaasappelmarmelade aan op de helft van een overlangs doormidden gesneden croissantje. Een Viking met ontbloot bovenlijf deed zich tegoed aan een hardgekookt ei, dat voor hem gepeld was door een bekoorlijke jongedame in Indianenuitdossing. Een slanke jongeman in een geruit jack, waarvan de dracht eerder wees op een overdreven gehechtheid aan dit kledingstuk dan op een gebrekkige verwarming van de ontbijtzaal, was uitgebreid aan het woord. “Hoe ik met verbluffend gemak de stuk voor stuk veel slimmere, sterkere en mooiere tegenstanders versloeg, hebben jullie dagelijks op tv kunnen volgen en gisteravond tijdens de finale in de studio. Daarover heb ik jullie niets nieuws te vertellen. Ik heb vier maanden lang prima uitgeslapen en geen dorst hoeven lijden, maar zoals ik al zei, dat werd iedere uitzending uitgebreid in beeld gebracht. Ik kan zelf wel enige uitleg gebruiken, waarom ik hier op dit goddeloos vroege uur zit tussen een Indiaanse, een Viking en een oud-collega.”
“Enige uitleg aan Anton is wel op zijn plaats en ook noodzakelijk voor de verdere uitvoering van ons plan,” zei Jules.
“Welk plan?” vroeg Anton.
“Wij gaan op reis.” antwoordde Iwan enthousiast.
“Waar naar toe?”
“Naar het kasteel.” antwoordde Linda lachend.
“Welk kasteel?”
“Dat jij gisteren gewonnen hebt,” zei Jules.
“Maar dat is toch zonde van de tijd. Ik heb gisteravond, vlak voordat ik jullie zag, discreet een briefje met een telefoonnummer toegestopt gekregen, met het verzoek vandaag te bellen. En dat ga ik zo meteen doen. Het zal het nummer zijn van de tussenpersoon die mij een schamel maar niet te weigeren bod gaat doen voor dat kasteel. Het geld zal niet voldoende zijn om mij weer een gerespecteerd burger te maken, maar denk ik wel voldoende om voor onbepaalde tijd een gezamenlijke huishouding met Jules te voeren.”
”Het vooruitzicht om met jou mijn woonruimte te moeten delen, was voor mij reden om naar andere mogelijkheden te zoeken,” zei Jules. “Daarom gaan we een kijkje nemen bij het kasteel dat jij gewonnen hebt.”
“En wij gaan met jullie mee,” zei Iwan.
“Wij waren toch al van plan op stap te gaan en het lijkt het ons wel leuk een eindje met jullie op te trekken,” zei Linda en ze pelde een volgend gekookte ei, dat zij ze liefdevol aan Iwan voerde.
“En wanneer kregen jullie het idee om carnaval te vieren in een ontbijtzaal zonder bier?” vroeg Anton met een jaloerse blik naar Iwan.
“Deze kleren dragen wij sinds een maand iedere dag,” zei Linda. “Gisteravond moesten wij op last van de regie iets anders aantrekken. Dat was pure discriminatie.”
“Van mama-squaws en Noormannen?” vroeg Anton.
“Nee, van de onderdrukte volkeren, waarmee wij ons solidair hebben verklaard,” antwoordde Linda op verheven toon.
“Ik heb bezwaar tegen het persoonlijk voornaamwoord wij,” zei Iwan, waarna hij een half ei in zijn mond gestopt kreeg. Na enig kauwen en een slok koffie vervolgde hij zijn tirade. “Ik had gedreigd mij als Viking te verkleden, zolang Linda zich als Indiaanse tooit. Voorlopig is het gelijkspel. Overigens heeft de reactie van mijn stadsgenoten mij wel wat meer begaan gemaakt met het lot van de verworpenen der aarde. Iedere keer als ik op straat of in een winkel kwam, vluchtte iedereen weg, werd de politie gebeld en kon ik urenlang uitleg geven op het hoofdbureau.”
“En hoe was het met de tolerantie tegenover Indianen gesteld?” vroeg Anton.
“Linda werd zoals altijd door iedereen bewonderd en kreeg zelfs enige navolging onder de dames,” zei Iwan en hij keek met een zucht Linda aan.
“Jouw gebrek aan succes valt, denk ik, geheel toe te schrijven aan het gure voorjaar, bij zomerse temperaturen wordt de ruime, knielange broek en het onblote bovenlijf vanzelf meer geaccepteerd in het straatbeeld, tenminste waar het de heren betreft,” sprak Anton zijn vriend moed in.
“Over de bewegingsvrijheid van de Vikingbroek ben ik zeer te spreken. Ik kan hem iedereen aanbevelen.” Hierna werd Iwan weer de mond gesnoerd door een half hard gekookt ei.
“Wat bewoog jou er toe om je, zoals je het zelf noemt, solidair te verklaren met de onderdrukte volkeren?” vroeg Anton aan Linda.
“Ik kreeg aanbiedingen van wel drie modellenbureaus, maar toen de onderhandelingen begonnen was voor mij snel de lol eraf.”
“Te weinig geld?” vroeg Jules.
“Geld interesseert mij niet. Ze stelden allerlei eisen aan mijn levensstijl, bijvoorbeeld wat ik at, en ze wilden een foto van Iwan zien. Daarna zeiden ze, dat een dik vriendje niet samengaat met een succesvolle loopbaan als fotomodel. Ik moet bekennen dat dit tot een korte verwijdering tussen Iwan en mij heeft geleid. Gelukkig maakte Iwan mij daarna zo overweldigend het hof….” Ze pauzeerde even en keek Iwan liefdevol aan. “Dan maar geen fotomodel. Ik wilde alleen maar beroemd worden om daarna mijn bekendheid te gebruiken voor een goed doel. Ik realiseerde mij dat ik de omweg van de roem als fotomodel helemaal niet nodig heb en dat ik mij beter direct op de hoofdzaak kan richten. Ik heb de huur opgezegd, Iwan heeft een tent en een auto gekocht en nu gaan we de ellende in de wereld tegemoet.”
“Via internet heb ik een echte tipi op de kop getikt, met een complete uitzet aan huiden, kookketels en een vredespijp,” zei Iwan trots. “Een beetje avontuur spreekt mij wel aan.”
“Mag ik de eigendomsakte van het kasteel eens zien?” vroeg Jules aan Anton. “Dan kunnen we ons reisdoel nader bepalen.” Anton gaf een officieel uitziend document aan Jules, die op het papier met zijn vinger het adres aanwees en het hardop voorlas. Samen met Iwan raadpleegde Jules uitgebreid de kaarten in de gedetailleerde wegenatlas voor de ligging van het kasteel en de kortste route er naar toe, terwijl hij regelmatig “Aha!” zei. Daarna keek Jules op zijn horloge en naar de verzadigde blikken van zijn tafelgenoten. “Tijd om op te breken. Op naar de kamelen, de karavaan trekt verder.”


6. Laaggebergte



De stille autoweg klom een lange tijd geleidelijk en golfde daarna verder, met zo nu en dan een hoog betonnen viaduct over een breed dal, dan weer een smalle doorgang tussen aan weerszijden lage, maar steile rotswanden. In een bebost gedeelte remde Jules af en stuurde het autootje naar de vluchtstrook. Hij keek in zijn achteruitkijkspiegel of Iwan hem volgde.
“Pech of plaspauze?” vroeg Anton.
“Geen van beiden. Dit is onze afslag,” zei Jules en hij stopte bij een slagboom, die toegang gaf tot een onverharde bosweg.
“De volgende afslag is pas dertig kilometer verderop.”
“Daarom nemen we deze, dat scheelt zo’n zeventig kilometer. Als jij even de slagboom opent en achter ons weer dicht doet.”
Anton stapte uit en liep naar de groen met wit geverfde slagboom, die hij moeiteloos openende. De twee auto’s reden langs, hij sloot de slagboom en stapte weer bij Jules in.
“Na vijfhonderd meter is er een asfaltweg, dan nog ongeveer dertig kilometer naar ons eindpunt,” zei Jules.
De auto’s slipten door de modder en diepe plassen, en bereikten vol zwarte spatten de verharde weg.
“Je kent hier goed de weg,” zei Anton. “Allemaal dankzij de wegenatlas?”
“Het toeval wil dat ik hier acht jaar geleden een keer eerder ben geweest,” zei Jules. “Ik heb toen twee interessante schilderijen op de kop getikt bij de gerechtelijke verkoop van de inboedel van Sandringham.”
“Zand er in ham?”
“Sandringham, dat is de naam van een jachtverblijf. Er zijn in deze streek nog twee andere, Balmoral en Blenheim. Alle drie zijn ze gebouwd in het begin van de twintigste eeuw door rijke Britse industriëlen en genoemd naar beroemde paleizen in hun land van herkomst, uit snobisme of misschien wel als grap.”
“Als die lolbroeken er maar iets moois van hebben gemaakt, want als ik het goed raad, heb ik één van die buitenverblijven gewonnen.”
“Jij hebt Blenheim gewonnen, verreweg de kleinste van de drie. In mijn herinnering is het niet meer dan een eenvoudig landhuis, geschikt om een gezelschap van bescheiden omvang en voorkeuren een tijdelijk onderkomen te geven in het jachtseizoen. Het werd acht jaar geleden al niet meer gebruikt.”
“Dus het is niet eens een kasteel?” vroeg Anton duidelijk teleurgesteld.
“En zeker ook geen paleis. Van het echte Blenheim Palace wordt wel gezegd, dat je door de zuilen het paleis niet meer ziet.”
“Dan is het goed, als ik het zo snel mogelijk verkoop,” zei Anton. “Ik heb een hekel aan zuilen.”
“Ik had het over het originele Bleinheim, de residentie van de Churchills, gebouwd door John Churchill, de graaf van Marlborough, de veldheer die in de zeventiende eeuw de oorlogvoering tot bloederige hoogten wist te voeren en nog steeds als Malbrough geëerd wordt in een spotliedje. De hedendaagse familie Churchill zal het vast niet goed vinden als jij hun paleis verkoopt. Voor zover ik het mij herinner, is jouw bescheiden stulpje een eenvoudig en charmant bouwsel zonder zuilen. Het is zeker het bekijken waard, voordat je het van de hand doet.”
“Ach, ik zal toch elk aannemelijk bod moeten aanvaarden. Wat mij betreft maken we rechtsomkeert, deze eindeloze bossen uit. Of weet jij nog iets, waardoor deze reis weer enigszins interessant zou kunnen worden?”
“Ik hoop, dat we onze tenten kunnen opslaan in de herberg. Indertijd werd daar een koppig bockbier geschonken.”
“Doorrijden maar,” zei Anton vastberaden. “Hoe heet die herberg?”
“Boven de ingang stond alleen De Herberg geschilderd.”
“Zijn er naast herberg De Herberg nog andere bezienswaardigheden in de streek?”
“Vanuit toeristisch oogpunt zijn er maar twee bezienswaardigheden. Een gietijzeren viaduct van meer dan honderd jaar oud, het overblijfsel van een smalspoorlijn door de streek. Deze spoorlijn was indertijd de reden dat de streek populair was bij de Engelse noveau-riche om te jagen.”
“Bedoel je dat ze op de trein schoten of schoten ze vanuit de raampjes naar buiten?”
“Geen van beiden. Het waren Engelsen, geen Amerikanen. De spoorlijn maakte het gebied toegankelijk en de jachtrechten waren er voor Engelse begrippen spotgoedkoop. Ze pachtten er de jachtrechten voor duizenden hectares tegelijk. Dat was nodig voor de traditionele drijfjachten.”
“Ah, met van die rode jasjes, strakke witte rijbroeken en een wirwar van gevlekte honden,” zei Anton, die dankzij het vooruitzicht van een straf glas weer de zin van het leven inzag.
“De meute van Balmoral, het grootste jachtverblijf, telde meer dan tweehonderd honden. De stallen boden plaats aan vijftig paarden. Sommige gasten kwamen met hun eigen paard uit Engeland…”
“Geen geringe prestatie, vooral het zwemmen over het Kanaal,” onderbrak Anton jolig.
“Met de boottrein,” vervolgde Jules. “De paarden waren een fortuin waard.”
“Rijdt dat treintje nog? Altijd goed om te weten, dat je met een glaasje op nog thuis kunt komen.”
“Wat betreft de spoorverbinding moet ik je teleurstellen. De dienstregeling is veertig jaar geleden beëindigd. Plannen voor een toeristische stoomspoorlijn zijn nooit uitgevoerd. Wat het glaasje op betreft, na een paar glazen van het bier in de herberg denk je niet meer aan naar huis gaan. En dat is ook niet nodig, want de herberg heeft prima bedden.”
“Het uitzicht op de onbekende kusten wordt steeds mooier, hoeveel zeemijl nog voordat wij voor anker gaan, kapitein?”
“Als ik het goed omreken nog tien zeemijl.”
“Bij onze huidige snelheid van veertig knopen is dat nog een kwartier. Tijd genoeg om mij over die andere bezienswaardigheid te vertellen.”
“In de buurt van Blenheim liggen de restanten van een oud klooster, dat een halve eeuw geleden is ingestort, een paar jaar nadat de laatste monniken waren vertrokken.”
“Waarom hebben de monniken het klooster verlaten?”
“Dat weet ik niet precies. Misschien omdat het klooster op instorten stond. Er wonen nog nakomelingen van de monniken in het dorp. Je kunt het aan hen vragen.”
“Die monniken toch. De bewoners van het dorp, waar verdienen die de kost mee?”
“Een aantal is jachtopziener of houtvester, het grootste gedeelte fokt rundvee.”
“Ik ben dol op een goede biefstuk.”
“De herberg serveert uitstekende biefstukken, afhankelijk van het seizoen van het rund of van het hert.”
“Verder nog notabelen in het dorp, naast die zeer sympathieke waard van het bier, de bedden en de biefstukken?”
“Onder de permanente bevolking alleen nog maar de veearts, die voor spoedeisende gevallen ook de rol van verloskundige, noodarts en chirurg vervult. Zijn specialiteit zijn schotwonden en andere kwetsuren opgelopen tijdens jachtongelukken.”
“Een geruststellend idee. Hopelijk is het jachtseizoen nog niet begonnen.”
“Van het najaar pas. De streek wemelt dan van de machtigen der aarde. Zo is Balmoral al decennia lang eigendom van een politieke dynastie. De huidige pater familias was jaren geleden minister van buitenlandse zaken in zijn land. Je hebt misschien wel van hem gehoord. Hij kwam toen veel in het nieuws vanwege vredesbesprekingen. Hij zit ondanks zijn vergevorderde leeftijd nog in allerlei internationale commissies. Of zat, moet ik eigenlijk zeggen. Er is nog niet zo lang geleden een affaire geweest, iets op het gebied van ongewenste intimiteiten met een secretaresse.”
“Billenknijperij is niet altijd even bevorderlijk voor de internationale betrekkingen. Je moet het voor gepaste momenten en de juiste personen bewaren. Van zo‘n oude rot in het vak had ik meer inzicht in de diplomatieke verhoudingen verwacht.”
“Het had waarschijnlijk ook minder te maken met de buitenlandse politiek en meer met een tweede jeugd en het bijbehorende verlies aan remmingen.”
Het autootje van Jules het stopte met slippende banden voor een hoog ijzeren toegangshek, dat verscholen lag tussen een verwilderde beukenhaag. Het fraaie smeedwerk verbeeldde twee bokkende edelherten en bovenaan stond in sierlijke letters ‘Blenheim’.
“Jouw remmen doen het nog prima,” zei Anton.


7. Blenheim



Iedereen stapte uit en liep naar het hoge hek. Door het smeedwerk heen zagen ze aan het einde van een oprijlaan een vierkant landhuis van twee etages met een laag pannen dak. Het was een sober huis, zonder torentjes of andere versieringen.
Bemoste beelden van herten en jachtgodinnen staken boven hoog gras uit en vormden aan beide zijden van de laan een rij tot aan het huis. Wat verder van de laan bloeiden rododendrons. De met lila en purperen bloemen overladen heesters leken naar het huis toe steeds hoger te worden. Het gezelschap staarde stil naar het idyllische uitzicht. Een lichte motregen en Jules verbraken de betovering. “Het lijkt groter dan het is. Dat komt door optisch bedrog. De oprijlaan wordt naar het einde toe smaller en de beelden kleiner. De rododendronstruiken horen dichter bij het huis kleiner gesnoeid te worden, maar dat is de laatste tijd niet meer gebeurd. De juiste verhoudingen tussen hoogte en breedte doen de rest om het huis op een afstand twee keer zo groot te laten lijken.”
Iwan keek of er een slot op het hek zat. Hij haalde er een roestig, open hangslot vanaf en hij zette zijn volle kracht tegen de ijzeren spijlen. Het hek opende een stukje en Iwan wurmde zich door de kier. “Wie gaat er mee het optische bedrog ontmaskeren?” zei hij vanaf de andere kant van het hek en hij rende door het hoge gras van de oprijlaan naar het huis toe. Twintig meter verderop riep hij “De beelden worden inderdaad steeds kleiner, kom kijken!” Linda volgde als eerste, Anton als laatste en met duidelijke tegenzin. Hij bleef staan voor een wellustig beeld van een dikke sater en een slanke nimf, en zei zenuwachtig “Kom allemaal eens hier terug, volgens mij kunnen we niet zomaar over dit terrein lopen.”
“Hé, jij bent de eigenaar,” lachte Iwan. “Neem een voorbeeld aan het betonnen paartje achter je en geniet toch eens van het moment.”
Anton draaide zich om, keek naar het beeld en daarna naar Iwan en Linda. “Dat zou ik ook wel willen, maar straks komt er een huisbewaarder en dan moeten we van alles uitleggen. Wat mij betreft doe ik het landgoed nog steeds in de stille verkoop. Ik wil graag incognito blijven. We moeten een smoes voor ons bezoek verzinnen.”
Iwan reageerde verbaasd “Iedereen kent jou toch van de tv!”
“Ik heb het sterke vermoeden, dat het programma niet in deze streek te ontvangen is geweest,” zei Jules.
“Goed, dan zijn Linda en ik hier gekomen om een Indianenkamp op te slaan en dat is nog de waarheid ook. Kom eens kijken naar het mooie tegelwerk op het terras. Dit uitbouwsel met de luiken dicht lijkt op een serre.”
Ze gingen de treden op naar het terras, toen er een luid kabaal losbarstte. Van de achterkant van het huis verscheen een wonderlijke meute honden. Voorop trippelden witte, pluizige hondjes met stompe snuitjes, daarachter minstens twintig wit, bruin en zwart gevlekte honden met een lage, luide blaf. Hun logge lijven waggelden boven korte, kromme pootjes en hun lange oren slingerden over de grond. Als afsluiting strompelden vier oude, langbenige jachthonden met grijze snuiten en hun lange tong hijgend uit de bek, zodat het leek alsof ze grijnsden.
“Wat schattig!” riep Linda. Ze hurkte neer en de witte hondjes likten haar wangen met roze tongetjes. Iwan streek één voor één de oude honden onder de kin. De speurneuzen verdrongen zich kwijlend om de schoenen van Jules en Anton. Een gezette vrouw van middelbare leeftijd liep het terras op. “Duizend excuses, ik heb de hokken open laten staan bij het schoonmaken.” Ze keek naar de bezoekers en in het bijzonder naar Jules. “U bent meneer Jules, nu weet ik het weer. Als ik eenmaal een gezicht heb gezien dan vergeet ik het nooit meer. Oh, meneer Jules, vertelt u meneer Savary alstublieft niet, dat de honden allemaal losliepen. Als hij dat hoort, dan moeten de asielhonden uit de kennel en dat vergeeft Marie me nooit. Misschien kunt u zich Marie nog herinneren, het nichtje van Louis. Ze helpt nog steeds mee in de herberg. U bent vast op weg naar de herberg, dan hoort u daar alle verhalen. Oh, ik praat ook altijd veel te veel, ik heb mijzelf nog niet eens voorgesteld.”
“Mag ik jullie voorstellen aan Anne,” zei Jules tegen Linda, Iwan en Anton. “Anne is de assistente van meneer Savary, de veearts.”
“Hoe hebben jullie het hek open gekregen?” vroeg Anne. “Het zit al jaren muurvast. Wij gebruiken altijd de achteringang. Die is ook dichter bij het dorp.”
Iwan kuchte. Anne keek naar zijn ontblote gespierde torso.
“Oh, jullie hebben toch niet het smeedwerk verbogen? Wie zijn jullie en wat doen jullie hier?”
“Ik heet Anton,” zei Anton snel. “Ik ben geïnteresseerd in bouwkunde. Ik komt voor het spoorwegviaduct. En voor Blenheim, vanwege het optische bedrog. Iwan en Linda waren ons toevallig net voorgegaan. Zij zijn op zoek naar een wilde kampeerplaats voor een overlevingstocht. Zo was het toch, Iwan?”
“Zeker,” viel Iwan hem direct bij, “graag iets in de buurt van het water.”
Linda glimlachte ontwapenend.
“Oh, meneer Savary vindt het vast goed dat jullie op het weitje bij de beek gaan staan, dat is een heel mooi plekje,” zei Anne vriendelijk. “Tenminste, als jullie niet bang zijn voor honden en dat ziet er niet naar uit. Niet, dat de honden altijd loslopen, eigenlijk gebeurt dat nooit en ik zou het heel vervelend vinden als meneer Savary dat wel zou denken.”
“In ruil voor de kampeerplek heb je ons erewoord,” zei Iwan. “Zijn er behalve de honden nog andere bewoners?”
“Meneer Savary heeft het huis jaren geleden alleen maar gekocht voor de kennel. Het huis is in prima staat, maar meneer Savary vindt het niet praktisch om er praktijk te houden. Als de stallen er nog waren, dan was het misschien anders, maar die zijn lang voordat meneer Savary het huis kocht afgebrand. Lopen jullie alstublieft mee, dan komen de honden vanzelf achter ons aan en dan kan ik ze weer opsluiten.”
Anne ging voorop en alles en iedereen liep mee.
Het kennelgebouw was goed onderhouden en de hokken waren licht en schoon.
“De laagbenige brakken zijn het levenswerk van meneer Savary. Hij probeert een oud ras te herstellen,” zei Anne, terwijl ze deze honden als eerste over verschillende hokken verdeelde.
“Brakken zijn honden die het wild opsporen, de korte poten zorgen ervoor, dat de jagers niet zo hard hoeven te lopen,” verduidelijkte Jules. “Meneer Savary heeft mij bij mijn vorige bezoek uitgebreid over zijn hobby verteld. De aanwezigheid van de andere honden past niet in het beeld dat ik van meneer Savary heb. Dat hij dierenarts is, betekent niet dat hij zich het lot van alle dieren aantrekt.”
“Oh, meneer Savary laat de asielhonden alleen toe, omdat anders Marie hem niet helpt bij de verzorging van de brakken, en zonder haar en mijn hulp lukt het hem niet. Hij klaagt wel steeds over de kosten van het extra voer. Jullie moeten weten, de verloofde van Marie is bij het leger en bijna voortdurend uitgezonden naar het buitenland. De asielhonden zijn haar troost, maar daar horen jullie straks in de herberg vast meer over. Meneer Jules vroeg naar de honden, niet naar Marie. Ik praat ook altijd te veel. De kleine hondjes zijn vorige zomer langs de snelweg uit de auto gezet. Ze hadden allemaal hun inentingspenning om en de jachtopziener die ze gevonden had, wilde ze aan zijn vrouw geven, maar die vond het lastig in huis, al die haren. Toen heeft hij ze bij de kennel afgegeven. De bejaarde honden zijn de lievelingen van Marie. Het zijn de afdankertjes van de jachtopzieners, die de dieren anders mee hadden genomen naar het bos om ze daar, nou u weetwel, zoals verder iedereen hier in het dorp nog denkt dat je moet doen met oude honden, die niet meer kunnen werken. Niet dat de jachtopzieners het erg vinden dat hun oude trouwe viervoeters hier zitten. In het jachtseizoen geven ze ons bergen slachtafval als voer voor de honden. Zo, alle boeven zitten weer achter slot en grendel.” Anne liep verder en bleef staan bij het achterste hok, Ze wenkte de anderen. Op een geruite deken in een grote mand zoogde een teefje zeven pups. “De pups zijn vorige week geboren. Meneer Savary is reuze blij, sommige pups zijn helemaal wit.”
“Wat schattig,” zei Linda en ze keek naar Iwan.
Eén voor één hielden de pups op met drinken en vielen opgerold in slaap, dicht tegen de buik van hun moeder aangedrukt. ”Ik zal jullie nu het weitje aanwijzen,” zei Anne.
Buiten het hondenhuis wees Anne omlaag naar een lieflijk weitje bij een kronkelende beek. “Ik zou het water toch maar eerst koken,” zei ze zorgzaam. “Als jullie met de auto zijn, dan kunnen jullie makkelijker omrijden langs het dorp en door de achteringang naar binnen gaan en naar het weitje rijden. Zo hoeven jullie niet met de kampeerspullen te sjouwen.”
“Een goed idee, we hebben best veel spulletjes,” zei Linda.
“Een omweg langs de herberg lijkt mij een goed begin van een overlevingskamp,” voegde Iwan er aan toe.
“Als jullie het niet erg vinden, dan ga ik nu naar mijn fiets. Die staat bij de achteringang.” Anne zwaaide vriendelijk en liep snel weg.
“Die gaat alvast het nieuws van onze komst verspreiden. Als we omrijden met de auto, in plaats van een korte wandeling vanaf de achteringang, heeft ze daar alle tijd voor. Laten we haar dat genoegen niet ontnemen en op ons gemak naar de auto teruggaan,” zei Jules.
“Jules, je hebt niets verteld over de reden van jóuw komst,” merkte Iwan scherp op.
“Dat hoeft niet. Iedereen in het dorp kent mij nog als verzamelaar van antiek.”
“Blijven we nog lang kletsen?” vroeg Anton. “Mijn keel is droog. Mij is bier beloofd.”


8. De derde tap



Twee auto’s kwamen knarsend tot stilstand op het grind voor de oude herberg. Tegen de muur stond een eenzaam bankje als enig spoor van een terras. Naast het bankje hing aan de muur een urinoir gevuld met rode geraniums. Het opschrift boven de ingang was verschoten en het pleisterwerk zat vol lelijke scheuren. In de deuropening stond een grote, zwaargebouwde man met een lang leren schort, die toekeek hoe een bont gezelschap uitstapte. Een oudere man met een kaal hoofd en een slanke jonge man in een geruit jack kwamen uit de ene auto. Uit de andere auto stapten een charmante Indiaanse en een stevige Viking. Met opengesperde armen liep de waard op zijn gasten af, als een beer naar zijn prooi. Hij omhelsde Jules en drukte de anderen de hand.
“Alle klanten zijn meer dan welkom in deze tijd, maar jij bent het meest welkom van allemaal, Jules. Komen jullie allemaal naar binnen. Misschien kan ik de kampeerders nog op andere gedachten brengen. Ik neem alle betaalmiddelen aan, ook buffelhuiden en barnsteen.”
Ze liepen achter hem aan de herberg in.
“Ik hoor dat Anne het nieuws over onze komst al heeft verspreid,” zei Jules. “Louis, vertel eens, hoe gaan de zaken hier?”
Louis wees met een handgebaar naar de lege gelagkamer. Het interieur van hotel-restaurant De Herberg was even sober als de naam. Versleten stoelen stonden op haveloze tafels. Aan de muur hing tussen andere stoffige jachttrofeeën een grijnzende everzwijnenkop, die keek alsof hij net een boertje had gelaten. “De zaak heeft betere tijden gekend. Ga zitten. Ik roep Marie, zij is in de keuken. Als er vanavond geen vergadering was, dan had ik haar niet laten komen. Marie!” Louis brulde door de holle gelagkamer alsof hij een menigte luidruchtige stamgasten moest overstemmen. Uit een klapdeur naast de tapkast kwam een sportieve, jonge vrouw met halflang blond haar en stralende blauwe ogen. Zij begroette hen hartelijk “Anne heeft daarnet een rake omschrijving gegeven. Het is alsof ik jullie al jaren ken, wat met Jules ook zo is. Wees welkom, nobele wilden Linda en Iwan. Hoi, Anton.” Haar blauwe ogen keken Anton aan en hij dacht dat hij erin verdronk. Hij stotterde wat, slingerde heen en weer op slappe benen en greep zich met een liefdevolle omhelzing vast aan een barkruk. Amor’s pijlen hadden hem recht in zijn hart getroffen. Anton was op slag verliefd op Marie.
“Anton vertoont ontwenningsverschijnselen,” zei Iwan, “en ik lust zelf ook wel wat.” De gasten beklommen de barkrukken. Louis en Marie gingen achter de bar staan.
“Er is cider en bockbier van de tap en nog iets anders, maar dat blijft nog even een verrassing,” zei Louis. “Alles uit eigen brouwerij en verse vaten, vanmiddag aangeslagen.”
“Laten we met cider beginnen, goed tegen de dorst,” stelde Iwan voor, “of wil jij meteen met het bier beginnen, Anton?” Anton keek sprakeloos toe hoe Marie de glazen spoelde en vol tapte.
“Geef mij ook een glas om het vat te keuren,” zei Louis.
Iedereen hief het glas en nam een slok. Anton proestte zijn eerste slok uit en trok een zuur gezicht.
“Het is cider, geen bier,” zei Iwan.
“Oh, cider,” zei Anton afwezig en hij dronk braaf door.
“Hoe komt het dat de loop uit de zaak is?” vroeg Jules aan Louis. “Aan de cider zal het niet liggen, die is voortreffelijk.”
Iwan viel hem bij “De beste cider die ik ooit geproefd heb en ik heb al heel wat door mijn keel gespoeld.”
Trots vertelde Louis. “Over de brouwerij dadelijk meer, daar is al mijn hoop voor de toekomst op gevestigd. Over de tegenslagen van het verleden wil ik kort zijn. Als eerste bleven de toeristen weg. De reisgidsen en websites vroegen geld om de herberg te vermelden, maar dat loonde nooit voor die paar toeristen die naar het oude spoorwegviaduct en de kloosterruïne kwamen kijken. Vervolgens verdwenen ook het spoorwegviaduct en de kloosterruïne uit de gidsen en van de websites, omdat er geen pleisterplaats in de buurt zou zijn.” Louis nam een slok van zijn cider en keek weer wat opgewekter. “De wekelijkse veemarkt werd van hogerhand gesloten na een hormonenschandaal. Toen de veemarkten weer mochten, bleek die van ons dorp samengevoegd met die in de stad.”
“De jachtpartijen gaan toch wel door?” vroeg Jules.
“Zeker, maar van die paar weken omzet kan ik de zaak niet een jaar lang open houden.”
“En de wielerronde?” vroeg Jules.
“De laatste heb jij gezien. De sponsors trokken zich terug vanwege de dopingaffaires.”
Louis draaide zich om en keek naar de muur achter de bar waar ingelijste, verkleurde foto’s hingen van lachende, fitte wielrenners en mooie, gespierde stieren, allemaal met medailles aan gekleurde linten om hun nek. Daartussen hing als verdwaald een recente foto van een militair, die zijn medailles niet om zijn nek had hangen maar op zijn borst gespeld.
“Zie daar de stille getuigen van de vergane glorie van deze herberg. Maar we zitten niet bij de pakken neer. De grote brouwerijen hebben de prijs voor levering in deze streek sterk verhoogd en tegelijkertijd de mogelijkheden voor krediet beperkt. De drinklokalen in de omgeving nemen daarom steeds meer van mijn bockbier af. Als ik een brouwersknecht vindt die zonder salaris voor een aandeel in de winst wil werken, dan kan ik de brouwerij zo weer op de oude capaciteit laten draaien. Ondertussen experimenteer ik met nieuwe producten.”
Iwan maakte nogmaals zijn complimenten voor de cider, wat beloond werd met een vol glas.
“Die café‘s zullen jou pas na levering van het bier en de cider betalen, hoe financier je de inkoop van grondstoffen?” vroeg Jules zakelijk.
“Ik hoop dat Pomona de appels voor de cider en de gerst en de hop voor het bier op krediet wil leveren. Daar gaat de vergadering vanavond over.”
“Wie is Pomona?” vroeg Iwan.
“Pomona is de Romeinse godin van het fruit,” zei Linda.
“Pomona is de naam van de kleine coöperatie van de telers van graan, appels en hop in het dorp,” zei Louis. “Ze hebben het vak van hun vaders geleerd, samen met een hoop andere eigenaardigheden zoals het opdreunen van Latijnse verzen. Hun vaders hadden dat in het klooster geleerd.”
Jules stootte Anton aan. “Dat waren die monniken, waarover ik je vertelde.”
Anton keek nog steeds sprakeloos naar Marie.
“Niet zo staren!”, zei Iwan en hij sloeg Anton op een schouder.
“Ik voel me gevleid door de aandacht, maar ik word er wel een beetje verlegen van,” zei Marie snel tegen Anton.
“Deze dame is al bezet,” zei Louis en hij wees naar de foto van de militair. “Marie is verloofd met Philippe, de dapperste soldaat die ons dorp de laatste honderd jaar heeft voortgebracht. Hij is de trots van het dorp.”
“Daar kan je het maar beter niet mee aan de stok krijgen,” zei Iwan. “Tegen zo‘n wilde krijger kan ik je ook niet helpen.”
“Een knappe man,” zei Linda met een goedkeurend knikje naar Marie.
Marie rommelde luidruchtig met een paar glazen en sprak daarna snel. “Als jullie iets willen eten, dan moet ik jullie teleurstellen, de keuze is beperkt. Een roerei met brood zal nog wel lukken, maar daarmee is de voorraad dan ook op. Voor wie mag ik de bestelling opnemen?”
“Als we eerder van jullie komst hadden geweten, dan was de keuze natuurlijk ruimer geweest,” zei Louis. “Met zoveel gasten in het vooruitzicht verruimt de slager vast mijn krediet.”
“Anton, je zult nog even geduld moeten hebben voor de biefstuk,” zei Jules.
“Biefstuk?” zei Anton afwezig.
“Marie, maak voor ons allemaal maar roerei van het huis en laten we het samen als vriendenmaal aan de bar eten,” zei Louis.
“Als het een vriendenmaal wordt, wie van de gasten helpt dan mee?” vroeg Marie met een steelse blik naar Anton. Anton stond snel op en volgde Marie naar de keuken.
“Zonder de gastvrijheid tekort te willen doen, een snelle hap komt Linda en mij prima uit. We willen nog voor het donker ons kamp opslaan,” zei Iwan.
“Dan zou ik maar niet teveel bockbier drinken,” zei Jules. “Er zijn Indianenstammen aan slapper spul ten gronde gegaan.”
“Zo‘n stoere Germaan kan toch wel tegen een biertje,” zei Louis.
“Viking,” verbeterde Iwan.
Uit de keuken kwam de eetlust opwekkende geur van roerei met gebakken uien en spek. Louis tapte zorgvuldig zes glazen donker gekleurd bier uit de middelste tap. Anton kwam uit de keuken met een mand brood bovenop een stapel borden. Marie volgde met een grote schaal waarop een berg gevuld roerei lag. Louis zette de glazen donker bier op de bar. Anton bleek in de keuken zijn tong weer te hebben gevonden en hij hief zijn bierglas. “Ik wil een toost uitbrengen op Louis en zijn lieve nichtje Marie. Op de toekomst van de herberg.”
Allen dronken van het schuimend bier en waren even stil.
“Heerlijk,” zei Linda als eerste.
“Uitmuntend,” zei Iwan.
“Woorden schieten mij tekort,” zei Anton.
“Had ik het niet gezegd,” zei Jules.
“Dit biertje brouwen we al jaren, ik ben benieuwd wat jullie dadelijk van het experiment vinden,” zei Louis en hij wees naar de derde tap.
“Laten we eerste een bodempje leggen met het avondmaal, dat lijkt mij veiliger,” zei Jules. “We hebben sinds vanochtend niets meer gegeten.”
De berg roerei verdween via de borden in de monden. Marie bracht de lege borden naar de keuken. De voordeur van herberg ging open en er kwamen zeven mannen binnen, die allen kaal waren op een klein strookje grijs haar na dat van het ene oor via het achterhoofd naar het andere oor liep. Door deze haardracht en omdat ze allemaal eenzelfde hoornen bril droegen en een bruin of zwart corduroy jasje, zagen ze er uit als broeders van een kloosterorde.
“Welkom, heren van Pomona, neemt u plaats aan de vergadertafel,” zei Louis.
De heren gingen zitten aan een rechthoekige tafel, die vlak bij de bar stond.
Louis bracht ze persoonlijk glazen cider en toen hij terug was bij de bar zei hij zachtjes “Ze openen de vergadering door met een glas cider een heildronk uit te brengen op Pomona, maar eerst zegt de voorzitter een ellenlang Latijns gedicht op.”
De voorzitter van Pomona stond op, hief zijn glas en sprak met zangerige stem ”Rege sub hoc Pomona fuit, qua nulla Latinas…”
Na een kwartier dreunde hij de laatste regel op en de Pomonisten dronken in één teug hun glas cider leeg.
“Tijd voor de derde tap,” zei Louis. “De cider en het bockbier zijn gisteren al goedgekeurd. Daarna moest de vergadering geschorst worden, omdat ze van hun stoelen afvielen.” Louis tapte zeven glazen zeer donker bier uit de derde tap en bracht de glazen op een dienblad naar de tafel. Enthousiast kwam hij terug bij de bar. “Ze hebben al een naam verzonnen, Terminator.” Hij tapte er ondertussen nog meer glazen van.
“Dat is in de traditie van de zwaarste dubbelbockbieren, begonnen met de Salvator van de Paulaner kloosterbrouwerij, waarna dit voorbeeld door vele andere brouwerijen is gevolgd,” zei Anton enthousiast. “De Salvator, de Triumphator, de Optimator, en de Delicator hebben ik al eens mogen proeven. Op mijn verlanglijstje staan nog de Animator en vooral ook de Kulminator, dat is de zwaarste van allemaal.”
“En wat vindt de kenner hiervan?” vroeg Louis en hij reikte Anton een bolrond glas aan. Met een serieus gezicht bracht Anton het glas aan de lippen. Vanaf de vergadertafel klonk plotseling een stemverheffing. De voorzitter was met zijn bierglas in zijn ene hand en de voorzittershamer in de andere op een stoel gaan staan en hij riep “Ik heb dat Latijn altijd al eens willen vertalen en ik ga dat nu gewoon doen!”
Hij nam een slok bier en begon met een welluidende bariton te zingen op een eenvoudige maar pakkende melodie.

“Dit is een ode aan Pomona,
Geen andere godin doet het haar na,
Vruchtbaar en zonder zuchten,
Draagt zij de volste vruchten…”

De voorzitter wachtte even en keek de vergadering aan vanaf zijn hoge positie. Op dat moment kwam Louis aan met nieuwe volle glazen. De vergadering sloeg als applaus voor het bier met de vlakke hand op de tafel en de voorzitter ging door met zijn spontane vertaling. Al snel werd er tussen de coupletten een eenvoudig refrein toegevoegd dat gemakkelijk door de voltallige vergadering kon worden meegezongen “O, o, o, Pomona!”
Na het tiende couplet kwam Louis juist tijdens het refrein met een volgende ronde aan en dit was voor de secretaris van de coöperatie aanleiding om ook op zijn stoel te gaan staan onder een luid “O, o, o, Pomona.” De voorzitter zag zich nu genoodzaakt naar de tafel over te stappen, waarna de secretaris hem volgde en schouder aan schouder naast hem ging staan.
De voordracht bezat dermate melodische en ritmische kwaliteiten dat de harmonie niet achterwege kon blijven. Na het zestiende couplet zongen allen in de gelagkamer, inclusief Jules, het refrein uit volle borst mee. “O, o, o, Pomona,” klonk het nog vele malen en Louis bleef tappen. Aan het einde van het lied zwaaide de voorzitter met de voorzittershamer, waarbij hij vijf gloeilampen in de kroonluchter boven de tafel uit sloeg, en hij verklaarde de vergadering voor gesloten. De leden van Pomona schudden Louis de hand bij wijze van bezegeling van de overeenkomst, klopten elkaar op de schouder en verlieten de herberg zoals ze binnen waren gekomen, door de voordeur, wat nu echter een stuk lastiger ging omdat ze allemaal arm in arm liepen. Louis strekte zijn armen naar het plafond en riep “Niets staat het succes meer in de weg, er zal hier een economisch wonder verrijzen!”
“Ik heb het beloofde land gevonden!” riep Anton. “Het beste bier en het liefste meisje van de wereld. Waar is Marie? Ik wil haar de liefde verklaren. Die Philippe durf ik wel aan!”
“Als je wat beter had opgelet, dan had je gezien dat ze net haar jas heeft gepakt en via de keukendeur is verdwenen naar de achteruitgang,” zei Jules.
“Verbazingwekkend hoe goed jij bestand bent tegen het bier,” zei Anton.
Jules wees naar het kopje thee dat voor hem op de bar stond. “Ik drink altijd een kopje thee voor het slapen gaan. Dat kalmeert de zenuwen.”
“Over slapen gesproken, wij gaan ons kamp opslaan,” zei Iwan en hij gaapte.
“Lukt dat nog wel?” vroeg Anton. “Het is allang donker. En met al dat bier op mogen jullie niet meer met de auto op pad.”
“Maak je geen zorgen,” antwoordde Iwan. “We hoeven geen meter te rijden. Louis vindt het goed dat we de tent voor de herberg opzetten, naast onze auto.”
“Is het niet makkelijker om een kamer in de herberg te nemen?” vroeg Jules.
“Vanaf nu slapen we enkel nog in een tent,” zei Linda. “Uit solidariteit met de onderdrukte volkeren.”
“Bovendien moeten we zuinig aan doen,” zei Iwan. “We zitten nogal krap bij kas.”
Linda gaf iedereen een nachtzoen en zij ging samen met Iwan de herberg uit, de nacht in.
“Zeer charmant,” zei Louis terwijl Linda door de gelagkamer naar de deur trippelde. “Een leuk stel,” voegde hij er aan toe met een blik op de brede rug van Iwan, die als laatste door de voordeur naar buiten ging. “Jammer dat ze geen kamer wilden. Ik zal jullie de weg wijzen, dan kan ik zo afsluiten.” Hij ging Jules en Anton voor, de smalle, houten trap op.


9. Brouwerij



Anton werd wakker en knipperde met zijn ogen. De kleine kamer was fel verlicht door de zojuist opgekomen zon. Hij draaide zijn hoofd naar links en zag een bleekblauwe ochtendhemel door het smalle, hoge raam. Hij keek naar rechts en zag Jules voor een wastafel met een witte baard van scheerzeep en een scheerkwast in zijn hand.
“Goedemorgen,” zei Jules.
“Morgen,” zei Anton. “Waarom heb je de gordijnen al open gedaan?”
“Ik heb de gordijnen niet open gedaan.” Jules begon zich zorgvuldig te scheren.
“Was je ze vergeten dicht te doen?” Anton gaapte en rekte zich in bed uit.
“Ik ben ze niet vergeten dicht te doen.” Geconcentreerd trok Jules het scheermes langs zijn wang omhoog.
Anton ging op de rand van het bed zitten. De stalen veren in de matras kraakten en zakten diep door. “Wie heeft de gordijnen dan open gedaan?”
“Niemand,” zei Jules en hij spoelde zijn gezicht af.
Anton keek naar de grond naast zijn bed en zag zijn schoenen netjes naast elkaar staan, met de punten allebei naar voren, de linker schoen links en de rechterschoen rechts.
“Je bent ze niet vergeten dicht te doen en niemand heeft ze open gedaan. Hoe komt het dan dat ik zo onbarmhartig gewekt wordt door dit genadeloze zonlicht?”
Jules pakte een handdoek en droogde zijn gezicht. “Er zijn geen gordijnen. Ik heb gisteravond nog geprobeerd de luiken te sluiten, maar ze zaten vastgeroest.”
“Kale kamer, zo zonder gordijnen,” zei Anton.
Anton keek naar de stoel naast het bed. Er hingen geen kleren aan.
“Waar zijn mijn kleren?”
“Die heb je aan. Je was gisteravond in vol ornaat op bed gaan liggen en als een blok in slaap gevallen. Ik heb je schoenen uitgetrokken.”
Anton keek omlaag langs zijn lichaam en zag zijn naaktheid bedekt door geruit jack, broek en sokken. Hij stond op en liep naar het raam. Het raam opende naar binnen, langs dikke muren. Anton stak zijn hoofd naar buiten. Een lage nevel hing over de omlaag golvende velden en bossen. Beneden voor de herberg stond een puntige tent, glinsterend van de dauw.
“Kukeleku!” riep Anton.
Een flap van het tentdoek werd opzij geslagen en een glimmende Vikinghelm verscheen in de opening. Het hoofd van Iwan kwam te voorschijn, gevolgd door zijn naakte torso.
“’Goedemorgen!” bulderde Iwan. “Even nog mijn broek aan trekken, dan kom ik er aan,”
Anton sloot het raam en ging met Jules omlaag naar de gelagkamer. Hier was niemand. Ook de keuken was onbemand. Op de bar lag een velletje papier, waarop in slordig handschrift geschreven stond ‘Ben in de brouwerij, Louis.’
“De brouwerij is te bereiken via de bierkelder,” zei Jules. Hij tilde een luik op in de vloer achter de bar. Een donker gat gaapte voor hun voeten.
“Waar zit het lichtknopje?” vroeg Anton en hij zocht de muur af achter de bar.
“Hier aan de onderkant van de bar,” zei Jules. Hij drukte de schakelaar in en fel neonlicht scheen vanuit de vloer omhoog. Jules en Anton daalden de steile trap af.
“Volk!” riep Iwan, die net de herberg binnenkwam.
“Wij zijn hier!” klonk het hol uit de diepte.
“Waar?”
“Achter de bar!”
Iwan keek naar de bar en zag niemand. Linda kwam binnen en vroeg aan Iwan “Heb jij Anton en Jules al gezien?”
“Nee, maar wel gehoord. Ze spelen verstoppertje.”
“Ik ben dol op verstoppertje spelen, ik doe mee,” zei Linda. “Acht, negen, tien, blijf zitten waar je zit en verroer je niet, wij komen!”
Iwan en Linda liepen naar de bar en zagen de felverlichte opening naar de bierkelder.
“Het binnenste heiligdom van herberg,” zei Iwan en ging de trap af, gevolgd door Linda.
Het was koud in de kelder, die in de rotsen was uitgehouwen. Aan weerszijden lagen houten vaten van verschillende grootte tegen de rotswanden, die begroeid waren met allerlei vormen van slijmachtig, lichtschuw leven, schimmels, bacteriën, rood, groen en geel. Iwan en Linda liepen de rijen vaten langs over de glibberige vloer, klopten op de vaten, keken langs de vloer. Nergens zaten Jules en Anton verstopt. Aan het einde van de bierkelder gingen stenen treden omhoog. Bovenaan stonden een koperen brouwketel en allerlei grote bakken. In sommige bakken zat een troebele, borrelende soep, in andere een helderdere vloeistof. Lucht en licht kwamen binnen door spleten, die langs het plafond liepen en van waaruit grote pakketten spinrag op de luchtstroming langzaam heen en weer zwaaiden als versleten gordijnen in een openstaand raam. Linda keek achter de ketel, achter alle bakken en onder ieder ander stuk gereedschap en vond alleen stof, decimeters dik stof.
“Hier is de bron,” zei Iwan, terwijl hij over een soort waterput boog. De put was met een geroest traliewerk afgesloten. Tussen de tralies door liepen pijpen en slangen, die in de donkere diepte verdwenen, de tentakels van een onderaards monster, dat daar lag te wachten op een prooi.
“Daar zullen ze ook niet zitten,” zei Linda.
“Dan maar weer verder omhoog,” zei Iwan en hij wees op een houten ladder.
Iwan en Linda klommen de ladder omhoog en kwamen op een etage, waar het warmer was en een dikke laag graankorrels op de vloer lag.
“De mouterij,” zei Iwan met ontzag in zijn stem.
“Stil,” zei Linda. “Ik hoor wat.”
Door een gesloten luik in het plafond klonk gedempt het geluid van stemmen.
“Ze zijn op de graanzolder,” zei Iwan.
“Ik zie geen trap.”
“Misschien achter die deur.”
Iwan opende de deur naar een trappenhuis. Ze beklommen de laatste trap, openden een aan de bovenkant schuine zolderdeur en zagen Louis, Anton en Jules. Anton nam een hand hop uit een zak, rook eraan en zei “Krachtig spul.”
“Pomona verbouwt rassen, die eeuwenlang door het klooster veredeld zijn,” zei Louis.
Iwan ging naar hen toe en vol vuur spraken de vier mannen over het brouwproces onder aanvoering van Louis. Linda liep naar één van de lage, halfronde dakramen, boog voorover en zag hoe de zon op de frisgroene heuvels scheen.
“Heren Gerst, Mout, Hop en Bronwater, ik heb trek in ontbijt,” zei ze met een heldere stem. Direct stopten de mannen hun gesprek en draaiden zij zich naar haar om.
“Zolang jullie wensen niet verder gaan dan een kop koffie en wat crackers met jam, kan ik jullie van dienst zijn,” zei Louis.
Ze liepen door het trappenhuis omlaag, gingen door een deur aan de achterkant van het gebouw en liepen buitenom naar de vooringang van de herberg.
“Hebben jullie goed geslapen op het grind van het parkeerterrein?” vroeg Jules aan Iwan en Linda.
“Prima, ons luchtbed is dertig centimeter dik,” antwoordde Iwan.
“Waar is Marie?” vroeg Anton.
“In de kennel,” antwoordde Louis, terwijl hij een dienblad met kommen koffie, crackers en een schaaltje jam op tafel zette.
“Ik help jullie dadelijk mee de tent op te zetten bij het weitje van Blenheim,” zei Anton.
“Heel aardig van je,” zei Linda, “maar kijk gerust eerst even of je Marie in de kennel ziet.”


10. Kloosterruïne



Iwan en Linda stonden met de tentstokken in de handen, toen Anton al weer terugkwam op het weitje bij de beek.
“Marie is niet in de kennel,” zei Anton.
“Dan mag je ons luchtbed oppompen.”
Na tien minuten trappen op de voetpomp wisselde Anton van voet en ging verder met zijn monotone bezigheid, terwijl hij naar het beekje staarde.
“Pompen of verzuipen?” hoorde hij een vrolijke stem achter hem zeggen. Hij draaide zich om en zag Marie.
“Ik heb je nog gezocht in de kennel.”
“Ik heb de honden extra vroeg uitgelaten vanochtend en me daarna gehaast om vers brood voor jullie te kopen. Toen ik bij de herberg kwam, hadden jullie al ontbeten. Jullie waren vroeg opgestaan! Jules vertelde mij waar ik jullie kon vinden. Ik heb wat brood in de herberg achtergelaten voor Jules. De rest heb ik bij mij voor de lunch. Er is ook kaas bij en cider.” Zij wees naar haar rugzak waar twee lange broden uitstaken.
Iwan riep vanuit de inmiddels opgezette tent “Dag Marie, zeg eens tegen Anton dat hij opschiet met het luchtbed, het ligt nogal hard zo.” In de tent klonk gegiechel. Anton deed de stop op het ventiel en samen met Marie schoof hij het opgeblazen luchtbed met kracht de tent in. Iwan en Linda kwamen van onder de matras vandaan de tent uit.
“Goedemorgen, hebben jullie zin in een wandeling naar het spoorwegviaduct?” vroeg Marie. “Op de terugweg kunnen we bij de kloosterruïne de rugzak leegeten.”
“Goed idee, dan kunnen we de omgeving van ons kamp verkennen,” zei Iwan.
“Ik ben dol op picknicken,” zei Linda.
“Ga je ook mee, Anton?” vroeg Marie met een glimlach.
“Natuurlijk! Ik laat jou niet alleen met deze twee wilden op pad gaan.”
“Beschaafde wilden,” verbeterde Iwan hem. “En je moet niet vergeten dat je speciaal voor het spoorwegviaduct hiernaartoe bent gekomen.”
“O, ja,” zei Anton.
Linda trok haar mocassins aan, Iwan halfhoge wandelschoenen. Ze liepen langs de beek naar het bos. In de schaduw van de bomen liep het pad steil omhoog tussen rotsblokken door. Boven op de heuvel stonden torenhoge naaldbomen. Anton liep dicht naast Marie. Linda en Iwan huppelden voorop en gooiden dennenappeltjes naar elkaar. Iwan raakte Linda op een wang. Ze trok een gespeeld zielig gezicht. Iwan troostte haar en overlaadde haar getroffen wang met kusjes. Anton wilde Marie ook wel zoenen en hij raapte een dennenappeltje op. Voordat hij kon gooien, maakte Marie een afwerend gebaar en ze zei “Ik ben meer in de stemming voor een saai gesprek.”
“Waarover?” vroeg Anton.
“Over kunst of zo,” antwoordde ze.
“Jules vertelde mij dat hij hier twee schilderijen uit de inboedel van Sandringham heeft gekocht op een veiling,” zei Anton, die zo gauw niets anders over kunst wist te zeggen.
“Die schilderijen heb ik gezien,” zei Marie. “Ze stonden bij Jules op de kamer in de herberg. Ik werkte toen ook al in de herberg, als kamermeisje. Maar Jules kan de twee schilderijen nooit op de veiling hebben gekocht. De veiling was de volgende dag en Jules is na afloop van de veiling direct vertrokken.”
“Hoe zagen ze er uit, stond er iemand op?” vroeg Anton.
“Je moet niet op een schilderij gaan staan,” zei Iwan.
“Nou, laatst stond je wel op een foto van mij,” zei Linda.
“Hoe stond ik er op?” vroeg Iwan.
“Met je linkervoet” zei Linda.
“En mijn rechtervoet?” vroeg Iwan.
“Die stond er naast.”
“Op de foto?”
“Nee, op de grond.”
“Hoe zag die foto eruit?”
“Dat kon ik niet zien, want je stond er met jouw voet op.”
“Jullie storen een saai gesprek over kunst,” zei Anton vermanend tegen Linda en Iwan. “Wat voor schilderijen waren het?” vroeg hij opnieuw aan Marie.
“Het waren landschappen,” zei Marie. “Als ik ze zie, dan herken ik ze zo weer. Ik heb een goed geheugen voor plaatjes.”
“Van wiens hand waren de schilderijen?” vroeg Anton nieuwsgierig.
“Dat weet ik niet. Zoveel verstand had ik toen niet van kunst. De beide schilderijen waren wel van één schilder. Er stonden dezelfde initialen op, drie letters. Die kan ik mij één twee drie niet herinneren, maar misschien schieten ze mij weer te binnen. Denk je dat de schilderijen kostbaar waren?”
“Als Jules er in geïnteresseerd was dan zullen ze wel wat waard zijn. Jules heeft veel verstand van kunst en antiek.”
“Ben jij ook een kunstkenner?” vroeg Marie.
“Ik niet, ik zie het verschil nog niet tussen een vaas een urn. Jules weet feilloos namaak van echt te onderscheiden. Ik ga soms als sjouwer met hem mee bij zijn strooptochten. Hij onderhandelt bikkelhard over de prijs en van oplichters wordt hij woedend. Hij wilde eens op een gerenommeerde kunst- en antiekbeurs een schilderijlijst kopen. De verkoper wilde de lijst alleen met het schilderij er in verkopen en beweerde dat het een kostbaar zeegezicht was uit de achttiende eeuw. Jules wilde best het schilderij erbij kopen, maar dan voor de prijs van een verdienstelijke vervalsing. De kunsthandelaar werd boos en Jules nog bozer. Er kwamen tientallen mensen op de ruzie af. De kunsthandelaar riep dat Jules een domme ezel was en daarna sloeg Jules met zijn vuist dwars door het doek. Er kwamen lagen acrylverf tevoorschijn en Jules kreeg de lijst voor een zacht prijsje mee. Een andere keer had hij mij meegevraagd om een antieke tafel op te halen. In de werkplaats van de antiquair stond de tafel klaar. Het was er nogal donker. Joop zei dat het niet de antieke tafel was die hij had uitgezocht, maar dat deze vervangen was door een waardeloze Chinese kopie. De antiquair was woedend en zei dat de koop nu eenmaal gesloten was en dat Jules het afgesproken bedrag moest betalen, als ik het goed herinner negenduizend euro. Jules gaf de antiquair tweehonderd Euro en zei dat de tafel nu van hem was. De antiquair wilde meer geld en Jules gaf hem nog een tientje voor het opruimen. Voor dat de antiquair begreep wat Jules bedoelde, had Jules een zware hamer van een werkbank genomen en de tafel aan stukken geslagen zodat de splinters spaanplaat in het rond vlogen. De oplichter trok bleek weg en vroeg alleen maar of we snel weg wilden gaan.”
“Dat had ik niet van Jules verwacht, hij lijkt zo’n vreedzame man,” zei Linda.
“Alle mannen zijn in hun aard woeste strijders,” zei Iwan.
Het naaldbos ging over in een omhoog hellend beukenbos. De wandelaars spaarden hun adem voor de klim en liepen zwijgzaam verder. Het zonlicht scheen door de zachtgroene, pas ontloken blaadjes. Eekhoorntjes joegen elkaar na over het bruine bladertapijt en langs de gladde stammen. Aan weerszijden van het pad roffelden spechten antwoorden naar elkaar.
“Wat is dat voor een geritsel?” vroeg Anton.
Uit een wolk van verdorde bladeren kwam een borstelig wezen met twee grote slagtanden op hen aangestormd. Bliksemsnel greep Iwan een stevige stam en wierp deze naar het everzwijn. Het stuk hout kwam met een plof op de grond en het wilde varken remde af met zijn hoeven voor zich uit en kwam vlak achter de stam tot stilstand. Met kleine, bloeddorstige oogjes keek hij hen aan en leek te aarzelen of hij zijn aanval zou voortzetten met een lenige sprong over de boomstam of met een kwieke slalom er om heen.
“Kom maar hier, deurmat op poten, dan maken we schnitzel van je,” bulderde Iwan.
“Brrr,” bromde het wilde zwijn,
“Grrr,” gromde Iwan en hij pakte een nieuw stammetje en hief het boven zijn hoofd, klaar voor de worp.
“Oeiiet,” piepte het zwijn en hij kroop met zijn staart omlaag terug het kreupelhout in, gevolgd door twee wijfjes en een troep biggetjes.
“Je bent een echte zwijntjesjager,” zei Anton.
“Door de kleintjes zijn ze extra agressief,” zei Marie. “We kunnen beter wat meer geluid maken, dan gaan ze eerder in dekking.”
De rest van de wandeling tot aan het viaduct zongen ze liedjes. Het pad dat Marie gekozen had, leidde hun naar de voet van een roestige peiler van het viaduct. Ze keken omhoog en zagen het bouwwerk zich scherp aftekenen tegen de helderblauwe hemel.
“Jij bent de expert op het gebied van spoorwegviaducten, vertel eens wat,” zei Iwan tegen Anton.
“Het viaduct is gebouwd met klinknagels die typisch zijn voor het begin van de vorige eeuw. De spoorlijn vervoerde Engelsen naar hun jachtgebieden.”
“Je hebt er verstand van,” zei Marie.
Aangemoedigd ging Anton verder “Het viaduct heeft zeven bogen, is tweehonderd meter lang en honderd meter hoog.”
"De lengte is honderd en twaalf meter en de hoogte is twee en dertig meter, het aantal bogen heb je goed geteld," zei Marie.
Een klein paadje zigzagde steil omhoog naar de oude spoorwegbedding.
“We gaan toch niet over het viaduct?” vroeg Anton angstig. “Ik heb hoogtevrees.”
“Nee, dat zou te gevaarlijk zijn,” antwoordde Marie. “Het viaduct is in slechte staat van onderhoud. We kunnen ons leven maar beter niet toevertrouwen aan zo een hoop roest.”
Bovengekomen keken ze omlaag. Diep onder hen meanderde een glinsterend stroompje.
"Dat is de beek die ook langs Blenheim stroomt," zei Claire.
Ze keerden het viaduct de rug toe en volgden de oude spoorwegbedding, waar geen rails meer op lag. Enkele honderden meters verder leidde de spoorwegbedding door een tunnel. Marie haalde een zaklamp uit haar rugzak en ze gingen de duisternis in. Zo nu en dan scheen Marie omhoog, op zoek naar vleermuizen. Eén keer zagen ze een groepje hangen, tegen de wand geplakt met de vleugels langs het lichaam gevouwen. De grond eronder lag vol met uitwerpselen.
“Net vampiers,” zei Linda.
“Deze soort zuigt geen bloed,” zei Marie, “maar ze kunnen wel vervelende ziektes overbrengen.”
Met een grote boog liepen ze om de uitwerpselen heen. De uitgang van de tunnel bleef lange tijd een kleine, lichte vlek in de verte, werd daarna langzaam groter en tenslotte stonden ze weer buiten in de zon.
“De geuren, de warmte, het licht en de kleuren, zo intens, ik voel mij alsof opnieuw geboren ben,” zei Linda.
“We hebben een flink stuk afgesneden,” zei Marie. “We zijn nu vlak bij de kloosterruïne.”
Ze daalden van de spoorwegbedding af en kwamen op een smal, beschaduwd pad, dat bijna door klimplanten overwoekerd was. Het pad slingerde van het spoortalud af en werd weer lichter en opener. Ze stonden voor een open plek in het bos en keken uit op de restanten van romaanse bogen en hopen steen, die overgroeid werden door ranken wilde hop.
“Een lustoord,” riep Linda verrukt.
Ze zochten een zonnige plek tussen de brokstukken en gingen met hun rug tegen een omgevallen pilaar zitten. Ze aten brood met kaas en dronken cider.
“Hoe is het hier zo‘n puinhoop geworden?” vroeg Anton. “Is het klooster ten prooi gevallen aan vandalisme of een aardbeving?”
“Het is gewoon vanzelf ingestort,” zei Marie.
“Ik vind het een nogal verontrustende gedachte, dat gebouwen zomaar in kunnen storten. Het ene moment sta je op de bovenste etage van een wolkenkrabber, het volgende moment lig je bedolven op de begane grond,” zei Anton.
“Of wat dacht je hiervan: het ene moment bewonder je het hoge plafond van een gotische kathedraal en het volgende moment lig je begraven in de crypte,” zei Linda.
“Mijn vertrouwen in de architectuur heeft vandaag toch wel een stevige deuk opgelopen, ik zal nooit meer onbevreesd een bouwwerk durven betreden,” zei Anton.
“Niet zo bangig,” zei Iwan. “Het noodlot kan natuurlijk altijd toeslaan en daarom is het goed te genieten van de dag, maar de meeste gebouwen storten niet vanzelf in.”
“Wel als ze slecht gebouwd zijn,” zei Anton.
“Het klooster was meer dan duizend jaar oud,” zei Marie.
“Eeuwenlang knaagde de tand des tijds er aan,” zei Iwan en hij stopte een laatste hap brood in zijn mond. Tevreden strekte hij zich uit. Linda haalde een veertje uit haar vlecht en kriebelde Iwan ermee onder zijn kin. Iwan boog zich naar Linda en fluisterde iets in haar oor. Zij giechelde en zei “Niet hier, dit was een klooster!”
“Hoever is het nog naar Blenheim?” vroeg Iwan.
“Een kwartiertje over het pad daar, alsmaar rechtdoor, kan niet missen,” antwoordde Marie.
Iwan trok Linda aan haar handen omhoog en zei “ We laten de tortelduifjes hier alleen en gaan voor een middagdutje naar de wigwam.” Hand in hand liepen zij tussen de begroeide steenhopen door naar het pad, de helm van Iwan glinsterend en de bruine vlecht van Linda glanzend in de zon.
Anton ging wat dichter naast Marie zitten. “Ik zojuist een enorme sprong gemaakt in de evolutie,” zei hij. “Van gismis naar tortelduif.”
“Gismis?”
“Ja, gismis oftewel pantoffeldiertje, zo’n microbe zonder ogen en met alleen tastzin, die zwemt net zolang tegen een obstakel aan tot dat ie eromheen kan. Jules noemt mij wel eens zo, omdat ik mij volgens hem altijd blindelings in allerlei zakelijke avonturen stort.”
“O,” zei Marie, “ik ben vroeger kissmiss geweest.”
“Kissmiss?”
“Ja, bij de laatste wielerronde. Ik moest de winnaar een bos gladiolen geven en een zoen.”
Anton boog zich naar Marie om haar te kussen, maar zij sprong snel op en lachte “Gismis en de kissmiss, wat een mooi stel.” Schaterend rende zij het pad af. Anton rende achter haar aan. Hij kon haar niet bijhouden en al snel verdween Marie tussen de bomen uit het zicht. Anton gaf de achtervolging op en hij slenterde verder. Bij het kampeerweitje van Iwan en Linda aangekomen aarzelde hij om langs de tent lopen en in plaats van de hem bekende route naar het dorp over het weitje, nam hij een pad dat weer terug het bos in leidde, waar hij zijn gevoel voor richting verloor en verdwaalde.


11. Kunstgebit



Vredig lag het kampeerweitje in de middagzon. Een vogeltje zong in een wilg bij de beek een loom liedje. Het lieflijke getjilp werd weldra overstemd door een woeste kreet en luid gelach. Linda rende zonder Indianenuitdossing, of welke andere uitdossing dan ook, de tent uit. Een sater met zwaar behaarde benen en hoorntjes op zijn hoofd achtervolgde haar naar de beek. Even leek het erop dat de nimf aan hem zou ontsnappen en op tijd in de golfjes onder kon duiken, maar op de oever greep hij haar om de middel, waarna zij samen in het water vielen, juist op de plek waar de beek een badkuipachtige diepte in de rotsbodem had uitgesleten. Het paartje ging kopje onder. Verstoord schoten kleine forellen alle kanten op. “Mijn helm!,” riep Iwan die als eerste boven kwam en hij dook opnieuw onder naar de fonkelende helm op de bodem. Weer bovengekomen tilde hij de helm als een schaal uit het water en keerde hem boven zijn hoofd om. Hij herhaalde dit stortbad bij Linda, die het uitproestte.
Vanaf de kant klonk applaus. Op de oever stond een deftig oud heertje, gekleed in een kaki kostuum. In zijn ene hand hield hij een strooien hoed, in zijn andere hand een witte zakdoek, waarmee hij het zweet van zijn voorhoofd afwiste. Zijn wangen waren ingevallen en er was iets vreemds met zijn mond.
“Kom er gerust bij,” zei Iwan vriendelijk.
Het heertje opende zijn mond om iets te zeggen. Er zaten geen tanden meer in. Alsof hij zich plotseling weer bewust was van zijn uiterlijk, verborg hij snel zijn tandenloze mond achter zijn hoed. Hij mompelde iets onverstaanbaars, zette zijn strooien hoed weer op en stopte zijn zakdoek weg. Hij trok zijn schoenen en sokken uit, rolde zijn broekspijpen op en ging op een steen zitten met zijn voeten in de beek. Linda en Iwan zwommen in de badkuip langzaam tegen de stroom in.
“Bent u uw kunstgebit kwijt?” vroeg Iwan.
“U hoeft u voor ons niet te schamen,” zei Linda.
Het oude heertje sprak nu vrijuit en was redelijk te verstaan.
“Mijn kunstgebit is in de slotgracht van Balmoral gevallen toen ik de zwanen voerde. Ik heb een reservegebit, maar dat ben ik ook kwijt. Jullie krijgen het vast koud in het water. Ik ga maar weer eens.”
Het oude heertje trok zijn schoenen weer aan, tilde zijn hoed op bij wijze van groet en liep verbluffend kwiek voor zijn leeftijd naar de bosrand, met de broekspijpen nog opgerold.
“Wat een grappig mannetje,” zei Linda.
“Een reservegebit, dat heb ik nog nooit eerder gehoord,” zei Iwan.
“Veel mensen hebben een reservebril, maar die zijn minder duur dan een extra kunstgebit,” zei Linda.
“Hij is vast rijk,” zei Iwan. “Hij woont in een kasteel met een slotgracht.”
“En slordig,” zei Silvia. “Hij is twee kunstgebitten kwijtgeraakt.”
Ze liepen terug naar de tent, waar Linda een handdoek omsloeg.
“Zijn gezicht kwam mij bekend voor,” zei Iwan. “Hij leek een beetje op die oud-minister van buitenlandse zaken, die in opspraak is geraakt vanwege een affaire met een medewerkster. Het hele geval werd nogal breed uitgemeten in de pers, maar de details ben ik vergeten.”
“Ik vind hem wel aardig,” zei Linda. “Hij ziet er zo netjes uit. Helemaal niet als een vies oud mannetje dat stiekeme dingen doet met zijn secretaresse.”
“Misschien deed hij het wel niet stiekem,” zei Iwan. “We weten waar hij woont, we kunnen het aan hem vragen.”
“Is dat niet onbeleefd?”
“Misschien wel. We kunnen eerst aanbieden om de slotgracht te dreggen op zoek naar zijn kunstgebit.”
“Als de zwanen het niet hebben opgegeten.”
Linda en Iwan gingen naast elkaar in het gras liggen en lieten zich drogen door de warme zonnestralen.


12. Verbroken verloving



Na meer dan een uur dolen door het bos was Anton op een asfaltweg gekomen. Deze had hij eerst de verkeerde kant opgevolgd, waar hij pas na vier lange kilometers in de felle zon achter was gekomen toen hij de weg naar het dorp had gevraagd bij een boerderij. Vervolgens zat er voor hem niets anders op dan de asfaltweg terug te lopen. Toen hij eindelijk de herberg bereikte, was de middag al vergevorderd. De gelagkamer zat vol en Marie was druk bezig met bedienen. Anton groette haar, maar zij keek de andere kant op, naar een dorstige klant.
Anton zag Jules zitten en schoof bij hem aan. Aan dezelfde tafel zat een man van Jules’ leeftijd, met een ouderwets tweed jasje aan.
“Anton, dit is meneer Savary, de veearts,” zei Jules.
“Het is mij een eer kennis te mogen maken met de enige vertegenwoordiger van de medische stand in deze barre streken,” zei Anton. “Hoe komt het hier trouwens zo druk?”
“Je hebt het nieuws nog niet gehoord?”
“Welk nieuws?”
“Over Philippe, de verloofde van Marie.”
“Is hij gesneuveld?” vroeg Anton hoopvol.
“Integendeel, het gaat heel goed met hem, maar het nieuws is voor de dorpelingen niet minder schokkend,” zei Jules. “Hij is getrouwd.” Jules liet Anton een foto in een krant zien. Een militair in gala-uniform vol onderscheidingen omarmde een schattig bruidje met donker haar. Op de achtergrond keek een hoge officier instemmend toe. Het onderschrift luidde: ‘De veelbelovende luitenant-kapitein Philippe Muller is op de militaire basis Ruckzuck in het huwelijk getreden met Antoinette Tricorne, de dochter van opperbevelhebber Tricorne.’
“Zodra ze het in de krant gelezen hadden, kwamen de mensen naar de herberg om het nieuws te bespreken,” zei Jules. “Ze zijn hevig verontwaardigd.”
“Vanwege Marie?” vroeg Anton.
“Nee, omdat ze niet uitgenodigd waren voor de bruiloft. Niemand in het dorp wist er van.”
“Iedereen vind het logisch, dat Philippe voor een betere huwelijkspartij heeft gekozen,” mengde meneer Savary zich in het gesprek. “Het is Marie’s eigen schuld, dat ze niet de dochter van een generaal is, dat kun je Philippe niet kwalijk nemen. Het is daarentegen onvergeeflijk dat hij zijn geboorteplaats verloochend. Hij had op zijn minst mij uit kunnen nodigen. Ik heb hem bij zijn geboorte met de keizersnede op de wereld gebracht en toen hij veertien was heb ik zijn blinde darm verwijderd.”
Anton keek naar Marie, die met een vol dienblad rondliep en volledig in beslag werd genomen door veeleisende klanten. “Heeft dan niemand medelijden met Marie?” vroeg hij.
“Hard werken is de beste remedie tegen verdriet,” zei meneer Savary. “Vandaag zal ze een gezonde dosis van dit medicijn krijgen. Bovendien weet iedereen, dat Louis de omzet goed kan gebruiken. Zo steunen wij elkaar hier in tijden van tegenspoed. We zoeken steun bij elkaar en drinken er een lekker potje bier bij. Met elk glas, dat we bestellen helpen we tegelijkertijd een noodlijdende waard en een in de steek gelaten verloofde. Dankzij het nieuwe bier van Louis is deze gemeenschapsplicht geen straf.” Hij hief zijn lege glas op en wenkte Marie. Even later bracht Marie, zonder een bestelling op te nemen, volle glazen bij de tafel, Terminator-dubbelbockbier voor meneer Savery en cider voor Jules en Anton. Snel liep ze weer weg. Het lukte Anton niet een blik met haar te wisselen. Afwezig dronk hij van zijn cider en luisterde hij naar meneer Savary, die over zijn inspanningen op het gebied van de hondenfokkerij sprak.
“De legendarische witte bloedhond, de Talbot hond, kennen we alleen nog maar van oude afbeeldingen. In deze geïsoleerde streek heeft het ras wellicht langer standgehouden dan elders, maar dan verkleind en met kortere poten als aanpassing aan de veranderende jachttechnieken. Vast staat ieder geval dat toen de Engelsen hier kwamen met hun meutehonden, ze een laagbenige, geheel witte uitvoering van de bloedhond aantroffen, die zeer geschikt bleek om aangeschoten wild op te sporen. Helaas is dit ras door vermenging met de Engelse honden verloren gegaan. Twintig jaar geleden heb ik het idee opgevat, dat het mogelijk moet zijn de oorspronkelijke witte honden terug te fokken uit het handjevol honden dat was overgebleven van de Engelse meutes. Ik heb hier ook een aantal sponsoren voor weten te interesseren. Met nieuw bloed van enkele Bassethonden, die overigens ook afstammen van de Talbot hond, kon ik vrij eenvoudig het laagbenige type terugkruisen. Een zuiver witte vacht bleek helaas een stuk lastiger. Maar nu is er een doorbraak, een nestje waarvan drie pups helemaal wit zijn. Net op tijd, want de financiers van het fokprogramma dreigden zich bij gebrek aan resultaat terug te trekken.”
“Wat is er zo bijzonder aan wit?” vroeg Anton.
“Betere zichtbaarheid in de schemering en minder kans dat de jager zijn eigen honden schiet,” zei meneer Savary en hij hief bij wijze van bestelling zijn lege glas omhoog. Weer kwam Marie met volle glazen en zwijgend legde ze met enige nadruk voor Anton een bierviltje neer, waar ze een glas cider op zette. Anton bracht met zijn ene hand het glas naar zijn mond en met zijn andere hand draaide hij het bierviltje om en las de boodschap, die er haastig opgeschreven was: ‘tien uur kloosterruïne, Marie.’


13. Rendez-vous



Na zessen werd het rustiger in de herberg. De slager had balkenbrij en bloedworst afgeleverd en een paar dorpelingen bleven eten. Anton probeerde bij Marie in de keuken te komen, maar werd door Louis met zachte hand terug naar de tafel geleid. Louis bracht de borden naar de tafel en hield Anton tegen, die op wilde te staan, omdat hij Marie de herberg uit zag lopen.
“Ik heb Marie vroeg vrij gegeven. Kan ze in alle rust haar hartje weer aan elkaar lijmen, afwassen kan ook morgenochtend. Eet smakelijk.”
En smakelijk aten ze. Tijdens het eten keek Anton een kwartier niet op zijn horloge, daarna weer om de minuut. Om negen uur zaten er nog een paar mensen aan de bar met Louis te praten. Jules las een krant. Anton zei tegen Jules “Ik ga even een wandelingetje maken.” “Ga je gang,” zei Jules en dronk van zijn thee.
Vijf voor half tien was Anton bij de kloosterruïne. Half tien sloeg de kerkklok van het dorp in de verte het halve uur. Twee konijntjes met witte staartjes wipten om vijf over half tien tussen de stenen. Tien over half tien luisterde Anton aan zijn horloge of het niet stil was blijven staan. Vijf minuten later zakte de zon achter een heuvel. Een volle maan verscheen aan de avondhemel. Tien voor tien zong een nachtegaal luidruchtig in een struik vlakbij. Vijf voor tien vergat Anton op zijn horloge te kijken. Om tien uur telde hij de slagen van de kerkklok. Bij de vijfde slag vroeg Anton zich af of Marie niet tien uur de volgende ochtend had bedoeld. Bij de tiende slag kwam Marie als bij toverslag het pad afgelopen. Zij bescheen Anton met haar zaklamp, daarna bracht ze de zaklamp onder haar kin. Haar fijne gezicht veranderde in een spookachtige verschijning.
“Boe!” zei ze.
“Doe niet zo eng,” zei Anton. “Ik ben bang in het donker.”
“Hoogtevrees, bang in het donker. Heb je nog andere fobiën?”
“Verlatingsangst, alleen zijn vind ik verschrikkelijk.”
“Ik hoop dat je niet teveel hebt geleden terwijl je op mij wachtte.”
“Je kwam precies op tijd.”
Een angstaanjagend gejank klonk van niet zo ver weg.
“Wat is dat?” vroeg Anton verschrikt.
“Misschien een boerderijhond.”
“Is hier een boerderij vlakbij?”
“Nee,” antwoordde Marie. “Het klonk ook meer als een wolf.”
“Komen die hier voor?”
“Vorig jaar is door een jachtopziener een wolf geschoten. Het was niet duidelijk waar die vandaan kwam.”
Ze luisterden aandachtig. Spookachtig maanlicht scheen op de ruïne. De nachtegaal zong niet meer. Weer klonk het huilen van een wolf, uit dezelfde richting maar dichterbij.
“Kom, we gaan naar mijn huis,” zei Marie en snel liepen ze het bospad op. “De ruïne leek mij wel romantisch voor een eerste afspraakje. Bovendien, ik moest snel iets opschrijven en veel ruimte is er niet op de achterkant van een bierviltje. In ieder geval niet genoeg voor de route naar mijn huis.”
“Je had toch gewoon het adres op kunnen schrijven?”
“En dan zou jij de weg gaan vragen, zodat het hele dorp van ons afspraakje weet.”
“Waarom zo geheimzinnig?”
“In het dorp is iedereen boos, omdat niemand is uitgenodigd voor de bruiloft van Philippe en Antoinette. Sommigen weten deze verontwaardiging te verbergen achter een geveinsd medelijden met mij, anderen verwijten mij openlijk dat ik Philippe niet blijvend heb kunnen boeien. Iedereen heeft een vermoeden dat ik eerder op de hoogte was. Als nu blijkt, dat ik mij in de armen van de eerste en de beste vreemdeling werp, dan zal de volkswoede zich tegen mij keren.”
“Waarom worden ze niet boos op Philippe?”
“Philippe zit veilig en ver weg op een legerbasis.”
“Maar jij bent toch het slachtoffer, niet de dader?”
“Wel als ons afspraakje bekend wordt. Daar zal iedereen het bewijs in zien, dat ik het eerder wist en niemand in vertrouwen heb genomen. Dat is normaal al onvergeeflijk in dit dorp, maar nu helemaal omdat men dan nog tijd had gehad zichzelf uit te nodigen voor de bruiloft van Philippe en Antoinette.”
“Wonen er alleen maar oude wijven in het dorp?”
“Ja, en een stel jonge en minder jonge mannen, die het mij dan zeer kwalijk zullen nemen dat ik hen de afgelopen weken heb afgewezen.”
“Ingewikkeld zo‘n dorp.”
“Valt wel mee, het is allemaal heel voorspelbaar.”
“En, wist je al eerder dat Philippe met die generaalsdochter ging trouwen?”
“Ik heb al meer dan een jaar het vermoeden dat Philippe een ander had. Iedereen in het dorp dacht dat hij voortdurend uitgezonden was en dat hij daarom nooit langs kwam, maar ik wist wel beter. Een paar weken geleden kreeg ik een e-mail van hem, waarin hij alles vertelde.”
“Aha, dus je bent wel schuldig richting jou dorpsgenoten!”
“En jij bent door dit afspraakje medeplichtig.”
“Dit is een misdrijf dat ik graag samen met jou bega. Heb je nog veel verdriet gehad?”
“Ach, ik kreeg de afgelopen jaren steeds meer het gevoel dat Philippe met het leger getrouwd was.”
“En dat is nu ook echt zo. Wanneer kan ik jou openlijk het hof maken?”
“Zodra je een gerespecteerd inwoner van het dorp bent. Je hebt het dus zelf in de hand.”
“Hoe moet ik dat aanpakken?”
“Ik heb met Louis geregeld dat je morgen mee mag helpen in de brouwerij. Je moet om zes uur beginnen. Daarna zal iedereen denken dat je de nieuwe brouwersknecht bent.”
“Lijkt me erg leuk, op het vroege tijdstip na dan.”
“Als het je lukt om op tijd op te staan, zal ik het als een bewijs van jouw liefde voor mij zien.”
“Dan zal het zeker lukken.”
“Gelukkig,” zei Marie.
Anton pakte haar hand, wat zij toeliet. Hand in hand liepen ze over het donkere bospad, achter de bundel licht aan, die uit Marie’s zaklantaarn scheen.
“Ik herinner mij nu dat ik aan Anne heb verteld dat bouwkundige interesse de reden is van mijn bezoek.”
“Dat geloofde toch niemand. Iedereen zal denken dat je gewoon onzeker was over de sollicitatie bij de brouwerij en daarom niet het ware doel van je reis wilde vertellen. Jouw belangstelling voor de bezienswaardigheden van de streek spreekt wel in jouw voordeel. Eigenlijk maakt het ook niets uit, zolang men maar niet denkt dat je een internetvriendje van mij bent, waar ik al jaren mee chat.”
“Ik wou dat ik we al jaren met elkaar gechat hadden,” zei Anton
“Ik ook,” zei Marie.
“Wil jij je hele leven in het dorp blijven wonen?” vroeg Anton.
“Soms droom ik er van om met een zeiljacht over de Middellandse Zee te zwerven,” antwoordde Marie.
Ze kwamen bij de rand van het bos. Tussen hen en het dorp lagen een paar weiden die bleek verlicht werden door de maan.
“Als we iemand tegen komen, zeg je maar dat je verdwaald bent en dat ik je de weg wijs naar de herberg,” zei Marie.
Ongezien bereikten ze de achterdeur van Marie’s huis, een pittoresk, maar ietwat bouwvallig boerderijtje aan de rand van het dorp. “Ik heb van twee kamers een appartement gemaakt, de rest moet nog opgeknapt worden.” Ze knipte het licht aan in de woonkeuken. “De initialen op die schilderijen zijn mij weer te binnen geschoten. C.D.F..” Marie liep naar een bureau in een hoek van de woonkeuken en startte een computer op. “We kunnen op internet kijken of we iets kunnen vinden.”
Anton kwam naast haar staan en keek hoe zij de initialen en andere zoektermen intypte voor de zoekmachine. Al snel verscheen er op het beeldscherm een sneeuwlandschap met een kerkruïne, een kale eik en een klein figuurtje dat eenzaam door de sneeuw loopt. “Dat is één van de twee schilderijen,” zei Marie. “Onmiskenbaar. Ik herken het direct.” Ze las de tekst bij de afbeelding voor. “Origineel verloren gegaan tijdens de brand in het Glaspaleis te München in 1931, samen met een herfstlandschap en nog zeven andere werken van de schilder. In het totaal gingen bij de brand honderd en tien schilderijen verloren.” Marie klikte met de muis van de computer en op het beeldscherm verscheen een golvend berglandschap waar een laagstaande herfstzon een gouden gloed aan verleent. “Dat is het andere schilderij,” zei Marie. “Ook bij dezelfde brand verloren gegaan.”
“Dan heeft Jules kopieën in bezit gekregen,” zei Anton. “Die vergissing valt mij tegen van Jules.”
“Ik lees hier dat er sporen van brandstichting waren gevonden,” zei Marie. “Misschien waren de schilderijen wel vlak voor de brand verwijderd en diende de brand om de diefstal te verhullen.”
“Onwaarschijnlijk, maar niet onmogelijk,” zei Anton. “Ik zal Jules er eens over aan de tand voelen.”
Marie keek op de klok en riep “Is het al zo laat. Je moet maar snel terug naar de herberg. We moeten allebei vroeg op.” Ze duwde Anton naar de achterdeur, gaf hem een zoen en zei “Mondje dicht over ons, hoor.” Voordat Anton iets kon zeggen, viel de deur voor zijn neus in het slot.


14. Makelaardij



Anton liep door de dorpsstraten naar de herberg. In het licht van de lantaarn van de herberg zag hij iemand zitten op het bankje. Een paar passen verder herkende hij het vertrouwde kale hoofd van Jules.
“Anton, was je verdwaald?” vroeg Jules nieuwsgierig.
“Eh, ik was …,” Anton bedacht zich net op tijd dat hij Marie discretie had beloofd. “Inderdaad verdwaald, ja,” maakte hij zijn zin af.
Anton ging naast Jules op het bankje zitten.
“Jules, mag ik je wat vragen?”
“Waarover?”
“Over die schilderijen uit Sandringham. Volgens Marie had jij die schilderijen de dag voor de veiling al op jouw kamer staan.”
“Dat klopt. Ik zal je het hele verhaal vertellen. In die jaren cirkelde ik als een aasgier langs kastelen en buitenplaatsen, waarvan de eigenaren in de problemen waren gekomen. Om voor een habbekrats antiek van hen over te nemen. Die werkwijze heeft mij mooie stukjes opgeleverd. Toen ik hier acht jaar geleden voor de inboedel van Sandringham kwam, was ik veel te laat. De kasteelheer was veroordeeld voor grootscheepse fraude en zat in de gevangenis. Op de inboedel was beslag gelegd. Het had in de krant gestaan, maar zelfs ik lees wel eens ergens overheen. Omdat ik geen zin had om diezelfde middag terug te reizen, nam ik mijn intrek in de herberg van Louis. Daar hoorde ik van Louis dat er twee dagen later een gerechtelijke verkoop van de inboedel plaats zou vinden. Nu ben ik normaal geen klant bij gerechtelijke verkopen. Alles wordt in partijen verkocht, bijvoorbeeld alle tafels en stoelen, en meestal ook nog ongezien. Zelf ben ik altijd maar in enkele stuks van een boedel geïnteresseerd. Louis wilde mij overhalen om naar de veiling te gaan, zo kon hij mij een extra overnachting in zijn herberg verkopen. Louis vertelde dat er in Sandringham een bar met tapinstallatie was en dat zijn brouwerij het bier daarvoor had geleverd. Hij had toestemming om de volgende dag in Sandringham lege vaten op te halen, die eigendom waren van zijn brouwerij. Ik kon hem daarbij helpen en dan meteen in Sandringham rondneuzen. Daarna kon ik beslissen of ik de veiling bij wilde wonen. Ik ging op zijn voorstel in. De volgende dag reed ik met Louis mee in de vrachtwagen van de brouwerij naar Sandringham. Ik had er eerst spijt van. Al het antieke meubilair was allang verdwenen. Aan de muren hingen enkel waardeloze reproducties in foeilelijke lijsten. Toen zag ik de twee schilderijen. Ik kon mijn ogen niet geloven. Het waren twee meesterwerken die verloren werden gewaand. Louis en ik smokkelden de schilderijen samen met de biervaten naar buiten zodat ik de doeken op mijn kamer in de herberg rustig op echtheid kon bestuderen. Bij de gerechtelijke verkoop heb ik als enige geboden op de reproducties, die als één partij en ongezien geveild werden omdat de waarde ervan laag werd ingeschat.”
“Je hebt die schilderijen gestolen,” zei Anton.
“Nee,” zei Jules. “Ze waren onderdeel van de partij reproducties die ik netjes op de veiling heb gekocht.”
“Maar viel het dan niemand op bij de veiling dat de twee schilderijen weg waren?”
“Nee,” antwoordde Jules. “De hele partij werd ongezien geveild. Het was aan de koper om te controleren of de gekochte partij compleet was en ik had geen reden om te klagen.”
“Waarom werd de partij wandversiering zo laag ingeschat als er twee meesterwerken bij zaten?” vroeg Anton.
“Omdat ook de twee schilderijen getaxeerd waren als reproducties.”
“Maar een expert ziet toch wel of het om een schilderij of een reproductie gaat?” vroeg Anton.
“Ik weet niet of er een expert aan te pas was gekomen, maar ook de meeste zogenaamde experts hadden waarschijnlijk niet verder gekeken dan hun neus lang is en de schilderijen voor reproducties aangezien. De verf is dun aangebracht op het doek, niet in klodders die er duidelijk op liggen. Bovendien is het algemeen bekend dat deze twee schilderijen verloren zijn gegaan.”
“Toch in 1931 bij een museumbrand in München?”
“Klopt, je bent goed ingelicht.”
“Er zijn sporen van brandstichting gevonden. Als die brandstichting nu bedoeld was om de sporen van een diefstal uit te wissen.”
“Naar mijn weten is brandstichting nooit bewezen, diefstal evenmin.”
“Maar dan kunnen het toch originele doeken zijn?”
“Dat zou theoretisch kunnen. De dunne schilderwijze is karakteristiek voor de schilder.”
“Jules, heb jij de schilderijen doorverkocht of…”
Er klonk een luid geronk en met grote vaart reed een sportwagen het plein op. Jules en Anton werden verblind door de felle koplampen. Twintig meter van hen vandaan kwam de auto tot stilstand. De lichten van de sportwagen gingen uit, de motor bleef stationair draaien en verspreidde een zwavelachtige lucht. Aan de bestuurderskant ging een portier open en een kleine, magere man in een kort, zwart leren jack stapte uit. Hij riep “Anton Klerebezem, kom eens hier!” Daarna liep hij om de lange neus van de auto, opende de andere portier, pakte een aktetas en legde deze geopend op de trillende motorkap.
Aarzelend liep Anton naar de auto toe. Dichterbij gekomen zag hij het puntbaardje van de man en de ogen, die als gloeiende kolen het licht van de lantaarn van de herberg weerspiegelden .
“Je had mij moeten bellen,” zei de man zo zachtjes, dat Anton het maar net kon verstaan boven het geluid van de draaiende motor. “Dat had mij deze rit bespaard. Je hebt jouw landgoed bekeken? Mooi, dan zul je inzien dat ik je een zeer redelijk aanbod ga doen. Ik herinner jou eraan dat het openbaar te koop aanbieden van het landgoed geldt als inbreuk op de geheimhoudingsovereenkomst, die je aan het begin van de opnames hebt getekend. Tenzij de kopers zich spontaan aanmelden, heb je geen andere keus dan het landgoed aan mij te verkopen.”
“Goedenavond Vandamme,” zei Jules terwijl hij dichterbij kwam.
“Nee maar, Jules Zonder Achternaam, jou had ik hier wel kunnen verwachten naast een kasteelheer in nood. Maar je hebt je vergist, het landgoed is geheel leeg, voor jou valt er niets te halen.”
“Kennen jullie elkaar?” vroeg Anton verbaasd.
“Onze werkterreinen vertoonden enige tijd een zekere overlap,” zei Jules.
“Verzamelt de heer Vandamme ook kunst en antiek?” vroeg Anton.
“Ach nee,” zei de kleine man snel met een afwerend gebaar. “De ingewanden laat ik over aan de hyena‘s”
“De heer Vandamme handelt in onroerend goed,” verduidelijkte Jules.
“Wil je ons verder niet storen, we zijn midden in een transactie,” zei de makelaar uit de hoogte tegen Jules.
“Jules is mijn vertrouwenspersoon en raadsheer,” zei Anton.
“Goed, dan valt hij ook onder de geheimhoudingsplicht,” zei Vandamme met een scherpe blik naar Jules en hij sprak verder tegen Anton. “Als jij met mijn genereuze aanbod akkoord gaat, dan blijft er nog een aardig bedrag voor jou over. Genoeg gekletst, hier even tekenen dan zijn we klaar. Dit hele gedoe heeft mij al veel te veel tijd gekost.”
De heer Vandamme pakte een stapeltje papier uit de aktetas en gaf het aan Anton.
Anton bladerde er snel door heen en zei, “Na aftrek van uw honorarium blijft er twintigduizend Euro over.”
“Meneer heeft financiële ervaring hoor ik. Je zal dan ook snel kunnen berekenen, dat het alternatief een onverkoopbaar landgoed is met alleen maar kosten en geen opbrengsten. Je hebt het ongetwijfeld al bezichtigd, veel soeps is het niet.” De makelaar werd ongeduldig.
“Er horen toch uitgestrekte landerijen bij,” merkte Anton op.
“Eeuwigdurend verpacht, met uitzondering van de jachtrechten, die voor tien jaar verhuurd zijn. Een jachtslot zonder jachtrechten ligt moeilijk op de markt.” De kleine man lachte onheilspellend tussen zijn ringbaardje door.
“De pachtopbrengst zal toch wel behoorlijk zijn?”
“Vijf procent van de oogst in natura. Hier tekenen, de pen mag je houden.” Hij wees met een goudkleurige pen op de plek waar de handtekening moest komen te staan.
Anton pakte de pen en vroeg aan Jules, “Twintigduizend Euro, is dat genoeg om de komende jaren met een zeiljacht op de Middellandse Zee te varen?”
“Misschien is het genoeg voor een roeiboot,” antwoordde Jules.
“Ik slaap er toch nog graag een nachtje over,” zei Anton tegen Vandamme. “Dan kan ik morgen bij daglicht de papieren nog eens goed bekijken.”
“Ik kan u deze herberg aanbevelen,” zei Jules.
De heer Vandamme keek naar het vervallen gebouw en zei, “Wat denken jullie wel van mij, ik ben geen zwerver die genoegen neemt met een varkenshok.” Hij liep terug naar zijn auto. Voor hij instapte, zei hij dreigend, met voldoende stemverheffing om boven de motor uit te komen, “Morgenavond kom ik weer en dan zul je mij smeken!” Hij stapt in en de sportwagen reed ronkend weg. De koplampen verlichtten het plein en wierpen scherpe, snel bewegende schaduwen op de huizen.
“Bedankt voor de pen,” riep Anton hem na.
“De heer Vandamme lijkt vastberaden om zijn prooi niet te laten ontsnappen,” zei Jules.
“Hij heeft mij in de tang,” zei Anton. “Met dat kasteel raak ik alleen maar verder in de problemen. Ik kan onmogelijk de vaste lasten en de onroerend goed belasting betalen. Als ik een hypotheek op het kasteel kon krijgen, lagen de zaken anders, maar dat zit er niet in aangezien alle banken in de hele wereld mij boycotten vanwege mijn kleine financiële misstap, die zij mij nog steeds niet vergeven hebben. Ik denk dat er niets anders op zit dan morgen zijn aanbod te accepteren. Ik gunde hem het succes daarnet nog niet.”
“Heel verstandig,” zei Jules. “Misschien vinden we in de tussentijd iets, dat hij over het hoofd heeft gezien. Dat is vaak zo met dergelijke zelfverzekerde heren. Bovendien, ik kreeg de indruk dat hij haast had. Waarom zou hij anders op dit tijdstip zijn gekomen en morgenavond weer terugkomen.”
“Misschien kan hij het daglicht niet verdragen,” zei Anton.
“Daar zit wat in. Ik zal daar morgen verder over nadenken.”
“O ja, de datum van het contract klopte niet, die stond op een half jaar geleden.”
“Misschien een vergissing, misschien niet. In ieder geval nog meer stof tot nadenken.”
“Prima dat jij het denkwerk doet. Morgen moet ik in de leer in de brouwerij.”
“Zoiets hoorde ik van Louis. Heel lovenswaardig dat je eindelijk een vak wilt leren. Kom, je zult je nachtrust wel nodig hebben.”
Zij gingen de herberg binnen en Jules vergrendelde de deur.


15. Ochtendwandeling



Om half zes werd Anton wakker terwijl Jules voor de scheerspiegel stond. Een half uur later werd hij na een haastig ontbijt door Louis aan het werk gezet in de bierkelder. Jules bleef behaaglijk in de gelagkamer met een stapel oude kranten en een pot thee. Nadat hij het regionale nieuws van de afgelopen twee maanden bestudeerd, stond hij op voor een wandeling.
Buiten zag hij Anton bij een kelderopening met een waterslang biervaten uitspoelen, tot zijn enkels in het water.
“Ha Jules, ik mag vaten spoelen,” zei Anton trots. “Schoon, maar niet te schoon. Ik heb me nog nooit zo nuttig gevoeld. Sommige van deze vaten zijn al vijftig jaar oud. Als je bedenkt hoeveel bier daar in gerijpt is. Maar ik moet verder gaan, er wachten nog twintig vaten op mij in de kelder.”
Enthousiast dook Anton weer de kelder in en rolde even later een groot vat de helling op naar buiten.
“Ik ga een wandelingetje maken,” zei Jules. “Naar Blenheim.”
“Doe Linda en Iwan de groeten, als je ze ziet,” zei Anton. Hij stelde de waterstraal in en mikte op de binnenkant van het vat. Een regenboog van druppels spatte omhoog. Jules kon net op tijd naar achteren springen om een ongewenste douche te voorkomen. Hij liep door de rustige straatjes van het dorp naar de tuinmuur aan de achterkant van Blenheim. De bakstenen waren verweerd en begroeid met kleine varens en muurbloemen. Jules opende de loopdeur in de houten poort. Drie gevlekte brakken kwamen aangewaggeld, de staart vrolijk omhoog.
“De honden lopen los, dus Anne is in de kennel, dat komt goed uit,” dacht Jules.
De honden liepen achter Jules aan de kennel in, naar hun hok. Achterin zat Anne bij de puppies.
“Hallo,” zei Jules.
Verschrikt keek Anne om. “O, het is u. Ik schrok, want ik dacht dat u meneer Savary was, gelukkig bent u meneer Jules.”
“Nog steeds,” zei Jules. “Alles goed met de puppies.”
“Je ziet ze groeien.”
“Hoe loopt de dierenartsenpraktijk?”
“Zijn gangetje. Behalve dat meneer Savary steeds klaagt over het geld. Mijn salaris betaalt hij ook steeds later. Hij zegt dat hij niet anders kan, omdat de veehouders steeds langer wachten met het betalen van de rekeningen. Vorig jachtseizoen waren er gelukkig veel ongelukken. Meneer Savary mag officieel geen geld voor de behandeling vragen, omdat hij geen medische bevoegdheid heeft. Hij krijgt in plaats daarvan donaties voor de kennel. Zonder die giften had hij de kennel moeten sluiten, zegt hij.”
“Nu zijn er die mooie puppies.”
“Echt een geluk, meneer Savary gaat binnenkort de sponsors uit nodigen in de hoop dat ze meer geld in het fokprogramma stoppen.”
“Is hij nu op de praktijk?”
“Vanmiddag weer. Hij doet nu zijn ronde langs de veehouders.”
Jules bleef nog even in de kennel en keek hoe Anne met de puppies speelde.


16. Bekentenis



Anton kwam de keuken van de herberg binnen om wat te drinken en bij te komen van het vaten spoelen. Marie sneed met een groot mes uien in kleine snippers op een houten plank.
“Dag Marie. Er worden eters verwacht voor de lunch?”
“In ieder geval Jules en jij. Louis verwacht nog wat aanloop. Het zal wel niet zo druk meer zijn als gisteren. Het nieuws over Philippe is alweer een dag oud.”
“Je huilt, toch nog verdriet?”
“Dat zijn de uien. Trek in koffie?”
“Graag.” Anton ging zitten en liet zich een mok koffie inschenken.
“Ik moet iets bekennen,” zei Marie terwijl de tranen langs haar wangen liepen. “Het is geen liefde op het eerste gezicht, wat ik voor jou voel.”
“Hou je niet van mij?” vroeg Anton verschrikt.
“Ik geloof het wel, maar het duurt al veel langer.”
“Langer dan wat?”
“Van voor onze ontmoeting.”
“Hoe kan jij nu op mij verliefd zijn geworden vóór onze kennismaking? Dat is toch niet mogelijk.”
“Je ziet iets over het hoofd, jouw rol in een populair televisieprogramma.”
“Kon het spelprogramma hier ontvangen worden?” vroeg Anton.
“Nee.”
“Hoe heb jij het dan gezien?”
“De hoogtepunten zijn door fans op internet gezet. Jij kwam daar prominent in voor. Voor mij was jij het hoogtepunt. Toen jij de herberg binnen liep, dacht ik eerst dat ik droomde, daarna dat een droom uitkwam.”
Anton bloosde en zei “Ik dacht dat ik je met een overrompelende eerste indruk voor mij gewonnen had.”
“Dat had je ook, maar niet op het moment dat jij dat dacht. Het was grappig zoals je eergisteren over de barkrukken struikelde en erg flatterend dat je zo naar mij staarde, maar als ik je niet al beter kende dan had ik gedacht dat je een grote sukkel was. Ik ben verliefd op jou geworden toen ik het fragment zag, waarbij de deelnemers een orgie in de stijl van de Franse Zonnekoning hielden in het tv-kasteel.”
“Daar heb ik over gehoord, maar om eerlijk te zijn, is het meeste langs mij heen gegaan. Ik heb nooit de uitzendingen gezien.”
“Heb je het zelf nooit gezien?” vroeg Marie verbaasd.
“We zaten opgesloten in dat kasteel en daar was geen tv en ook geen internet.”
“Kom dan maar mee, dan laat ik jou die bespottelijke orgie zien.”
Marie ging Anton voor naar het kantoortje van Louis, waar de computer nog aan stond. Het fragment was snel gevonden op internet. Samen keken ze naar het beeldscherm, waarop de grote hal van het tv-kasteel verscheen met de deelnemers in zeventiende-eeuws kostuum, de meeste in vergaande staat van ontkleding. Marie gaf lachend commentaar bij de beelden. “Kijk, ze doen allemaal hun uiterste best om zo veel mogelijk te orgiën. Kennelijk was dat de bedoeling, konden ze daarmee punten scoren. Dat paartje daar links wil zich afzonderen.” De camera volgde het stel de grote hal uit, een trap op, door de openstaande deur van een slaapkamer, rollebollend richting een hemelbed. “En let nu op, als de dame, nou ja dame, het laken opzij slaat, dan kom jij in beeld.” Anton hoorde een hoge gil uit de luidsprekertjes van de computer komen terwijl op het beeldscherm de vrouw een halve meter de lucht in sprong, en daarna zag hij zichzelf met zijn geruite jack aan liggen slapen, in foetushouding en met de duim in de mond, vlakbij een rand van het grote bed. Terwijl het paartje uit beeld verdween, zag hij zichzelf omdraaien, uitrekken, een flesje bier van de grond pakken, een paar slokken nemen en het laken weer over het hoofd trekken. “Kijk, daar komt een ander paartje de kamer binnen,” vervolgde Claire haar commentaar. Anton zag hoe het tweetal zich op het hemelbed stortte en de vrouwelijke helft om zich heen begon te voelen naar een houvast in het liefdesspel en dit vond in de vorm van zijn voet die onder het laken uitstak. Nu was hij diegene die loeide als een sirene en met laken en al van het bed opsprong. Het stel sloeg hem wild met kussens en probeerde hem naar de deur toe te werken. Hij wist zich een weg terug te banen naar het bed, greep het flesje bier, om daarna in een wolk van veren door de deuropening te verdwijnen. Dat was het einde van het fragment.
“Het was altijd verdomd lastig om een plekje te vinden waar ik rustig kon slapen. Dus jouw interesse voor mij begon toen jij mij daar zag liggen?”
“Ja, en je hoeft je er niet voor te schamen. Je ziet er goed uit. Naarmate je verder in de spelrondes kwam en dichterbij de hoofdprijs, ging ik je steeds meer als de prins op het witte paard zien, inclusief kasteel. En tijdens de finale in de studio was je de koning van de zeepbaan en de keizer van de ballenbak. Nog gefeliciteerd met de overwinning.”
“Stond de finale ook op internet?”
“De volgende ochtend vroeg al.”
“Dus je weet dat ik gewonnen heb.”
Marie lachte “Natuurlijk, sufferd. Je denkt toch niet dat ik me zo voor jou zou uitsloven als je geen kasteelheer zou zijn.”
“Dan moet ik jou ook iets bekennen,” zei Anton aarzelend.
“Dat jouw prachtige kasteel Blenheim heet en een jachthutje aan de rand van ons dorp is? Dat was inderdaad wel een behoorlijke teleurstelling voor mij. Niks geen zeventiende-eeuws lustoord met in de marmerrots uitgehouwen trappen naar een parelwit Middellandse Zeestrand.”
“Hoe weet jij dat allemaal.”
“Heel eenvoudig. Eerst vertelt Anne dat een stel vreemdelingen zich raar gedraagt op het terrein van Blenheim en daarna blijkt de hoofdprijswinnaar één van hen te zijn. Wie mij wel een verklaring schuldig is, dat is meneer Savary. Heeft hij zonder het iemand te vertellen Blenheim verkocht. Zelfs tegen Anne en mij heeft hij niets gezegd, terwijl wij zoveel tijd aan de kennel besteden. Gelukkig ken ik de huidige eigenaar ondertussen zo goed, dat ik er op kan vertrouwen dat het asiel geen gevaar loopt, toch?”
“Uhhh,” stotterde Anton, die zijn voornemen om Blenheim door te verkopen niet aan Marie durfde te vertellen.
“Wanneer ga je op Blenheim wonen?” vroeg Marie.
“Ik , eh, eigenlijk, ja, ik moet je iets vertellen, het is nogal ingewikkeld...” stamelde Anton.
“Dag Marie en Anton,” klonk er vanuit de deuropening.
Dankbaar keek Anton naar Jules, zijn redder in de nood.
“Jullie houden koffiepauze? Ik lust ook best wel een kopje thee. Kan ik je even vertrouwelijk spreken, Anton?”
“Prima,” zei Anton en hij bleef zitten. Marie zette een keteltje water op en ging verder met de uien.
“Nu, graag,” zei Jules gebiedend.
“Goed,” antwoordde Anton. “Steek van wal.”
“Hier?” vroeg Jules met een blik naar Marie.
“Marie en ik hebben geen geheimen meer voor elkaar. Ze heeft de finale van het spelprogramma op internet gezien en ze heeft ondertussen ook wel geraden dat ik Blenheim heb gewonnen.”
“En weet Marie ook, dat jij het gisteravond bijna verkwanseld hebt aan een louche speculant, zonder je druk te maken over de toekomst van de kennel?”
Marie hield op met uien snijden, versterkte haar grip om het heft van het mes en hief het dreigend naar Anton op en siste “Als je het in je hoofd haalt!”
“Ik merk dat er dingen zijn, waar Marie nog niet helemaal van op de hoogte is,” zei Jules. “Maar dat komt vanzelf als wij haar deelgenoot maken van onze strategische beraadslagingen.” Hij ging rustig aan de tafel bij Anton zitten. Marie gaf hem een kopje thee en schoof aan.
“Het is niet mijn schuld, dat meneer Savary stiekem Blenheim heeft verkocht,” verweerde Anton zich naar Marie, die nog steeds boos naar hem keek.
“Of meneer Savary inderdaad Blenheim heeft verkocht, dat weten we nog niet zeker,” zei Jules. “Ik zal hem daar over aan de tand te voelen. Ik heb zojuist met Anne gesproken en volgens haar zijn er wat financiële problemen op de dierenartsenpraktijk.”
“Daar heb ik haar ook over horen vertellen,” zei Marie.
“Ik heb toch de eigendomsakte,” zei Anton voorzichtig.
“Dat maakt het inderdaad aannemelijk, dat het door iemand verkocht is. Aangezien de heer Savary de laatst bekende eigenaar is, is hij de meest waarschijnlijke verkoper,” beredeneerde Jules.
“Maar waarom heeft hij daar niemand over verteld, vroeg of laat moet dat toch uitkomen?” vroeg Marie.
“Of nooit,” zei Jules geheimzinnig. “Als hij Blenheim weer terugkoopt, hoeft niemand er ooit iets van te weten.”
“Maar in dat geval hoef ik mij ook geen zorgen te maken over het asiel. Ik begrijp alleen niet waarom meneer Savary het huis zou verkopen om het daarna direct weer terug te kopen.”
“Om er winst op te maken.”
“Maar waarom dan alles stiekem doen?” vroeg Marie. “Dankzij Anne weet toch binnen de kortste keren het hele dorp van zijn geldproblemen.”
“Zo werkt de onroerend goed markt nu eenmaal,” zei Jules. “Bovendien hebben Anton en ik het vermoeden, dat discretie een bijzondere voorwaarde is voor de transactie.”
“Ik heb als deelnemer aan het spelprogramma een geheimhoudingsverklaring moeten tekenen en die Vandamme zei gisteravond dat verkoop van Blenheim daar ook onder viel en dat ik daarom alleen zaken met hem kan doen,” durfde Anton zich weer in het gesprek te mengen.
“Wie is Vandamme nu weer?” vroeg Marie.
“Dat is die speculant. Hij bood mij gisteravond twintigduizend euro voor Blenheim,” antwoordde Anton. “Ik denk dat ik door die geheimhoudingsplicht geen andere keuze heb.”
“Ik zou toch eerst zeker willen weten of meneer Savary het huis dan weer van hem terugkoopt,” zei Marie. “Stel je voor dat die handelaar het aan iemand anders doorverkoopt, om zelf meer winst te maken. Dat zou het einde van de kennel zijn.”
“Ik zie in die geheimhoudingsplicht geen groot obstakel,” zei Jules. “Natuurlijk kun je geen grote advertentie in de krant zetten, maar als zich uit eigen beweging een koper meldt die buiten jou om van Blenheim weet, heb je technisch gezien geen geheimhouding geschonden. Als meneer Savary het inderdaad verkocht heeft om het later weer terug te kopen, was hij al op de hoogte, voordat jij van het bestaan van Blenheim wist. Je kan daarom zonder problemen Blenheim zelf weer aan Savary terugverkopen. Behalve zekerheid over de toekomst van de kennel is er nog een andere goede reden om direct zaken met Savary te doen.” Jules haalde uit zijn binnenzak een piepklein notitieboekje, begon er in te bladeren, zocht een pen en krabbelde er nog wat in.
“Maar als Anton gewoon zelf op Blenheim gaat wonen, is de toekomst van het asiel toch ook zeker,” zei Marie.
“Anton kan zich een dergelijke weelde niet veroorloven. Hij heeft geen enkele duit. Erger nog, ik heb hier een overzicht van alle schulden van Anton aan mij. Het totaal staat nu op zesenzeventig duizend driehonderd achtentwintig Euro. Dat is inclusief zes procent rente, de kosten van het verblijf hier tot nu toe en zijn bijdrage in de brandstofkosten van de heenreis. Nu hij onroerend goed bezit, verwacht ik van hem dat hij de schuld bij mij aflost. Ik denk dat Vandamme een flink hoger bedrag met Savary heeft afgesproken voor de wederkoop dan de twintigduizend euro die hij Anton heeft geboden.”
“Ik blijf het een raar verhaal vinden,” zei Marie. “We weten nog niet eens of meneer Savary Blenheim wel verkocht heeft, hoe kunnen we dan weten of hij het wil terugkopen? Trouwens, meneer Savary is dan wel een oude vrek, ik geloof nooit dat hij aan dat soort trucs zou meewerken.”
“Ik hoorde van Anne, dat hij vanmiddag weer in de praktijk is. We kunnen hem dan ondervragen,” zei Jules.
“Vanmiddag heb ik geen tijd, dan help ik Marie in de herberg.”
“Dan ga ik wel alleen langs,” zei Jules.
“Jules, ik wilde jou nog vragen over die schilderijen,” sneed Anton een nieuw onderwerp aan, dat door Jules echter snel werd afgekapt.
“Moet jij niet werken?”
Anton keek op zijn horloge. “Zo laat al, ik heb nog heel wat vaten te gaan.” Hij kuste Marie op een wang en liep snel de keuken uit.
Ook Jules stond op. “Marie, wil je me zo nog een kopje thee brengen. Ik zit in de gelagkamer.”
Jules zat al een tijdje met de kranten en een kopje thee voor zich, toen Louis de gelagkamer binnen kwam.
“Dag Jules, ik ga dat verschrikkelijke portret van Philippe weghalen. Dadelijk blijven mijn gasten nog weg.”
“Als ik jou was, zou ik die hele kampioensparade van de muur afhalen.”
“Jules, je hebt helemaal gelijk, weg met die vergane glorie.”
Louis haalde alle foto’s van wielrenners, stieren en Philippe van de muur en liep met de hele stapel richting de vuilcontainer in de keuken. Jules hoorde het glas van de lijsten breken.
“Zo, scherven brengen geluk,” Louis kwam weer terug en beide heren keken een tijdje naar de lege muur achter de bar.
“Wel kaal,” zei Louis.
“Net als mijn hoofd,” zei Jules.
“Niet zo fraai,” zei Louis.
“Net als mijn hoofd, maar ik verval in herhaling” zei Jules.
“Misschien kan ik er een vachtje ophangen, van een hert of zo.”
“Wat haar zou het zeker aankleden.”
“Heb je het nu over jouw hoofd of over de muur?” vroeg Louis.
“Over beiden. Trouwens, ik heb een advertentie gelezen, dat er bij Balmoral gratis oude Afrikaanse jachttrofeeën zijn op te halen. De krant was nogal oud, maar de advertentie was zo klein en cryptisch, dat ik niet verwacht dat het storm heeft gelopen.”
“Dan is het zeker het proberen waard,” zei Louis. “Ik ga er direct met de vrachtwagen langs. Volgens mij is er nu volk aanwezig op Balmoral.”
Op dat moment kwamen Linda en Iwan binnen.
“Dag Louis en Jules,” zei Iwan. “Weten jullie iets wat we kunnen doen? We vervelen ons. Anton is buiten aan het werk met biervaten en heeft nergens anders tijd voor.”
“We zijn op reis gegaan voor het avontuur, maar er valt hier niet veel te beleven,” zei Linda.
“Jullie mogen met mij meerijden naar Balmoral,” zei Louis. “Ik ga daar oude Afrikaanse jachttrofeeën ophalen voor achter de bar.”
“Dat is leuk!” zei Linda. “We hebben gisteren al de kasteelheer van Balmoral ontmoet.”
“Hij leek verdacht veel op die oud-minister, die in opspraak is geraakt,” zei Iwan.
“Hij was zijn kunstgebit kwijtgeraakt,” giechelde Linda. “In de slotgracht gevallen, toen hij de zwanen voerde.”
Linda en Iwan liepen met Louis mee naar buiten. Even later hoorde Jules de oude, kleine vrachtwagen met horten en stoten wegrijden.


17. Afrika



De kleine vrachtwagen van Louis denderde over de rammelende planken van de neergelaten ophaalbrug. Linda wees naar de zwanen in de slotgracht. Louis parkeerde de vrachtwagen op de binnenplaats van Balmoral. Aan weerszijden van de binnenplaats lagen grote, lege stallen. Ze stapten uit en liepen naar het statige hoofdgebouw. Louis belde aan. De oude huishoudster van Balmoral deed open. Louis begroette haar als dorpsgenoot en zei daarna “Wij komen voor de oude Afrikaanse jachttrofeeën.”
“Kom binnen,” zei de oude huishoudster. “Jullie zijn de eersten. Alles ligt nog op zolder. Ik zal meneer Besser roepen. Hij zit in de bibliotheek.” Ze liep door de hal, opende een deur en ging een grote ruimte in met hoge wanden vol boeken.
“Bertrand Besser, zo heet die oud-minister,” fluisterde Iwan naar Linda. “Zie je wel, dat ik gisteren gelijk had.”
“Sttt,” siste Linda.
De huishoudster kwam de bibliotheek weer uit met het oude heertje, dat Linda en Iwan de vorige dag bij de beek langs het kampeerweitje hadden ontmoet. Hij zei niets, maar schudde enthousiast zijn bezoekers de hand. Hij keek met verwondering naar de Viking uitdossing van Iwan en daarna vol bewondering naar de elegante Indianenoutfit van Linda. Met een ontwapenend, ietwat ondeugend knikje met zijn hoofd maakte hij duidelijk dat hij hen herkend had als de naakte zwemmers in de beek. Ze gingen de trappen op naar de zolder. De huishoudster knipte er het licht aan. De ruimte onder de balken van het dak was leeg op enkele dozen en kisten in een hoek na. De oude huishoudster hield van opruimen. Ze liep naar de hoek, opende een kist en zei
“Ik ben blij dat ik die stofnesten weg mocht halen, ze hingen eerst in de eetzaal”
Louis haalde gretig de dozen en kisten leeg. De meeste dierenvellen waren aangetast door de pelsmot. Louis maakte zijn keuze, een gaaf leeuwenvel met de kop eraan en een hele verzameling geweien van antilopen, wildebeesten en springbokken.
“Wat heeft die leeuw rare tanden,” zei Iwan en hij stak zijn hand in de bek van de leeuw.
“Pas op!” riep Linda. “Dadelijk wordt je gebeten.”
Iwan trok zijn hand weer ongeschonden terug uit de leeuwenbek. Triomfantelijk hield hij een kunstgebit omhoog. “Even afspoelen,” zei de huishoudster en ze nam het kunstgebit van Iwan over. De heer Besser liep achter haar aan de zolder af. Louis, Linda en Iwan volgden met in hun armen het leeuwenvel en de geweien.
Beneden had de heer Besser het kunstgebit al ingedaan en zijn stem weer gevonden.
“Ik heb de jacht op grootwild afgezworen. Daarom heb ik die trofeeën onlangs uit de eetzaal weg laten halen. Ik wilde niet steeds aan mijn oude zonden herinnerd worden. Eén van mijn neefjes heeft waarschijnlijk afgelopen kerst als grap het kunstgebit in de leeuwenbek gedaan, nadat ik het op tafel had laten slingeren. Nu ik het gevonden heb, kan ik eindelijk naar Afrika.”
“Naar Afrika?” vroeg Linda nieuwsgierig.
“Wij willen ook graag naar Afrika,” zei Iwan. “Wat gaat u daar doen?”
“Als jullie nog even blijven, dan zal ik jullie alles erover vertellen.”
“Ik wil niet naar Afrika,” zei Louis. “Ik wil terug naar de herberg.”
“We helpen je wel met inladen,” zei Iwan.
“En we vinden het niet erg om naar Blenheim terug te lopen,” zei Linda.
Even later startte de motor van de oude, kleine vrachtwagen pruttelend en reed Louis de binnenplaats af. De planken van de ophaalbrug rammelden.
Linda en Iwan liepen met de heer Besser terug naar de bibliotheek. Ze gingen zitten in comfortabele stoelen. De huishoudster bracht thee en sandwiches.
“Jullie mogen me Betrand noemen,” begon de heer Besser.
“U bent dé Bertrand Besser, de bekende oud-minister van buitenlandse zaken?” vroeg Linda.
“Ja, maar helaas is mijn naam verbonden geraakt met een onverkwikkelijk schandaal. Ik ben erg blij dat jullie mijn kunstgebit hebben gevonden en als dank zal ik jullie het hele verhaal vertellen. De ellende begon toen mijn oude secretaresse met pensioen ging. De nieuwe secretaresse kwam via een uitzendbureau. Achteraf bleek dat deze jongedame banden had met de politieke tegenstanders van mijn zoon, maar toen was het kwaad al geschied. De aanklacht van ongewenste intimiteiten was dan wel tegen mij gericht, maar het eigenlijke doel was om indirect het imago van mijn zoon te schaden. De jongedame speelde overigens dubbel spel. Ze liet zich niet alleen betalen door de politieke tegenstanders van mijn zoon, ze was ook bereid om haar aanklacht in te trekken in ruil voor veel geld van mij. Op deze chantage ben ik niet ingegaan. Als je dat doet, dan kom je er nooit meer vanaf. Na overleg met mijn zoon hebben we besloten, dat de familie de gebeurtenissen toe zou schrijven aan mijn voortschrijdende seniliteit. Het plan werkte. De rechter sprak mij vrij op grond van mijn afgenomen verstandelijke vermogens. Voor het politieke imago van mijn zoon pakte het ook goed uit. Hij wierp zich op als pleitbezorger voor een waardige ouderenzorg en wist zo de verkiezingen te winnen. Ik wil niet opscheppen over mijn zoon, maar hij is een geboren politicus. Hij belooft de kiezers gouden bergen en eenmaal verkozen doet hij straffeloos het tegenoverstelde. De consequentie van mijn openlijke dementieverklaring was wel dat ik mij uit het openbare leven moest terugtrekken en al mijn bestuursfuncties neer moest leggen, op één na, het voorzitterschap van de Besser Stichting, want over de Besser Stichting heeft buiten de Besser familie niemand wat te zeggen. In Oost Afrika ondersteunt de Besser Stichting de oprichting van een wildpark en de bouw van de bijbehorende toeristische faciliteiten. Daar ga ik nu naar toe, om het project te leiden en om de herfst van mijn leven door te brengen. Ik ben nog op zoek naar een nieuwe secretaresse en een chauffeur. Als jullie het aandurven om met een seniele man op pad te gaan, kunnen jullie mee naar Afrika.”
“O, ik ben niet zo eenkennig,” zei Linda.
“Ik ben niet jaloers aangelegd,” zei Iwan.
“Volgens mij bent u nog prima bij de tijd, ook al raakt u soms uw kunstgebit kwijt,” zei Linda.
“Dat vinden we dan wel weer voor u terug,” zei Iwan.


18. Stoofpot



Louis stapte de gelagkamer binnen, snoof de geur van stoofpot op en zei “Precies op tijd voor de lunch.”
“Heeft de jacht nog een trofee opgeleverd?” vroeg Jules, die zijn krant dichtvouwde.
“Meer dan één,” antwoordde Louis. “Heb je Anton gezien?”
“Misschien in slaap gevallen in een biervat,” zei Jules.
“De vaten heb ik geïnspecteerd, daar zat hij niet in. Hij heeft zijn werk goed gedaan.”
“Dan is hij in de keuken bij Marie.”
“Marie, Anton!” bulderde Louis.
Direct zwaaide de klapdeur open en Marie en Anton kwamen tevoorschijn.
“Laten we snel eten, voordat de zaak vol loopt, ” zei Louis. “Ik nodig onze gast Jules uit om de stoofpot te keuren.”
Marie ging naar de keuken en kwam terug met een dienblad met vier dampende borden. Anton tapte glazen cider en allen schoven bij Jules aan.
“Smaakt voortreffelijk,” zei Jules. “Wat zit er nog meer in behalve uien?”
“Bonen en koeiendarmen,” zie Marie.
“En niet te vergeten zout,” vulde Louis aan. “De klanten moeten wel dorst krijgen.”
De deur van de herberg ging open en drie vierkante mannen met petten op en laarzen aan gingen na een korte groet aan de toog zitten. “De vaten zijn gespoeld,” zei Anton, die snel zijn bord had leeg gegeten. “Mag ik vanmiddag glazen spoelen? Om Marie te helpen?”
“Dat is prima,” antwoordde Louis. “Je mag ook tappen.”
“Je bent al volledig ingelijfd bij het personeel van de herberg,” zei Jules tegen Anton.
“Herberg-brouwerij,” verbeterde Anton hem en hij stond op en liep naar de bar om zijn vaardigheden aan de tap te laten zien.
Gestaag druppelden de gasten binnen, de meesten voor een glas, enkelen namen er een bord stoofpot bij. Al snel hadden Anton en Marie het druk met tappen en bedienen. Ook Louis en Jules stonden van tafel op.
“Ik ga zo bij meneer Savary langs,” zei Jules.
“Waarvoor? Op dit tijdstip is hij meestal niet aanspreekbaar vanwege zijn middagdutje.”
“Ik wil hem wat vragen over zijn fokprogramma.”
“Daarvoor kun je hem midden in de nacht wakker maken,” zei Louis lachend. “Ik loop een eindje met je mee, tot aan de vrachtwagen.” Samen gingen ze de herberg uit. Jules wandelde naar het huis van de heer Savary. Louis ging niet verder dan de oude, kleine vrachtwagen om de Afrikaanse jachttrofeeën uit te laden. Toen Louis de volle gelagkamer binnen kwam met het leeuwenvel, grapte één van de gasten “Wat heb je nu weer aangereden in het bos?”


19. Hondenfokkerij



Jules belde aan bij de voordeur van de bungalow, die aan de veeartsenpraktijk was vast gebouwd. Mevrouw Savary deed open.
“Hij zit nog te dutten om zijn de lunch te verteren, maar ik zal hem roepen. Pierre! Bezoek!”
Meneer Savary kwam in hemdsmouwen aangelopen met een humeurig en slaperig gezicht.
“Dag Jules,” zei hij kortaf.
“Dag meneer Savery. Ik kwam langs met een vraag over de puppies. Ik ben benieuwd hoe je het precies hebt aangepakt om zo‘n mooi nestje te fokken.”
Meneer Savary was op slag fit, vriendelijk en een toonbeeld van hoffelijkheid.
“Jules, wat gezellig dat je langs komt. Ik was net van plan naar de kennel te gaan. Prima weer voor een wandeling. Als je met mij mee loopt heb ik alle tijd voor jouw vragen. Even mijn jasje aantrekken.”
Meneer Savary kwam terug met zijn tweed jasje aan en hij was al bijna de deur uitgegaan toen zijn vrouw riep, “Vergeet je pet niet, anders verbrandt die kale knar van jou.” Meneer Savary liep terug de hal in en pakte zijn geruite pet van de kapstok en plantte die stevig op zijn hoofd.
“Ik ga nooit op stap zonder mijn pet. De beste bescherming tegen de gevaren van een verblijf in de open lucht. Het weer ziet er nu wel vriendelijk uit, blauwe hemel, windstil en een aangename temperatuur, maar vergis je niet, een zonnesteek kan ieder moment toeslaan. Maar vertel eens, wat wil je weten. Ik wist niet dat je ook kynologische interesses had. Ik had al van Anne gehoord, dat je vanochtend bij de puppies hebt gekeken.”
“Tot nu toe is mijn interesse in honden niet verder gegaan dan de zeventiende-eeuwse jachttaferelen van Jan Breughel, Peter Paul Rubens en Frans Snijders. Van de laatste heb ik pentekeningen van jachthonden gezien, die mij zeer konden bekoren. Vanochtend was ik in de kennel, samen met Anne. Toen ik dat prachtige nestje zag, wilde ik er wat meer over weten.”
“Oude schilderijen zijn ook vanuit een kynologisch oogpunt interessant. Zij kunnen ons veel leren over de toenmalige bouw van de jachthonden. Voor de rastypische eigenschappen van de witte brakken, die ik weer als ras wil herstellen, baseer ik mij op een tweetal oude foto’s van jachtpartijen van de Engelsen met hun meutes hier in de streek. Tussen de gevlekte langbenige honden zijn duidelijk enkele robuuste, laagbenige en geheel witte brakken te zien. Zoals ik jou al eerder verteld heb, kon ik het laagbenige, robuuste type in enkele generaties terugfokken met behulp van Bassethonden, maar de gevlekte vacht bleef hardnekkig in de vererving meegaan. Bij fokken draait alles om de keuze van de ouderdieren. Normaal is bij het hedendaagse fokken de stamboom tot zo tien generaties terug bekend, soms wel langer. In dit geval kende ik alleen de afstamming van de Bassets, waar uiteraard alleen gevlekte dieren in voorkwamen. Van de dieren die ik geselecteerd had uit de restanten van de Engelse meutes wist ik natuurlijk niets. Ik was dus helemaal aangewezen op mijn eigen inzichten bij de selectie. Selectie was tot voor kort trouwens een groot woord. Er was al twee jaar geen nestje meer geweest.”
“Heb je voldoende ouderdieren?” vroeg Jules.
“Als fokker kun je altijd meer ouderdieren gebruiken, maar in dit geval zijn er voldoende reuen van het geschikte type. Het meeste wit heeft Hebros, hij is wat te licht gebouwd en staat ook te hoog op de benen, maar met een stevig teefje hoeft dat geen probleem te zijn. Alfeios, Ismaros en Erymanthos hebben het perfecte robuuste type, maar veel teveel bruin en zwart. Delos en Serifos houden een beetje het midden qua gewenst type en vacht. Van de fokteven zijn Attika, Megara en Ithaka het meest geschikt en dat zou toereikend moeten zijn, zeker gezien het feit dat ze alle drie regelmatig loops worden. Het uitblijven van nestjes is geheel te wijten aan de reuen, die hun taak verwaarlozen. Ze hebben geen interesse in de loopse teefjes, ze snuffelen maar wat, of lopen met de staart tussen de benen weg.”
“En nu is het wel gelukt.”
“Megara was loops en omdat zij de lichtste is van de fokteven, heb ik haar met Ismaros in een hok gestopt. Een paar weken later bleek Megara drachtig en het betrof geen schijnzwangerschap zoals tot dan toe steeds het geval was.”
“Heb je de paring gezien.”
“Nee, Ismaros toonde geen enkel initiatief en bleef in een hoek van het hok zitten, zijn poten likken. Ik ben toen naar huis gegaan. De volgende middag kon ik uit het gedrag van Megara opmaken, dat ze gedekt was. Het nestje overtreft mijn stoutste verwachtingen. Drie pups helemaal wit. Ik ga binnenkort de sponsors van het fokprogramma uitnodigen.”
“Het is ook een fantastische plek om zo’n oud ras terug te fokken,” zei Jules toen de achteringang van Blenheim in zicht kwam.
“De perfecte plek. Het maakt de juiste indruk op de sponsors en de kennels zijn praktisch.”
“Jammer dat het jachtverblijf zelf leeg staat.”
“In het verleden heb ik het verhuurd, in het jachtseizoen, maar ook aan cameraploegen tijdens de wielerronde. En in de tijd dat de toeristen nog niet wegbleven, iedere zomer wel een paar weken aan families, die er hun vakantie hielden. De laatste jaren staat het leeg. Ik blijf het wel onderhouden, ik wil het niet laten vervallen.”
“Waarom woon je er zelf niet.”
“Mevrouw Savary geeft de voorkeur aan een moderne, praktische woning. Blenheim is ook niet geschikt om de praktijk te vestigen, zo zonder stallen.”
“Zou je het willen verkopen?”
“Waarom zou ik dat doen?”
“Voor het geld, misschien.”
De heer Savary lachte schamper. “Anne heeft zeker weer verhaaltjes verteld. Nee, ik heb mijn schaapjes allang op het droge,” zei de veearts. “Niet dat ik het hier rondbazuin en zeker niet aan Anne. Ze zou het in haar hoofd kunnen halen om loonsverhoging te vragen. Voor geen goud verkoop ik Blenheim. Het bezit van het landgoed levert mij het nodige aanzien op in de streek, niet in het minst vanwege de pachtopbrengsten in natura. Hier houdt men nog de oude feodale gebruiken in ere. Het geeft de mensen het gevoel niet afhankelijk te zijn van de buitenwereld.”
De heer Savary opende de achterpoort voor Jules.
“Verkopen nooit, verhuur van het jachtverblijf uiteraard wel.”
“Ook permanente verhuur?”
“Bij voorkeur permanent, heb je interesse?”
“De reden van mijn bezoek aan deze streek is, dat ik het leven in de stad te druk en te duur begin te vinden. Ik overweeg mij te vestigen op het platteland.”
“Dat kan ik iedereen aanraden. Ik kan je meteen een rondleiding geven, ik heb de sleutel altijd bij mij. Daarna kijken we dan nog even in de kennel.”
Jules liep met meneer Savary langs de kennel naar de ingang van het jachtverblijf. De heer Savary opende de deur en knipte een lichtschakelaar om. Zij gingen het gebouw rond en in ieder vertrek openden ze eerst de luiken. Op de benedenetage lag aan de linkerzijde van de gang een eetkamer met een zitgelegenheid in de serre, die rijk voorzien was van glas en lood. Het prachtige parket zat goed in de lak. Aan de rechterzijde van de gang lag een ouderwetse keuken met een groot, antiek fornuis en op de vloer een tegelmozaïek met vervlochten plantenmotieven. Achter de keuken bevond zich een op dezelfde wijze betegeld vertrek, waar een wit geëmailleerde badkuip op pootjes stond. Een vrij brede trap voerde naar de bovenetage, waar vier slaapvertrekken waren, die alle vier dankzij de hoge ramen een mooie lichtinval hadden en een fraai uitzicht op het omringende park.
“Mooi neutraal pleisterwerk op de muren,” zei Jules, terwijl ze de trap weer afliepen en hij keek goedkeurend naar de kale, onversierde muren.
“Alles is goed onderhouden,” zei meneer Savary. “Wanneer kun je beslissen?”
“Morgen laat ik het je weten.”
De dierenarts sloot de voordeur af en ging Jules voor naar het hondenhuis. Aan de asielhonden besteedde hij geen aandacht, maar de brakken wees hij één voor één aan, noemde hun namen en besprak hun sterke en zwakke punten voor de fokkerij aan de hand van een reproductie van de oude foto van de jachtpartij van de Engelsen, die hij van de muur had genomen. Bij Ismaros bleef hij uitgebreid stilstaan. “Hij heeft precies de verschijningsvorm zoals op de foto, een prachthond, perfect wat betreft bouw. Van alle reuen heeft hij het minste wit en toch heeft hij nu drie perfect witte nakomelingen verwekt. De factor toeval is bij het gericht fokken niet uit te sluiten.”
Meneer Savary gooide een hondenkoekje door de tralies richting Ismaros, die sloom ernaar toe waggelde, te sloom, want Serifos, ook niet de snelste, kaapte het koekje voor zijn neus weg.
Bij het kraamhok achter in de kennel aangekomen zuchtte meneer Savary van bewondering bij de aanblik van de witte pups, die wakker waren en samen met hun gevlekte broertjes en zusjes over elkaar en hun moeder heen wriemelden. “Wat een schoonheden,” zei hij tevreden.
“Ik heb totaal geen verstand van honden, maar vanochtend meende ik te zien, dat bij een paar pups het haar iets langer en iets pluiziger is. En bij sommige zijn de neusjes een heel klein beetje stomper en bij andere weer wat langer,” zei Jules. “Hele kleine verschillen en het heeft vast geen betekenis.”
Meneer Savary gaf geen antwoord, opende snel het hok en inspecteerde voorzichtig de pups stuk voor stuk.
Nadat hij ze allemaal weer bij hun moeder had teruggelegd, keek hij peinzend voor zich uit. Hij pakte zijn pet in zijn ene hand en met zijn andere streek hij door zijn schaarse haren. “Anne!” riep hij plotseling uit. “Anne heeft de hokken open laten staan! Eén van die pluizige mormels uit het asiel heeft zijn kans gezien en Megara, die loopse teef, heeft het toegelaten om beneden haar niveau te paren.”
“Ware liefde overwint alle standsverschillen,” zei Jules. “Hoewel de korte poten van Megara in dit geval wel behulpzaam zullen zijn geweest.”
“Al mijn hoop was op dit nestje gevestigd, hoe moet het nu verder?” sprak meneer Savary moedeloos.
“Wat is jouw objectieve oordeel over de witte pups?” vroeg Jules. “Als je er onbevangen en zonder vooroordelen naar kijkt.”
“Eén heeft krullend haar, een ander een erg stomp neusje,” zei meneer Savary. “De derde lijkt prima, met glad, kort haar en het type van een stevige Basset pup. Wacht eens even, dat is geniaal! Dit opent nieuwe mogelijkheden voor de fokkerij. Dat ik hier zelf niet opgekomen ben!”
“Misschien toch een salarisverhoging voor Anne?” vroeg Jules.
“Na al die jaren moet ik er toch maar eens over nadenken,” antwoordde de dierenarts.


20. Leeuwenvel



Louis, die dankzij de omzet van de vorige dag weer voldoende krediet had bij de slager, serveerde die avond voor het eerst sinds lange tijd zijn beroemde biefstukken. Dit nieuws ging als een lopend vuurtje door het dorp en tegen zessen zat de gelagkamer vol. Louis werkte in de keuken. De biefstukken waren zijn persoonlijke specialiteit. Marie en Anton liepen ijverig af en aan door de gelagkamer met borden en bierglazen. Pas toen het avondeten gedaan was in de herberg en de meeste gasten weer vertrokken waren, hadden Marie en Anton tijd voor een praatje met elkaar.
“Je bent zeker blij dat het portret van Philippe weg is?” vroeg Anton.
“Ik heb net tegen Louis gezegd dat ik het een misselijke streek vind, dat hij het heeft weggegooid.”
“Je bent er toch niet aan gehecht?”
“Allesbehalve dat. De afgelopen weken moest ik mij steeds beheersen om het niet van de muur te rukken en op de grond aan scherven te gooien. En nu ik eindelijk mijn gevoelens de vrije loop kan laten, is Louis mij voor geweest. Het is wel een mooi leeuwenvel, dat nu achter de bar hangt. Ik ben benieuwd of Louis in zijn opzet slaagt.”
“Heeft Louis het vel dan met een bepaald doel opgehangen?”
“Louis kiest de wandversieringen zo uit, dat ze gesprekstof voor de gasten opleveren, zodat ze elkaar wat te vertellen hebben, langer blijven en meer omzet geven. De foto’s van de wielrenners en de stieren werkten zo, tenminste toen de koersen en de veemarkt er nog waren. De foto van Philippe leidde tot verhitte discussies tussen de voor- en tegenstanders van de uitzending van onze soldaten naar het buitenland. Het leeuwenvel zal wel zorgen voor gepoch van de jagers die nog nooit een leeuw geschoten hebben en dat zijn de meesten. Niet dat wij hier gebrek hebben aan jagerslatijn. Het everzwijn dat daar aan de muur hangt, daar doen wel minstens acht versies de ronde over hoe die aan zijn einde is gekomen, allemaal met weer andere afschuwelijke details, van aan stukken gescheurde honden tot verbrijzelde benen van jagers.”
“In De Volharding, het café waar ik vaak kwam en waar ik Iwan heb ontmoet, hing een formidabele opgezette snoek aan de muur, dat was net zo’n geval.”
“Heeft die snoek ook benen verbrijzeld?”
“Nog veel erger. De eerste keer dat ik in De Volharding was eisten vier stamgasten de eer op wie de snoek gevangen had. Ze overbluften elkaar met fantastische verhalen. Eén verhaal, het minst spectaculaire, waarin enkel een bootje met vier vissers was omgeslagen, leek mij redelijk waarschijnlijk. Toen ik dat liet merken, liep de woordenwisseling tussen de stamgasten zo hoog op, dat ik de barman vroeg om als scheidsrechter op te treden en om aan te geven wie de vangst nu werkelijk op zijn naam mocht schrijven. Nou, scheidsrechter of niet, hij kopte de bal er in en maakt onder luid gelach van de stamgasten de grap af door te beweren dat de vis een afgietsel van gips was en dat ieder normaal mens dat op tien meter afstand kon zien.”
“Toen ben je met de staart tussen de benen afgedropen?”
“Het was dat of stamgast worden. Ik koos voor het laatste. Een paar weken later heb ik enthousiast mee gedaan om dezelfde grap met Iwan uit te halen, toen hij voor de eerste keer in De Volharding kwam.”
“Jules heeft ons nog niet verteld, wat hij van meneer Savary te weten is gekomen,” zei Marie. “Laten we het hem vragen,” zei Anton.
Ze gingen bij Jules zitten, die natafelde met een kopje thee.
Ben je nog wijzer geworden van jouw bezoek aan meneer Savary?” vroeg Anton.
“Hij heeft Blenheim niet verkocht en hij is dat ook niet van plan. Ik denk dat Marie gelijk had, toen ze zei, dat meneer Savary niet het type is voor dit soort ingewikkelde constructies.”
“Zie je wel,” zei Marie. “De kennel is zijn levenswerk. Dat zou hij nooit in de waagschaal stellen.”
“Is dat alles wat je met hem besproken hebt?” vroeg Anton.
“We hebben een interessant gesprek gehad over de brakken, waarbij meneer Savary mij deelgenoot heeft gemaakt van zijn nieuwste inzichten in de fokkerij. O ja, hij wil het jachtverblijf wel aan mij verhuren. Hij vertelde mij dat de jongere generatie rijkelui steeds minder animo voor de jachtpartijen heeft en hij voorspelt dat de streek binnenkort in totale vergetelheid zal wegzinken. Dit versterkt de positieve indruk die ik al had en ik heb zo juist besloten om mij hier te vestigen en vanaf morgen Blenheim voor onbepaalde tijd te huren.”
“Leuk dat je ook hier komt wonen,” zei Marie, “Anton en ik hebben vanmiddag afgesproken, dat hij bij mij in de oude boerderij kan komen wonen. De herberg is veel te duur voor hem.”
“Jij geeft mij wel het ongemakkelijke gevoel dat jij mij als schuldeiser achtervolgt, overal waar ik een nieuw bestaan probeer op te bouwen,” zei Anton.
“Als mijn plan lukt, dan kun je vanavond nog jouw schuld aan mij aflossen.”
“Welk plan?” zei Anton. “Het enige wat wij weten is, dat meneer Savary niets heeft verkocht en dat vanavond die Vandamme terug komt om zaken te doen.”
“Het feit dat meneer Savary Blenheim nooit heeft verkocht, was voor mij ook een raadsel, dat mij flink heeft bezig gehouden. Ik heb ondertussen een oplossing bedacht. Om zeker te weten dat het klopt, moet ik nog een keer de eigendomsakte inzien.”
“Ik ga hem meteen van de kamer halen,” zei Anton en even later zat hij weer aan de tafel bij Jules en Marie.
Jules bestudeerde de akte en wees op een regel op de tweede pagina.
“Hier staat, dat de overdracht uiterlijk morgen om twaalf uur plaats vindt.”
Anton en Marie lazen het na. “Anton is dus nog geen eigenaar van Blenheim,” zei Jules. “Als hij voor morgen twaalf uur afstand doet van zijn prijs, zal hij dat ook nooit worden. De tv-producent Bob Cherubin, het vermoedelijke brein, en Vandamme zijn er van uitgegaan, dat ze het landgoed nooit hoefden te leveren, en daarom hebben ze het nooit gekocht. Ze hebben de productiemaatschappij van het tv-programma vast en zeker enkele miljoenen in rekening gebracht voor Blenheim, voor minder geld zullen deze twee heren niet in actie komen. Dat geld is rechtstreeks in de zakken van Cherubin en Vandamme verdwenen. De aandeelhouders van de productiemaatschappij zullen daar geen cent van krijgen.”
“Ze hebben dus iets verkocht, wat helemaal niet van hun was,” zei Marie. “En hun hele plan was dat de winnaar nooit zijn prijs zou opeisen. Dat is pure oplichterij.”
“En nogal doorzichtig ook. Deze heren gokken er gewoon op, dat ze zich er met hun geld en macht altijd weer uit kunnen redden.”
“Maar als ik geen afstand doe van de prijs, dan kan ik morgen Blenheim opeisen,” zei Anton. “Dan komt het bedrog aan het licht.”
“Het bedrog van Vandamme, niet het bedrog van Cherubin, die zal zich voldoende op de achtergrond hebben gehouden. Of jij daar beter van wordt, is maar de vraag. Je had gisteravond opgemerkt, dat de datum op de overeenkomst die Vandamme jou wilde laten tekenen, niet klopte.”
“Ja, die stond op een half jaar geleden.”
“Ik denk dat dit met opzet gedaan is. Dat zou als bewijs tegen jou gebruikt kunnen worden, omdat het aan zou tonen dat je in het complot zit. Hoe kon je anders een half jaar geleden al weten, dat jij het spelprogramma zou winnen en dat de hoofdprijs Blenheim zou zijn?”
“Als je vanavond die Vandamme dreigt om alles aan de grote klok te hangen, dan komt hij vast met meer geld over de brug,” zei Marie. “Hij moet er toch wel wat voor over hebben om uit de gevangenis te blijven.”
“Vandamme is een gladde aal, die laat zich niet zo makkelijk vangen,” zei Jules. “Tegen de tijd dat ze de wirwar van vastgoedbedrijven hebben ontward en de verkoop van Blenheim aan de productiemaatschappij bewijsbaar naar hem kunnen herleiden, zit hij allang aan de andere kant van de wereld. Ik ken hem langer dan vandaag. Indertijd had hij altijd een paar goudstaven in zijn auto, voor het geval de grond hem te heet onder zijn voeten werd. De enige die de gevangenis in gaat als het bedrog uit komt, dat zal Anton zijn.”
“Ik ben onschuldig, nou ja, niet in het algemeen, maar wel in dit geval,” zei Anton.
“Als je onschuldig wilt blijven, dan zou ik vanavond maar niets ondertekenen,” zei Jules. “Dat Vandamme jouw gisteravond twintigduizend euro aanbood, geeft wel aan, dat hij bereid is een prijs te betalen voor jouw stilzwijgen. Mijn plan voor als hij op komt dagen, is heel eenvoudig. Laten we eens kijken hoeveel hij bereid is te geven in ruil voor jouw eigendomsakte. Dat is per slot van rekening het enige tastbare bewijs dat jij hebt. Dus niets ondertekenen en gelijk oversteken. Ik vermoed dat honderdduizend euro het uiterste is, dat hij wil geven. Als we meer vragen, dan zijn er voor hem andere, goedkopere manieren om ons voor eeuwig het zwijgen op te leggen, zonder dat hij zelf zijn handen vies hoeft te maken.”
“Is het zo’n griezel?” vroeg Marie verschrikt.
“Zo ziet hij er wel uit,” zei Anton. “Het is net een duivel met zijn sikje en ogen als gloeiende kooltjes.”
“Dan zou ik inderdaad maar niets ondertekenen” zei Marie. “Voor je het weet heb je jouw ziel verkocht.”
“Dat mag niet gebeuren,” zei Anton. “Mijn hart en ziel zijn voor jou.”
“Marie kan zich het beste afzijdig houden en in de herberg blijven,” zei Jules.
“Jij gaat toch wel mee?” vroeg Anton aan Jules.
“Natuurlijk, hoe weet jij anders of het goud dat we hem gaan aftroggelen wel zuiver is. We willen boter bij de vis, dus zullen wij de goudvoorraad in zijn auto aan moeten spreken. Nu maar wachten tot de heer Vandamme zich meldt. Onze troef, het eigendomsbewijs, heb je al bij de hand.”
“Zullen wij buiten op hem wachten?” vroeg Anton.
“Goed idee,” zei Jules.


21. Goudstaven



Het was een warme avond. Jules en Anton zaten zwijgend met een glas bier op het bankje naast het tot bloembak gepromoveerde urinoir toen motorgeronk de komst van Vandamme aankondigde. De sportwagen stopte op exact dezelfde plek als de vorige avond en Vandamme stapte uit. Hij liep naar het bankje en ging naast Jules en Anton zitten.
“Kunnen we zaken doen?”
“Mogelijk,” zei Anton. “Maar ik onderteken niets en zeker geen overeenkomst met de verkeerde datum.”
“Je hebt het dus gezien,” zei Vandamme. “Je moet daar niet teveel achter zoeken. Gewoon een kleine extra verzekering dat jij niet alsnog alles aan de grote klok gaat hangen. Ik heb het beste met jou voor. Denk eens aan al de moeite die ik neem om jou op te zoeken en je een kans te geven nog wat aan de zaak over te houden.”
“Ik ben diep ontroerd,” zei Anton. “Maar nogmaals, ik onderteken niets. Wel ben ik bereid het eigendomsbewijs van het landgoed aan jou te verkopen. Wat heb je te bieden?”
“Twintigduizend euro aan contanten. Die liggen op mooie stapeltjes in een mooi koffertje op de achterbank van mijn auto op jou te wachten. Akkoord?” Vandamme drukte op de afstandsbediening, de auto werd ontgrendeld waarbij de sportwagen oranje knipperde.
“Nee,” zei Anton. Vandamme vergrendelde de auto weer. De auto knipoogde.
“Ik wil twintigduizend euro en zeven kilo goud.”
“Wat een onzin, ik heb helemaal geen goud bij me, hoe kom je daar bij?”
“Twintigduizend euro en zes kilo goud.”
“Dat is het soort onderhandelen waar ik van hou. Eén kilo goud, meer heb ik niet.”
“Vijf kilo.”
“Twee kilo en geen gram meer.”
“Vier kilo.”
“Drie kilo en dat is mijn uiterste bod.”
Anton keek naar Jules, die knikte.
“Goed, voor twintigduizend euro en drie kilo goud is het eigendomsbewijs voor jou. Gelijk oversteken en Jules keurt eerst de kwaliteit.”
Vandamme liep naar zijn sportwagen, ontgrendelde pas vlakbij het portier, rommelde een tijdje op de achterbank en legde een koffertje op de motorkap, waarna hij de wagen meteen weer vergrendelde.
Jules liep naar de auto en controleerde in het licht van de lantaarn de inhoud van de koffer. Snel telde hij het geld en bekeek van ieder bankbiljet het watermerk. De goudstaven hield hij in zijn hand, controleerde op het gevoel het gewicht en bekeek met een opvouwbare loep, die hij uit zijn binnenzak haalde, de goudmerken. Jules sloot de koffer en wenkte naar Anton. Anton liep naar de wagen, haalde de akte uit zijn geruite jack en overhandigde deze aan Vandamme. Vandamme controleerde vluchtig of hij het juiste document had gekregen en gaf daarna een wenk aan Jules, die de koffer aan Anton overhandigde.
“Graag had ik nog een ontvangstbewijs gehad voor het geld en het goud,” zei Vandamme tegen Anton.
“Geen ontvangstbewijs of wat voor bewijs dan ook.”
“Niet even een klein paraafje voor de boekhouding?””
“Nee!” zei Anton vastberaden.
“Ok, afspraak is afspraak. Dit geeft mij wel een hoop problemen.”
Anton wilde wat zeggen, maar bij het eerste woord stootte Jules hem aan en zei snel “Nog een prettige avond en een goede reis.”
“Gelijk zo,” zei Anton.
Vandamme gromde binnensmonds, ontgrendelde het portier, stapte zwijgend in en reed vol gas weg.
“Ik wilde zeggen dat we hem juist veel problemen bespaarden, zoals bijvoorbeeld de aankoop van Blenheim.”
“Nooit onnodig aan de tegenpartij laten merken dat je weet welke kaarten zij in handen hebben en dat je hun bluf doorziet. Je moet ze altijd het gevoel geven dat ze slimmer zijn dan jij, anders worden ze wraakzuchtig.”
“Verbazingwekkend hoeveel belang dat soort schurken hecht aan een handtekening,” merkte Anton op.
“Het soort schurken waar Vandamme toe behoord wel,” zei Jules. “Handtekening of niet, door het aannemen van het geld en goud zijn wij in zekere zin medeplichtig geworden aan de zwendel. Het is nu ook in ons belang dat de zaak verborgen blijft, dus mondje dicht. Dat geldt ook voor Marie. We hebben haar erbij betrokken en zij zit nu ook in het complot.”
“Marie kan wel een geheimpje bewaren,” zei Anton.
“Laten we naar binnen gaan via de achterdeur van de brouwerij en de inhoud van deze koffer veilig opbergen in de kluis van Louis,” zei Jules.
Anton volgde Jules achterom. In de brouwerij opende Jules een deur naar een kleine kelder en zij gingen de treden omlaag. Te midden van allerlei schoonmaakspullen stond een kluis, stevig verankerd aan de muur.
Jules draaide aan het cijferslot en opende de zware metalen deur. Hij rolde het goud in een schone, droge dweil en het geld in een andere en stopte beide pakketten in de kluis.
“Hoe weet jij de code?”
“Vanmiddag aan Louis gevraagd.”
“Hij vertrouwt jouw wel zeg.”
“Louis zei dat wat ik er in ging stoppen vast meer waard was dan wat er al in zat.”
Anton keek in de kluis en zag naast de twee opgerolde dweilen, die Jules er net in had gelegd, enkel stofnesten liggen. Jules sloot de kluis, nam een fles wasbenzine van een plank, pakte de lege koffer van de vloer en liep met Anton naar buiten. Daar sprenkelde Jules de wasbenzine over de koffer en stak deze aan met een lucifer. Ze keken naar de vlammen.
“Ik neem aan dat jij het goud houdt als delging van mijn schulden?” zei Anton. “Het zal ongeveer evenveel waard zijn.”
“Dat aanbod aanvaard ik hierbij met dank. Wat ga je met de twintigduizend euro doen? Roeien op de Middellandse Zee?”
“Als ik bij Marie intrek, zal er een hoop opgeknapt en geklust moeten worden aan het boerderijtje en voorlopig verdien ik nog niets in de brouwerij.”
“Het is dus zeker, dat je bij haar gaat wonen?”
“Ik zou niets anders willen.”
“Dus je komt niet op Blenheim wonen als ik het huur?”
“Wat zou ik er te zoeken hebben?”
“Beste Anton, het is op momenten zoals deze dat ik jouw vriendschap het meest waardeer.”


22. Maneschijn



“Is het gelukt?” vroeg Marie, toen Jules en Anton terug waren in de inmiddels lege gelagkamer.
“Volgens plan. Mijn schuld bij Jules is afbetaald en wij hebben nog twintigduizend euro om de boerderij op te knappen.”
“Niets ondertekend?”
“Nog geen paraaf gezet. Jules heeft zelfs het koffertje dat we van Vandamme erbij hadden gekregen, verbrand. Lekker dramatisch en samenzweerderig.”
“Toch zonder de inhoud?” vroeg Marie.
“Die hebben we veilig opgeborgen in de kluis van Louis,” zei Jules.
“Dan is alles goed afgelopen,” zei Marie opgelucht.
“Linda en Iwan!” riep Anton plotseling. “Ik had ze willen waarschuwen voor de wolf die wij gisteravond bij de kloosterruïne hebben gehoord, maar ik was vanochtend toen ik ze zag zo druk met de biervaten dat ik het vergeten ben. Daarna heb ik ze niet meer gezien.”
“Ze zijn met Louis meegegaan naar Balmoral om te helpen met de Afrikaanse jachttrofeeën,” zei Jules. “Louis kwam alleen terug. Ze hadden tegen Louis gezegd dat ze van Balmoral naar Blenheim terug zouden lopen.”
“Op de kampeerweide bij Blenheim is geen gevaar. Zo dicht bij de kennel komen wolven niet, die hebben een hekel aan honden,” zei Marie. “Laten we ze toch maar waarschuwen. Misschien zijn ze nog onderweg van Balmoral naar Blenheim en steken ze af door het bos. Anton, heb jij hun nummer, dan bel ik ze.”
Anton gaf Marie het nummer van Iwan.
“Ze nemen niet op,” zei Marie na verscheidene pogingen.
“Zijn ze ondertussen niet terug op Blenheim?” vroeg Jules.
“Met Iwan en Linda weet je het nooit. Ze kunnen verdwaald zijn in het bos of op Balmoral zijn blijven plakken.”
“Dat is allebei goed mogelijk,” zei Jules. “Louis heeft mij verteld over de uistekend gevulde wijnkelder van Balmoral.”
“Laten we op Blenheim kijken of ze veilig terug zijn,” zei Marie.
“Iwan loopt niet in zeven sloten tegelijk en Linda is geen roodkapje,” zei Anton. “Aan de andere kant is het een schitterende avond voor een wandeling onder de sterren.”
Jules gaapte demonstratief en zei “Jullie vinden het vast net erg als ik hier blijf.”
“We zullen niet verdwalen,” zei Marie lachend en ze greep Anton’s hand.
Marie en Anton gingen naar buiten. Jules bleef in de gelagkamer met een kopje thee.
Toen Marie en Anton aan de rand van het dorp kwamen, wierp een nog bijna volle maan een bleek licht op de weilanden. “Dadelijk komen wij zelf wolven tegen,” zei Anton.
“Wolven zijn van nature schuwe dieren,” zei Marie. “As wij lawaai maken blijven ze op een afstand.” Ze zong “Malbrough s’en va-t-en guerre!” Anton viel luidkeels bij met “For he’s a jolly good fellow!”
Al zingend gingen ze door de achterpoort van Blenheim. Op de kampweide brandde een gezellig kampvuur. De wigwam lichtte op in de flakkering van de vlammen. De plek bleek echter verlaten.
“Iwan, Linda!” riep Anton. “We zijn te laat! Ze zijn met huid en haar opgegeten!”
“Doe niet zo gek. Ze moeten in de buurt zijn. Het vuur is kort geleden gevoed.”
“Dan heeft de gruwelijk slachtpartij net plaatsgevonden,” zei Anton.
“Zie jij daar sporen van?” zei Marie. “Trouwens, wolven zijn bang voor vuur.”
“Stel nu dat ze in de struiken hebben liggen wachten tot één van de twee moest plassen.”
“Hoe weet jij dat er twee wolven zijn?” zei Marie. “Bij de kloosterruïne was er gisteravond maar één.”
“Nee ik bedoel Iwan en Linda.”
“Lagen Iwan en Linda in de struiken?”
“Nee, de wolven lagen in de struiken en Iwan en Linda moesten plassen.”
“Allebei tegelijk?”
“Ja, of ééntje en die is verslonden en de ander is op het hulpgeroep afgekomen en die is toen verscheurd. Dat verklaart ook waarom hier geen sporen zijn.”
Marie keek in de richting van het jachtverblijf.
“Ik kan mij niet herinneren dat die twee beelden daar al stonden.”
“Natuurlijk stonden die er al. Je hebt ze steeds over het hoofd gezien.”
“Ik kom hier iedere dag, soms twee keer per dag. Als die beelden er eerder hadden gestaan, dan had ik die echt wel gezien.”
Marie liep naar de beelden toe. Anton kwam achter haar aan.
“Dit is een mooi voorbeeld van de beperkingen van de menselijke waarneming,” zei Anton. “Alledaagse zaken laten op een gegeven moment geen indruk meer achter, totdat een bepaald toeval of een bepaald licht, zoals nu het maanlicht, onze aandacht er op vestigt en dan denken wij dat het iets nieuws is.”
“Kijk eens goed naar de beelden,” onderbrak Marie het gefilosofeer van Anton.
“Ik zou zeggen een man en een vrouw.”
“Wat voor man en vrouw?”
“Laat mij eens goed kijken. Een Indiaanse en een Viking. Ze lijken wel wat op Linda en Iwan. Wat een toeval zeg.”
Marie bukte, raapte een takje van de grond en zwiepte ermee tegen de dij van de Noorman, die stokstijf bleef staan. Marie sloeg nog eens, nu wat harder, het takje brak. Marie raapte een ander takje op en sloeg Anton tegen zijn been.
“Au! Waarom doe je dat?”
“Om te controleren of ik wel hard genoeg sla.”
“Waarom sla je tegen dat beeld?”
“Omdat het Linda en Iwan zijn. Door het maanlicht lijken het net gipsafgietsels en ze houden zich goed stil. Hoe kunnen we ze door de mand laten vallen?”
“Omduwen, daar houdt geen enkel standbeeld van,” zei Anton en samen gaven ze een duw tegen de Indiaanse vrouw, die verbazingwekkend veel meegaf voor een beeld en lachend opzij stapte.
Ook Iwan viel nu uit zijn rol als standbeeld.
“Dag Marie en Iwan! Jullie maakten zoveel kabaal. We hoorden jullie al een kwartier aankomen. We dachten, laten we ze een poets bakken en als levend standbeeld gaan staan. Jullie liepen vlak voor ons langs. Ik had moeite om mijn lachen in te houden, vooral toen ik Anton hoorde raaskallen over de beperkingen van het menselijke waarnemingsvermogen.”
“Hallo,” zei Linda. “Wat leuk dat jullie langskomen.”
“Wij hebben Iwan gebeld, maar hij nam niet op,” zei Marie.
“De accu van mijn telefoontje is leeg,” zei Iwan.
“We belden om jullie te waarschuwen,” zei Anton. “Voor de wolven.”
“Voor de wolven?”
“Ja, gisteravond waren Marie en ik, eh…, aan het wandelen in het bos en toen hoorden wij een wolf.”
“Hoorden jullie gisteravond wolvengehuil? Ongeveer zo?” Iwan deed een perfecte imitatie van een huilende wolf.
“Was het om iets na tienen in de buurt van de kloosterruïne?” vroeg Linda.
“Ja, hoe weet je dat, waren jullie daar zelf ook, hebben jullie het ook gehoord?”
“Pas op voor de boze wolf!” riep Iwan en hij huilde als een woeste wolf.
“Was jij dat gisteravond?” vroeg Marie verontwaardigd.
“We zagen eerst Anton langs de tent glippen en daarna liep jij voorbij,” zei Linda. “Wij wilden jullie afspraak bij volle maan nog wat romantischer maken.”
“Nou, dat hebben jullie mooi verpest,” zei Anton nijdig.
“Wierp Marie zich niet verschrikt in jouw sterke armen en heb je haar toen niet innig omhelsd?”
“Het leek ons beter het bos uit te gaan,” zei Marie. “Het gehuil klonk echt.”
“Mijn specialiteit, wolvengehuil, woeoeah” Iwan gaf weer een voorstelling, met zijn hoofd in de nek richting maan.
“Nu is het wel genoeg,” zei Linda. “Komen jullie mee naar het kwampvuur. We hebben nog een fles rode wijn uit de wijnkelder van Balmoral, meegekregen van de heer Besser.”
“We hebben alleen geen glazen,” zei Iwan. “We drinken als de wilde stammen in het stadspark zo uit de fles.”
Bij het kampvuur ontkurkte Linda de rode wijn en zei “Op de toekomst!”. Ze nam een slok en gaf de fles door.
“Marie en ik gaan samenwonen,” zei Anton.
“Bij mij in het boerderijtje,” zei Marie. “We gaan het verder opknappen.”
“Wij hebben ook nieuws,” zei Iwan.
“Wij gaan naar Afrika,” zei Linda.
“Naar Afrika?” vroeg Anton verbaasd.
“Ja, naar Afrika,” zei Iwan.
“Met Bertrand Besser,” zei Linda en ze vertelde alles over hun ontmoeting met de heer Besser die middag, hoe Iwan het kunstgebit terugvond en over het wildpark in Afrika. Pas lang nadat de fles wijn op was, liepen Marie en Anton naar het boerderijtje aan de rand van het dorp. Anton sliep die nacht niet in de herberg.


23. Goede reis



Het was vroeg in de ochtend enkele dagen later. Marie, Anton en Louis zaten in de gelagkamer om voor die dag de werkzaamheden in de herberg en de brouwerij te bespreken. Jules had net zijn eerste kopje thee op.
“Hallo allemaal!” bulderde de stem van Iwan.
“Wij komen afscheid nemen!” riep Linda.
“We vertrekken vandaag naar Afrika!” bulderde Iwan.
Bertrand Besser kwam vriendelijk lachend achter hen aan de herberg binnen. Linda zag er charmant uit in een kort, bontgekleurd jurkje, dat feitelijk niet meer was dan een vanaf halverwege haar weelderige boezem omlaag tot het begin van haar elegante benen strak gewikkelde katoenen lap, bedrukt met Afrikaanse patronen. Bertrand Besser en Iwan droegen lange overhemden van dezelfde stof. Voor Bertrand Besser was het overhemd aan de ruime kant, maar Iwan zat het als gegoten rond zijn brede borstkas.
“Wat een mooie kleren hebben jullie aan,” zei Marie.
“Van Bertrand gekregen,” zei Linda.
“Meegenomen van mijn laatste bezoek aan Afrika,” zei Bertrand Besser. “Als cadeautje voor de familie, maar niemand wilde de kleren. Ze hingen nog ongedragen in de kast op Balmoral.”
“Wat hebben jullie met het Indianenjurkje en Vikingvermomming gedaan?” vroeg Anton.
“Die hebben we samen met de kampeerspullen opgeborgen op de zolder van Balmoral, onder luid protest van de oude huishoudster,” zei Iwan.
“We hebben vannacht op Balmoral geslapen,” zei Linda. “Gelukkig was de huishoudster vanochtend weer wat bijgedraaid en heeft ze een vroeg ontbijt voor ons gemaakt.”
“We rijden eerst naar de hoofdstad, naar het huis van mijn zoon,” zei Bertrand Besser.
“Vandaar nemen we een taxi naar het vliegveld,” zei Iwan. “We kunnen de auto in de garage van Besser junior laten staan.”
De heer Besser keek op zijn horloge en zei “Helaas moeten we direct weer verder, anders missen we het vliegtuig.”
Er werd gezoend en handen geschud, uitbundig door Linda en Iwan, bedaard door Bertrand Besser. Daarna gingen ze net zo tumultueus en luidruchtig de gelagkamer uit als ze binnen waren gekomen. Marie, Anton, Jules en Louis liepen achter hen aan naar buiten.
“Goede reis,” zeiden ze in koor toen de reizigers in de auto stapten.
“Vergeet niet te mailen,” voegde Anton er aan toe.
Ze zwaaiden totdat de auto achter een heuvel verdween.
“Wat zijn ze enthousiast,” zei Marie. “Ik zou wel met ze mee willen op reis.”
“Ja, heel aanstekelijk,” zei Anton. “Ik voel mij als achterblijver maar een saaie piet.”
“Jullie mogen met mij mee,” zei Jules.
“Ga je ook naar Afrika?” vroeg Anton.
“Nee, naar mijn oude huis. Ik ga de huur opzeggen en mijn spullen naar Blenheim verhuizen. Wat mij betreft vertrek ik vanochtend al.”
“We helpen je graag,” zei Marie.
“Kan Louis ons wel missen?” vroeg Anton, die opzag tegen het sjouwwerk.
“Jullie krijgen drie dagen verlof,” zei Louis tegen Marie en Anton. “En jullie mogen de vrachtwagen van de brouwerij lenen.” En met een blik op Anton voegde hij er lachend aan toe “Het is een goede oefening voor als je straks volle biervaten af moet leveren.”
Een uur later reed in een wolk van rook en roet de kleine, oude vrachtwagen bij de herberg weg met Marie achter het stuur en Anton en Jules naast haar in de cabine.


24. Kunstcollectie



Met een geoefend gebaar schonk Jules voor zichzelf de thee in. Hij keek daarna tevreden de eetzaal van Blenheim rond. De noten- en mahoniehouten kastjes en tafels hadden de verhuizing ongeschonden overleefd. De secretaires en dressoirs die hij vanwege ruimtegebrek op zijn vorige adres in een achterkamertje in opslag had moeten houden, kwamen in de royaal bemeten eetzaal goed tot hun recht op de prachtig glanzende parketvloer. Jules liet net zijn blik glijden langs de sierlijke, koperen beeldjes, toen er aangebeld werd. Jules liep naar de voordeur. Het was Anton, die een versleten koffer droeg.
“Mag ik een paar dagen bij jou logeren?” vroeg Anton. En zonder het antwoord van Jules af te wachten ging hij met de versleten koffer in zijn hand naar binnen, naar de eetzaal. Hij plofte neer in een Chippendale stoel en zei “Marie en ik hebben ruzie.”
“Waarover?” vroeg Jules, die weer aan de rococo eettafel was gaan zitten en een zuinig slokje van zijn thee nam. Een bezorgde frons ontsierde zijn gelaat.
“We moeten een kleur kiezen voor de kozijnen in de keuken. Marie wil aquamarijn en ik wil zeegroen. We komen er niet uit!”
Het gezicht van Jules klaarde op. “Aquamarijn en zeegroen zijn precies hetzelfde,” merkte hij fijntjes op.
“Maar dan maken Marie en ik om niets ruzie!” zei Anton. “Ik ga het haar meteen vertellen.”
“Vergeet jouw koffer niet,” riep Jules hem na. Anton kwam terug om zijn versleten koffer te pakken en rende met de koffer in zijn hand naar buiten, naar het pittoreske, maar ietwat bouwvallige boerderijtje aan de rand van het dorp.
Jules dronk zijn thee op en ging aan de slag. De inrichting van Blenheim was nog niet klaar. Talloze schilderijen stonden met de doeken naar de muur op de parketvloer. Ieder exemplaar van zijn uitgebreide verzameling moest nog zijn plek krijgen aan de muren van de eetzaal, de hal, het trappenhuis en de slaapkamers op de eerste verdieping. Jules schroefde aan weerszijden van de fraai gebeeldhouwde schouw een schilderijhaakje in de muur. Op deze prominente plek hing hij de twee topstukken van zijn privécollectie. Nadat hij de schilderijen zorgvuldig aan de haakjes had bevestigd, deed hij een paar passen achteruit. Tevreden keek hij naar de twee doeken. De lichtval was subliem. Een betere plek kon hij voor zijn beide lievelingswerken niet vinden. Links van de schouw hing een romantisch sneeuwlandschap met een kerkruïne, een kale eik en een klein figuurtje dat eenzaam door de sneeuw loopt. Rechts hing, van dezelfde schilder, een golvend berglandschap waar een laagstaande herfstzon een gouden gloed aan verleent.


www.jogledor.nl

© 2015 Jogledor, P.D. de Jong 'Ariesz.'; alle rechten voorbehouden, all rights reserved