De kracht van vrolijk

en vier andere korte verhalen



Jogledor


© 2015 Jogledor, P.D. de Jong 'Ariesz.'; alle rechten voorbehouden, all rights reserved

Inhoud

De kracht van vrolijk
Rococo
De merkwaardige loopbaan van de filosoof Theodor Gottlieb
Eindspel
Mars, 2215

De kracht van vrolijk

De mooie stad Elsenburg had haar rijkdom te danken aan de gunstige ligging aan de rivier en de ijver van de bewoners. Overdag werkten de burgers hard om geld te vergaren. ‘s Nacht lagen zij wakker van de vrees het geld weer te verliezen. Keer op keer gaven ze opdracht om de stadsmuren dikker en hoger te maken en er wachttorens bij te bouwen. Hun geld verloren ze niet en de stad werd rijker en rijker, maar ze verloren wel iets anders, het vermogen om te lachen. Wie door één van drie imposante poorten de schone stad Elsenburg binnenging, vond er koopwaar, ijver en ernst in overvloed, maar nergens klonken er vrolijke stemmen of gelach door de straten, in de stegen of over de pleinen. De boeren uit de omtrek kwamen steeds minder vaak naar de stad. Zij gaven er de voorkeur aan om handel te drijven met de reizende kooplui uit het zuiden, die altijd een glimlach en een vrolijke kwinkslag paraat hadden. Dit bleef niet onopgemerkt bij de burgers van Elsenburg, die hun inkomsten zagen afnemen. Zij kwamen bijeen om de zorgwekkende toestand te bespreken.
“We hebben geld verdiend, maar onze lach verloren,” zei de oudste burger van Elsenburg. Hij was heel oud. Hij was geboren op de dag dat de laatste lacher in de stad als grijnzende grijsaard de laatste adem had uitgeblazen.
“Zonder lach blijven de boeren weg en dat kost ons geld,” zei de rijkste burger van Elsenburg. Hij was zo rijk, dat hij zelf niet meer wist hoeveel hij bezat.
“We moeten een oplossing vinden,” zei de belangrijkste burger van Elsenburg. Hij was inderdaad erg belangrijk. Hij was de burgemeester.
Na de woorden van de burgemeester spraken alle burgers door elkaar, totdat ze het er over eens waren om drie gezanten op pad te sturen, die op zoek moesten gaan om de lach te vinden en terug te brengen naar Elsenburg.
Niet lang daarna vertrokken op een regenachtige ochtend in maart de drie gezanten, ieder door een andere poort van de stad. De gezant die door de Oostpoort de stad verliet, reed op zijn paard op de oever en volgde de rivier stroomopwaarts. De gezant die bij de Westpoort aan zijn opdracht begon, ging hier aan boord van een schip, dat daarna de rivier afzakte. Door de Noordpoort ging de derde gezant te voet en hij klom langs een zigzaggend pad omhoog tegen de steile, kale rotsen, die hoog boven de rivier uit torenden.
Enkele weken later reed de gezant, die te paard door de Oostpoort was vertrokken, de stad door dezelfde poort weer binnen met naast hem een beroemd geneesheer op een wit paard. De geneesheer vroeg een honorarium van honderd goudstukken, vooruit te betalen, en nam zijn intrek in de raadzaal van het stadhuis. Dagenlang onderzocht hij de burgers van de stad, die één voor één bij hem langskwamen in de raadzaal. Hij kneep in hun dijspieren en hij prikte met zijn vinger in hun buiken. Hij kietelde met een veer over hun voetzolen en deed met zijn vingers een muisje na dat over hun ruggegraten liep. Spieren trokken zich onwillekeurig samen en er werd “Au!” geroepen, maar niemand lachte. “Merkwaardig,” zei de geneesheer, toen hij alle burgers had onderzocht. Hij stapte op zijn witte paard en reed met zijn honderd goudstukken de stad uit.
Een paar maanden later keerde de gezant terug, die stroomafwaarts was gevaren, tot aan de monding van de rivier. Hier had hij in een stad een beroemd wijsgeer gevonden, die alles wist over het wezen van de lach. Na lang aandringen en met de belofte van tweehonderd goudstukken kon de gezant de wijsgeer overhalen om met hem mee te gaan naar Elsenburg. De wijsgeer werd met eerbetoon de stad binnengehaald en hij kreeg de mooiste kamer in de duurste herberg. Drie dagen had de wijsgeer nodig om uit te rusten van de reis, daarna kwam hij gekleed in een zwarte toga naar buiten. Hij zag er geleerd uit. Op het plein voor het stadhuis klom hij op een podium en hield hij voor alle burgers van de stad een lange redevoering, waarin hij met vele ingewikkelde woorden zijn filosofie uiteen zette, die er min of meer op neer kwam, dat het doel van ieder mens is om voortreffelijk te zijn en dat een voortreffelijk mens lacht om iedere tegenspoed. Na afloop van de redevoering keken de burgers elkaar teleurgesteld aan en ze vroegen aan de wijsgeer hoe ze om hun tegenspoed konden lachen als deze tegenspoed er juist uit bestond dat ze niet konden lachen. De wijsgeer zocht naar woorden, die hij niet vond. In plaats daarvan veinsde hij een lach. Woedend over het onbegrip van de inwoners van Elsenburg stapte de wijsgeer diezelfde dag nog met zijn tweehonderd goudstukken aan boord van een schip, dat hem over de rivier terugbracht naar de stad bij de monding van de rivier.
Meer dan een jaar keken de inwoners van Elsenburg uit naar de derde gezant en ze hoopten vurig dat hij wel de lach kon vinden. Groot was dan ook de opwinding in de stad toen hij terugkeerde, niet door de Noordpoort waardoor hij vertrokken was, maar door de Oostpoort, en niet te voet, maar op een grote kar, die getrokken werd door twee muildieren. Naast hem zat een vreemdeling in bonte kleren, op het hoofd een muts met belletjes. Op de kar lag een groot vat. De vreemdeling fluisterde iets in het oor van de gezant, die daarna schaterde van de lach. Dit vonden de bewoners van de stad een goed teken. De gezant had geleerd om te lachen en misschien kon hij het ook aan hen leren. Maar wie was toch die vreemdeling in die rare kleren en met die rare muts met bellen? De burgers liepen in een lange stoet achter de kar aan, die op het plein voor het stadhuis tot stilstand kwam. De vreemdeling in de bonte kleren sprong van de kar af en liep langs de winkels op het plein. De belletjes aan zijn muts rinkelden. Hij wees naar het bord bij de ingang van de slagerij, waarop geschreven stond ‘Verboden voor honden.’ “Wat een nutteloos bord!” riep de man. “Honden kunnen niet lezen!” Alleen de gezant lachte. De menigte zoemde van het geroezemoes. Waarom had de gezant gelachen? Iedereen wist toch dat honden niet konden lezen. De vreemdeling maakte een afwerend gebaar, alsof hij bang was dat de mensen dingen naar zijn hoofd zouden gooien. Toen hij zag dat men hem enkel verbaasd aankeek, maakte hij een paar salto’s en koprollen en verstopte zich onder de kar. De gezant klom van de kar, keek tussen de wielen door naar de vreemdeling en riep lachend “Het ligt niet aan jouw grap, Dago, maar aan de mensen.” Daarna klom de gezant weer op de kar en sprak met luide stem zijn stadsgenoten toe. “Lang ben ik weggeweest, vele avonturen heb ik beleefd, maar tenslotte heb ik gevonden wat ik zocht. Kom over een uur hier terug met een drinknap, dan vertel ik jullie mijn verhaal.” Dat was alles wat de gezant wilde zeggen. De vreemdeling Dago bleef onder de kar zitten. Mopperend en teleurgesteld gingen de mensen naar huis, maar ze deden wat de gezant hen gevraagd had. Een uur later waren ze allemaal weer terug op het plein met een drinknap in hun hand. Dago zat nog steeds verstopt onder de kar. De gezant sloeg een kraantje onderin het vat op de kar en hij nodigde de mensen uit om hun drinknap te vullen. De mensen namen kleine slokjes namen van de dieprode drank, die ze nooit eerder hadden geproefd. De gezant vertelde zijn verhaal. Hij had kort na zijn vertrek een reizende koopman ontmoet, die bij alles wat hij zei hardop lachte. Hij had de koopman gevraagd waar hij had leren lachen. “Overal!” had de koopman geantwoord met een gierende lachbui. Daarna had de gezant gevraagd of hij de koopman mocht vergezellen op zijn reis. Dit vond de koopman goed, want hij kon wel hulp gebruiken om de koopwaar te sjouwen. Na veel omzwervingen en spannende ontmoetingen met rovers, ridders en soldaten van de koning, waren ze in het land van de koopman aangekomen. Nog nooit had de gezant zoveel vrolijke mensen gezien als daar. Hij besloot er te blijven totdat hij het geheim van hun lach had gevonden. De gezant onderbrak abrupt zijn verhaal en spoorde zijn toehoorders aan om nog meer drank uit het vat te nemen.
“Heb je het gevonden?” vroeg een burger.
“Wat is het geheim van de lach?” vroeg een ander.
“De drank in het vat heet wijn. In het land waar ik de lach heb gevonden, drinken de mensen er dagelijks van. Het maakt hen vrolijk.”
“Het werkt niet!” riepen de mensen. “We lachen nog steeds niet!”
“Daarom heb ik ook Dago meegenomen,” zei de gezant. “Medeburgers, ik stel aan u voor Dago, de grootste grappenmaker van het zuiden! Een luid applaus voor Dago!”
Aarzelend klapten de inwoners van Elsenburg in hun handen, maar Dago bleef onder de kar zitten.
“Kom te voorschijn!” riep de gezant.
“De mensen hier vinden mijn grappen niet leuk,” zei Dago, die deed alsof hij nog steeds beledigd was.
“Dat was meer dan een uur geleden,” zei de gezant. “Nu hebben ze wijn gedronken en ik heb ze een lang verhaal verteld.”
“Pff,” zei Dago, “Lange verhalen vertellen kan iedereen. En niemand heeft gelachen om jouw verhaal.”
“Vertel jij dan maar eens een lang verhaal. Of durf je dat niet.”
“Natuurlijk durf ik dat,” zei Dago. “Maar ik hou zelf meer van korte grollen en grappen.” Hij klom op de kar, bovenop het vat, en vroeg “Jullie houden van lange verhalen?”
Er klonk hier en daar een aarzelend “Ja” uit de menigte. Dago bracht zijn handen als schelpen achter zijn oren en vroeg “Wat zeggen jullie?”
“Ja!” klonk het nu het vele kelen. De wijn begon zijn werk te doen.
“Ik ga jullie het langste verhaal vertellen, dat ik ken,” zei Dago. “Het verhaal is zo lang, dat ik soms zelf in slaap val bij het vertellen. Als dat gebeurt, moeten jullie me wakker maken door een haan na te doen.” Dago liet zijn hoofd op zijn borst vallen en begon te snurken.
De anders zo serieuze burgers kukelukuuden er op los. Dago deed alsof hij wakker schrok en vroeg “Waar was ik gebleven?”
“Bij het begin!” riepen de mensen ongeduldig.
“Dan begin ik weer bij het begin,” zei Dago. “Al wordt het verhaal er niet korter op. Drie ongetrouwde broers wonen in een boerderij, die zij van hun ouders geërfd hebben. In de winter, als het koud is, staan zij om de beurt als eerste op om de koe te melken, het vuur aan te maken en de pap te koken. De andere twee blijven in het warme bed liggen totdat zij bij het vuur pap kunnen eten. Op een ochtend is het de beurt van de oudste broer om de klusjes te doen. Zonder zijn broers wakker te maken, staat hij stilletjes op. In de kou gaat hij met de emmer naar de koeienstal om de koe te melken. Als hij net in de stal is, hoort hij een luide kreet. Hij rent terug naar het woongedeelte. Daar ziet hij zijn jongste broer met een van pijn vertrokken gezicht rondjes door de kamer hinken. Zijn andere broer loopt er met een linnen lap achteraan. Allebei hebben ze hun nachthemd nog aan en hun slaapmuts op hun hoofd.
‘Wat is hier aan de hand?’ vraagt de oudste broer verbaasd.
‘Ik ben in mijn droom in een glasscherf gestapt!’ roept de jongste broer, terwijl hij verder hinkt.
‘Ik probeer er een verband om te leggen, maar hij blijf niet stilstaan,’ zegt de middelste broer.
‘Sukkels, uilskuikens en domoren!’ roept de oudste broer. ‘Zo iets stoms zal mij nooit gebeuren. Ik hou mijn laarzen aan in bed!’ ”
De gezant bulderde van de lach, verder was het stil op het plein. Dago keek angstig naar zijn publiek. Tot zijn opluchting zag hij op vele gezichten een voorzichtige glimlach. Hij maakte een handstand op het wijnvat, kwam weer overeind. Hij haalde diep adem en waagde zich aan een scherpere grap.
“Een oude vrijster wordt tijdens een feestmaal gevraagd naar haar leeftijd. Zij antwoordt ‘Ik ben veertig.’ Als de andere vrouwelijke gasten hier met ongeloof op reageren en één van hen haar zelfs voor leugenaarster uitmaakt, zoekt de oude vrijster steun bij haar oom, die magistraat is. De oude man neemt een slok van zijn wijn, strijkt peinzend met zijn hand door zijn grijze baard en zegt op plechtige toon ‘Het spreekt in het voordeel van de beklaagde dat zij de afgelopen tien jaar nooit is teruggekomen op haar getuigenis omtrent haar leeftijd, waarvan ik bovendien indertijd de juistheid heb kunnen vaststellen.’ ”
De gezant was nu niet meer de enige die bulderde, bijna alle mannen hielden hem gezelschap. Er lachten maar weinig vrouwen en geen enkele magistraat. Dago maakte een buiging. Zijn publiek was nu rijp voor de ondeugende spitsvondigheden, die zijn specialiteit waren.
“Een jongedame staat op het punt om naar de kermis te gaan. Zij wordt door haar moeder ernstig toegesproken.
‘Je moet je kuisheid bewaken alsof het je kostbaarste sieraden zijn,’ zegt de moeder, waarop het meisje antwoordt ‘Maar van mijn sieradenkistje heeft niet iedere man het sleuteltje!’ ”
Vrouwen gierden van de lach, al snel gevolgd door de mannen, die iets langer nodig hadden om de grap te begrijpen en de noodzaak om er om te lachen. Zelfs de magistraten van de stad lieten in een vrolijke grijns hun tanden zien.
Zo vonden de inwoners van Elsenburg de lach terug. Ze tapten wijn uit het vat en Dago tapte moppen. De voorraad grappen van Dago was onuitputtelijk, maar het wijnvat raakte leeg.
De gezant werd er weer op uitgestuurd om nieuwe wijn te halen. Hij kwam terug met vijf grote karren. Vier karren waren beladen met volle vaten, de vijfde met druivenstokken. De steile, kale hellingen bij de stad werden groen van de wijngaarden. Iedereen hielp bij de oogst en de meisjes persten de druiven met hun blote voeten uit in grote tobben, terwijl ze de zoom van hun rokken in hun handen hielden. De burgers van Elsenbrug lachten alsof zij het nooit verleerd waren. Ze lachten om de grappen van Dago, maar ook om een jong katje dat met een kluwen wol speelde, om een ezel die koppig stil bleef staan, om de oude echtgenoot die door zijn jonge vrouw de hoorntjes kreeg opgezet, om de minnaar die in plaats van in het bed van zijn geliefde op de mesthoop belandde.
Ieder jaar werden meer hellingen met wijnstokken beplant. De wijn uit Elsenburg werd wijd en zijd beroemd. Er kon over getwist worden welke beter was, de rode of de witte, maar dat alle wijn uit Elsenburg voortreffelijk smaakte, daar was iedereen het over eens. De boeren kwamen weer in grote getale naar de stad, minder voor de koopwaar en meer voor de wijn. De rijkdom van Elsenburg werd groter dan ooit tevoren. Natuurlijk veroorzaakte dit jaloezie in andere steden langs de rivier, waar kwade tongen beweerden dat deze rijkdom eerder te danken was aan tovenarij dan aan ijver en ernst. Een beetje gelijk hadden deze kwade tongen wel, want de ijver en de ernst was soms ver te zoeken in Elsenburg, maar wat de goede burgers aan ijver en ernst verloren, dat kregen ze er dubbel en dwars aan vrolijkheid voor terug. Tenslotte deden de inwoners van de andere steden dat wat de kwade tongen deed verstommen en de jaloezie deed verdwijnen. Ze volgden het voorbeeld van Elsenburg. Ze plantten wijnstokken aan op de heuvels rond hun stadsmuren en ze namen collega’s van Dago in dienst. De oogsten waren overvloedig en zoveel wijn stroomde er door de kelen, dat niemand meer jaloers was, of het moest de riviergod zijn geweest, voor wiens water men voortaan zijn neus ophaalde.



Rococo

Binnen de muren van iedere vesting schuilt een verrader, in het huwelijk van de markies en de markiezin de F. waren er twee, de markies en de markiezin. Losbandig en vol overgave vereerden zij Venus, maar sinds de eerste weken van hun huwelijk verstreken waren, offerden zij niet op hetzelfde altaar. De markies en de markiezin volgden de mode op de voet. Buiten dat en buiten de liefde kon weinig hen bekoren, de hertenjacht noch de schone kunsten. Toch waren de markies en de markiezin niet vervuld van verveling toen zij naast elkaar gezeten in de door honderden kaarsen verlichte, rijkelijk met verguld stucco versierde balzaal van het kasteel van de hertog de C. de schijn ophielden vol aandacht te luisteren naar de uitvoering van de cantate Les amants trahis. Van hun zintuigen werd niet het gehoor, maar het gezichtsvermogen het meest geprikkeld. Het maakte weinig indruk op de markies en de markiezin dat vanachter de openstaande klep en boven de met kleurrijke miniatuurlandschappen beschilderde kast van het klavecimbel zo nu en dan de grijze pruik en de haakneus van de gevierde componist R. zelf te zien was. De markies werd geheel in beslag genomen door bevallige verschijning van de vertolkster van de haut-contre stem, het huwbare nichtje van de hertog de C. Geen beweging van haar frambozenrode lippen ontging hem, geen trilling van haar gracieuze hals. Tijdens de korte pauzes in haar engelachtige, heldere zang zoog zij haar longen vol en haar blanke boezem welfde omhoog boven de met kant afgezette rand van haar blauwe, zijden jurk. De markiezin was een en al oog voor de jonkheer de M., die met een komische mimiek de basse-taille stem zong. Zijn natuurlijke, blonde lokken vielen in overdadige weelde krullend op zijn schouders. Eindeloos leek de parelende muziek voort te kabbelen als het heldere, nimmer aflatende klateren en bubbelen van een onuitputtelijke bron. De markiezin wierp de zingende jonkheer de M. smachtende blikken toe, half vanachter haar waaier. De hele dag had zij met de jonge man gekoketteerd. Tijdens het uitgebreide diner had ze naast hem gezeten en na een kortstondige belegering had zij zijn jonge hart overrompeld. De jonkheer de M. had in haar oor gefluisterd dat hij zonder haar de nacht niet kon overleven. De markiezin had in zijn oor gefluisterd dat hij welkom was in haar boudoir. De markies liet zijn gedachten tijdens zijn begerig begluren van het nichtje van de hertog minder door de feiten leiden. Hij liet zijn fantasie de vrije teugels. In zijn verbeelding zag hij de jonge vrouw midden in het bos op een schommel zitten, die steeds hoger zwaaide, totdat zij ervan af sprong en hij haar in zijn armen ving. Zij wrong zich uit zijn greep, waarbij haar jurk scheurde, en half ontkleed vluchtte zij lachend voor hem weg. Als een sater achtervolgde hij zijn nimf, tot zij zich gewillig neer vleide op het mos langs de rivier. Het applaus onderbrak zijn mijmeringen. Hij spoedde zich naar voren om de jonge zangeres te overladen met loftuitingen. Hij viel voor haar voeten neer, tot vermaak van de omstanders. De meesten van hen kenden de reputatie van de markies en sommige adellijke dames meer dan dat. Hij bracht met een theatraal gebaar zijn witte, kanten zakdoek naar zijn ooghoeken en vertelde zijn prooi met een stem vol overdreven emotie hoe de schoonheid van haar stem hem in zijn hart en ziel geraakt had. De jonge vrouw reikte hem haar hand, die hij kuste. Het nichtje van de hertog de C. nam de complimenten verleidelijk lachend in ontvangst en zij gunde hem de eer van de eerste dans. Een dozijn lakeien had in een oogwenk de stoelen opzij geschoven en de dansvloer vrij gemaakt. Andere muzikanten hadden plaatsgenomen naast het klavecimbel en op de eerste tonen van een sarabande leidde de markies zijn dame naar de dansvloer. Vanuit een ooghoek zag hij de markiezin met de jonkheer de M. dansen. Tijdens de tweede dans, een snelle gigue, kon hij de jonge vrouw nog voor zichzelf houden. Daarna volgde een korte pauze waarin zij als danspartner overging naar haar oom, de hertog de C., voor een passepied. De markies danste met de hertogin de C., die hem meermalen het dubieuze compliment gaf dat zij de elegantie bewonderde van de danspassen van de markiezin samen met de jonkheer de M. Na de passepied speelden de muzikanten een menuet. Tot opluchting van de markies wisselde de hertogin de C. van danspartner. De markies stond aan de rand van de dansvloer en hij speurde de balzaal af naar het nichtje van de hertog de C.. Zij danste met de jonkheer de M.. De markiezin had als partner graaf S. De aandacht van de markies werd van de dansvloer afgeleid door baron G., die hem onderdanig en langdradig aan zijn hoofd zeurde om een lucratief baantje voor zijn zoon. Het duurde lange minuten voor het de markies gelukt was om van de baron af te komen. De markiezin danste ondertussen weer met de jonkheer de M. en het nichtje van de hertog de C. met graaf S. De markies lachte binnensmonds. Het was algemeen bekend dat graaf S. het liefst met de jonkheer de M. wilde dansen. Voor de afsluitende dans, een sarabande, kwam het nichtje van de hertog de C. recht op de markies afgelopen, andere gegadigde dansers minzaam glimlachend afwijzend. De markies zag tussen de dansende paren door hoe de jonkheer de M. iets in het oor van de markiezin fluisterde, waarna de markiezin koket haar waaier voor haar mond bracht. Al kon de markies er onmogelijk iets van verstaan, hij wist met zekerheid dat de markiezin haar jonge minnaar in haar boudoir uitnodigde. Prima. Zijn echtgenote zou hem niet voor de voeten lopen. Hij had zijn handen vrij om het nichtje van de hertog de C. het hof te maken. Aan het einde van de sarabande fluisterde de jonge vrouw hem zachtjes vanachter haar waaier toe “Om twaalf uur in de grotto, ik smacht naar u,” waarna ze snel van hem wegliep, de balzaal uit. Vol zelfgenoegzaamheid liep de markies door de openstaande deuren het terras op, de zomeravond in. Zijn onweerstaanbare charmes hadden weer hun werk gedaan. Tussen de mensen op het terras zag hij baron G. tegen de balustrade leunen. De markies deed alsof hij hem niet gezien had en ging snel naar binnen, naar de kaartzaal. Hier slenterde hij rond. De kaartspelers lieten hem met rust. Ze waren in de ban van vrouwe Fortuna, die met het schudden en delen van de speelkaarten grote sommen geld en waardevolle onderpanden van eigenaar deed wisselen. De minuten gleden langzaam voorbij op de wijzerplaat van het kostbare horloge van de markies. Even voor twaalf uur haastte hij door de paleistuin naar de plek van de rendez-vouz, de grotto, de manshoge, maar ondiepe kunstmatige grot achter de paleisvijver. In het maanlicht vormden de paden tussen de geometrische patronen van de bloembedden een verwarrend doolhof. De markies liep om de glinsterende vijver. Een straal maanlicht scheen recht in de grotto, op een slank vrouwenfiguur in een donkere mantel met de kap over haar hoofd. Nog slechts enkele passen was de markies van haar verwijderd. “Mijn geliefde,” fluisterde hij en hij strekte zijn armen begerig naar haar uit. Op dat moment klonk door de openstaande deuren van de balzaal ijl de heldere zangstem van het nichtje van de hertog de C., begeleid door het klavecimbel. “Wie ben jij?” vroeg de markies verschrikt aan de vrouw in de grotto. De vrouw sloeg haar kap achterover. Het was de markiezin. “Ik ben jouw geliefde, zoals je zelf al zei” antwoordde zij. “En er lijkt vannacht niet veel anders voor ons op te zitten,” zei ze teleurgesteld terwijl zich bij de tonen van de jonge vrouw en het klavecimbel vanuit de balzaal de warme zangstem van de jonkheer de M. voegde.
“Dat wicht!” riep de markies. “Ik ben bedrogen!”
“En mij is hetzelfde lot toebedeeld door die behaarde jonker,” zei de markiezin.
“Wij zullen het mikpunt zijn van spot!” riep de markies vertwijfeld.
“Niet noodzakelijk,” zei markiezin. “Wij kunnen altijd nog de bedriegers bedriegen.”
“Hoe dan?” vroeg de graaf.
“Reeds door anderen bedrogen, hoeven wij voor één nacht elkaar niet te bedriegen.” De markiezin liet haar mantel van haar schouder glijden. De markies kuste haar decolleté.
Verandering van spijs doet eten en de markies en de markiezin hadden in jaren niet meer van elkaar geproefd. Toen het nichtje van de hertog de C. en de jonkheer de M. hand in hand langs de grotto liepen, zaten de markies en de markiezin er nog altijd op de marmeren bank, innig verstrengeld in een hartstochtelijk omhelzing.



De merkwaardige loopbaan van de filosoof Theodor Gottlieb

1. Succes

Ingespannen tuurde de student Theodor Gottlieb in zijn boeken bij het spaarzame licht van een kaars. De nacht vorderde. Zijn ogen vielen dicht en zijn hoofd omlaag. De eerste zonnestralen, die door het kleine dakraam naar binnen vielen, vonden hem met kleren aan slapend in zijn stoel met een opengeslagen boek voor hem op de tafel als hoofdkussen. Hij werd wakker van het felle licht, keek naar buiten over de daken van de stad en zag de jubelende voorjaarsochtend. Hij probeerde verder te lezen, maar de letters dansten voor zijn ogen. Met een driftig gebaar schoof hij de boeken opzij, zodat zij op de grond tuimelden. Hij stond op, trok zijn jas aan en stak wat eten in zijn zakken. Met twee treden tegelijk rende hij de trappen af. Hij beende door de straten naar de rand van de stad. Hier zoog hij zijn longen vol met lucht. Hij liep door bloeiende boomgaarden, zwierf over malse weiden, doolde door het voorjaarswoud langs smalle, kronkelende paden. Vlak voor het middaguur bereikte Theodor een open plek in het woud, een lichtgroene weide bezaaid met kleine, gele bloemen. Door het midden van de weide stroomde een smalle, heldere beek van bosrand naar bosrand. Naast de beek zag hij een grote steen, een meter in doorsnee en een meter hoog, met een door mensenhanden afgevlakte bovenkant, als een altaar waar ooit offers op werden gebracht. De steen was verweerd en begroeid met grauwgrijze cirkels van korstmos. De ouderdom van de steen moest enorm zijn, duizenden jaren en nog meer. Theodor raakte de steen aan. Een vreemde siddering deed hem zijn hand weer terugtrekken. Plotseling voelde hij zich moe en hongerig. Op enkele meters afstand van de grote steen ging hij op de oever van de beek in het gras zitten. Hij at en rustte. Hij strekte zich uit in de zon en keek naar de blauwe lucht, waardoor langzaam kleine, witte wolken dreven. Een fitis lispelde een lijzig liedje en de beek klaterde. Theodor kreeg de gedachte dat hij niet omhoog keek, maar omlaag in de diepte van de oceaan en dat de wolken trage, kogelronde vissen waren. Zijn oogleden werden zwaar. Hij hoorde fluitmuziek, eerst zacht en vaag, daarna steeds helderder. Hij richtte zich overeind en keek om zich heen. Op de verweerde steen zat een man zonder kleren, maar zo behaard over zijn hele lichaam en gezicht dat geen plekje van zijn huid onbedekt was. Zijn voeten hadden de vorm van hoeven. Hij blies op een fluit. Zijn vlugge vingers leken nog sneller te bewegen dan de opeenvolging van de tonen. De haren op zijn gezicht waren korter en grijzer dan op zijn gespierde lichaam, behalve op zijn kin, waar de grijze haren een sik vormden. Zijn geelbruine ogen met horizontale, spleetvormige pupillen straalden tegelijkertijd hoge ouderdom en eeuwige jeugd uit. In het gras voor de steen zaten vijf jonge vrouwen met kransen van kleine, gele bloemen in hun haren. Hun witte, wijde gewaden lieten hun schouders bloot en waren doorschijnend in de zon. De behaarde man op de steen hield op met spelen en keek Theodor scherp aan met zijn ondoorgrondelijke ogen.
“Ik ben de Grote God Pan,” sprak hij. “Waarom ben je hier gekomen? Wat verlang je?
“Ik wil succes,” antwoordde Theodor tot zijn eigen verbazing.
“Mijn vijf zusters zullen je het leren,” sprak Pan.
Eén van de vijf jonge vrouwen stond op en sprak met een gebiedende, diepe stem. “Onthoud de kracht van Spreuken. Woorden worden waarheid, ze roepen hun betekenis op. Herhaal voortdurend hardop voor jezelf wat je wenst en je zult het krijgen. Richt jouw gedachten alleen op jouw succes. Aan alles wat bestaat, is een woord, een gedachte, een Spreuk vooraf gegaan. Het hele Universum is ontstaan uit één woord, één Spreuk.”
De vrouw naast haar stond op. Ze had een aantrekkelijk gezicht. Het was voor Theodor aangenaam om naar haar te kijken. Haar stem klonk zuiver en helder als bergkristal. “Onthoud de kracht van Uiterlijkheden. Toon je altijd krachtig en zelfverzekerd, alsof je het succes al hebt bereikt. Als de mensen zien dat je succesvol bent, zullen ze je helpen om het ook daadwerkelijk te worden. Het Uiterlijk van het Universum is alles wat de mensen zien.”
De derde vrouw stond op. Haar symmetrische gezicht trok Theodor onweerstaanbaar aan, maar tegelijkertijd beangstigde het hem. “Onthoud de kracht van Perfectie,” sprak zij met een ritmische stem. “Streef naar Volmaaktheid in wat je doet. Perfectie is het doel van al het leven en alle materie. Het hele Universum streeft naar Volmaaktheid.”
De vierde vrouw stond op. Zij was langer dan de drie zusters die reeds naast haar stonden. Lang, glanzend haar viel langs haar schouders omlaag. Rustig sprak ze, bedaard en zelfverzekerd. “Onthoud de kracht van Ervaring. Leer van tegenslagen. Durf altijd opnieuw te beginnen, want iedere nieuwe start ben je wijzer en krachtiger. Alles in het Universum is Ervaring, het resultaat van oneindig lang uitproberen en opnieuw beginnen.”
De laatste jonge vrouw stond op. Haar gezicht straalde. Theodor voelde een warme gloed als hij naar haar keek. “Onthoud de kracht van Optimisme. Heb een onwankelbaar vertrouwen in een goede afloop. De zon schijnt ook als jij het niet ziet. Zonder Optimisme is succes onmogelijk. Optimisme is de grootste kracht in het Universum, het houdt het Universum bij elkaar. Zonder Optimisme komt het Universum tot stilstand, valt het in een oneindig aantal onsamenhangende deeltjes uiteen.”
Theodor keek naar de Grote God Pan, die met zijn benen opgevouwen en de fluit in zijn handen op de steen zat. “Wat kan ik van u leren, Grote God Pan?”
“Leren!” zei de Grote God Pan spottend. Hij lachte en speelde een snelle toonladder op zijn fluit. “Ik ben de Grote God Pan. Ik ben het leven. Meer is er niet te leren.” Hij sprong van de steen, zette de fluit aan zijn mond en huppelde met vreemde sprongen het weiland over naar de bosrand. De vijf jonge vrouwen pakten elkaars hand en dansten lachend achter de muziek aan. Hun wijde, witte gewaden wapperden om hen heen. Door de lichte stof heen zag Theodor de bevallige bewegingen van hun soepele lichamen. Hand in hand verdwenen de vrouwen in het bos. Zij gleden als een kronkelend, wit lint tussen de donkere stammen van het woud. Theodor luisterde lange tijd aandachtig hoe het geluid langzaam wegstierf. In de verte hoorde hij nog heel zachtjes fluitmuziek en lachende vrouwenstemmen. Met de wijsvinger van zijn rechterhand ging hij de vingers van zijn linkerhand af, alsof hij tot vijf telde, daarbij hardop tegen zichzelf sprekend “Spreuken, Uiterlijkheden, Perfectie, Ervaring, Optimisme.” Hij stond op en liep hoopvol terug naar de stad.

2. Schoonheid

De befaamde hoogleraar wijsbegeerte Theodor Gottlieb staarde langs de houten wandpanelen van zijn sombere werkkamer door de hoge ramen naar de statige gebouwen van de universiteit, waarop een door vuile dampen gefilterd, kleurloos zonlicht viel. Stampvol waren de collegezalen als hij achter de katheder stond. In vele landen werden zijn boeken vertaald en gedrukt. Zijn boodschap, dat Vooruitgang een klaarblijkelijke wetmatigheid is in het Universum, gaf vele mensen kracht en de hoop, dat ook zij ooit hun aandeel kregen in de opbrengsten van de fabrieken, die overal rond de oude steden verrezen en die met hun zwarte en gele rook de straten vulden en de huizen omhulden. “Schoonheid in de Kunst,” mompelde hij cynisch in zichzelf. Op het grote, notenhouten bureau voor hem lag een opengevouwen brief met het zegel van een rivaliserende universiteit. Het was een uitnodiging om een gastcollege te geven. Zodra hij het voorgeschreven onderwerp had gelezen, wist hij dat het een valstrik was. Over de Schoonheid in de Kunst moest hij spreken, terwijl hij zich altijd verre had gehouden van een wijsgerige mening over de aard en het nut van de Schone Kunsten. Dat was algemeen bekend. De uitnodiging afwijzen was bij voorbaat een nederlaag. De toegeworpen handschoen oprapen droeg het gevaar van een nog grotere nederlaag in zich. Theodor borg de brief op in een lade van zijn bureau en verliet zijn werkkamer. Buiten werd hij overvallen door een drukkende hitte en een weeë geur van zwavel. Met moeite haalde hij adem. Hij liep naar het Museum, dat minder dan een jaar ervoor geopend was en dat hij nog niet eerder bezocht had. Binnen in het pompeuze gebouw was de atmosfeer even bedompt als buiten. De zaal met onherkenbaar gehavende archeologische vondsten sloeg hij over. Snel liep hij door de zalen met portretten. Het waren in zijn ogen vlakke afbeeldingen, de meeste geschilderd met als doel om de opdrachtgever te behagen. Theodor stond zichzelf al jaren niet meer toe om hartstocht te verwarren met schoonheid. In het menselijk gelaat zag hij dan ook weinig moois. Bij een drieluik met heiligen en engelen bleef Theodor wat langer staan. Hier had de kunstenaar geprobeerd om een zuivere, bovenaardse schoonheid aan de gezichten te geven. Het resultaat vond Theodor te onecht, te gekunsteld. De landschappen bekeek hij één voor één. Het viel hem op, dat er op de landschappen en vergezichten altijd mensen stonden en meestal ook door mensenhanden vervaardigde zaken. Geen berglandschap zonder ruïne, geen zeegezicht zonder schip. De hang naar het pittoreske beschouwde Theodor als een uiting van de burgerlijke bekrompenheid, dat de aarde geschapen was ten dienste van de mens, dat de mens het middelpunt van de schepping was. Zelf hing hij de nieuwste wetenschappelijke inzichten aan. De wereld bestond reeds vele miljoenen jaren voor de komst van Homo sapiens en vele miljoenen jaren zal de aarde nog bestaan na het uitsterven van deze denkende diersoort. Langer in het Museum blijven was tijdverspilling. Als hij in de kunst geen ware schoonheid kon ontdekken, hoe kon hij dan een lezing houden over de Schoonheid in de Kunst? Thuisgekomen nuttigde Theodor een vroeg avondmaal en hij benutte de lange zomeravond voor een zwerftocht rond de stad. In gedachten verzonken bereikte hij de rand van het woud. De zon stond nog maar twee duimen boven de horizon en hij wilde rechtsomkeert maken, maar uit de diepte van het woud klonk zachte fluitmuziek. Theodor herinnerde zich die voorjaarsdag twintig jaar geleden en hij kon geen weerstand bieden aan de lokroep van de woudgod. Hij liep recht op de fluitmuziek af, die langzaamaan luider klonk. Bij de open plek zag hij de oude steen naast de beek. Op de steen zat de Grote God Pan met zijn benen onder zich gevouwen en de fluit aan zijn lippen. De fluitmuziek klonk betoverend mooi. In samenklank met de merels en de lijsters in de toppen van de eeuwenoude eiken vormden zich wonderbaarlijke akkoorden. Diep ontroerd stond Theodor te luisteren, totdat de Grote God Pan de fluit van zijn lippen nam en hem aankeek met zijn geelbruine ogen met horizontale, spleetvormige pupillen.
“Waarom ben jij hier opnieuw gekomen?” vroeg de Grote God Pan.
“Ik wil weten wat schoonheid is,” antwoordde Theodor.
“Kijk om je heen, overal is schoonheid,” zei de Grote God Pan.
De laatste zonnestralen vielen op zijn behaarde gezicht. Theodor keek om en zag een rode zon achter de boomtoppen zakken. Roerloos zat de Grote God Pan op de steen in de schemering. Theodor ging aan zijn voeten zitten. In het westen doofde langzaam de dag. Aan de oostelijke hemel fonkelde een eerste heldere ster. Een bijna volle maan kwam op. Iedere grasspriet op de open plek leek van zilver. Dauwdruppels schitterden als diamanten. De bosrand leek ver weg en tegelijkertijd zo dichtbij, alsof Theodor de takken van de bomen aan kon raken, alsof hij de zilveren bladen kon strelen. Wolken als hooggebergten bolden op aan de maanverlichte hemel, totdat de hele lucht zwart was en de maan verdween. Het gedonder van een zomeronweer kwam langzaam dichterbij. Flitsen schoten door de lucht en verlichtten het woud. Eén, twee druppels vielen op de hoed van Theodor, gevolgd door een korte bui. De wolken schoven verder en de maan kwam weer tevoorschijn. In de warme zomernacht steeg damp op van het natte gras. Twee hinden kwamen drinken bij de beek. Als witte eenhoorns zweefden zij door de lage nevelslierten. Een vleermuis joeg fladderend achter nachtvlinders aan. Zo nu en dan klonk gekraak van twijgen in het woud. De Grote God Pan zat roerloos op de steen. Theodor zag de maan stijgen en dalen. Hij zag de sterren boven zich draaien, totdat een rode gloed in het oosten het einde aankondigde van de korte zomernacht. De zon kwam op. De steen was leeg. Nog even liet Theodor zijn bedauwde kleren drogen in de zon. Voor het ontbijt was hij thuis, terug in de stad. Niemand had hem die nacht gemist.

3. Soelaas

Verbitterd keek de hoogleraar in ruste Theodor Gottlieb naar de vlammen van het haardvuur. Een ontbijt stond onaangeroerd naast hem op een lage tafel. Zijn linkerhand gleed over zijn kale schedel en daarna door zijn lange, grijze baard. Het kon geen toeval zijn, dat zijn afscheidsrede de dag ervoor was samengevallen met het hoorcollege van de pas aangestelde en uitermate populaire hoogleraar in de Logica. Een handvol studenten zat er bij hem in de zaal. Na zijn openingswoorden waren ze luidruchtig vertrokken. Ze hadden zich in het zaalnummer vergist. Vergeten waren zijn eens zo gezaghebbende denkbeelden, vervlogen was zijn vermaardheid. De enige brieven die hij nog kreeg, waren afkomstig van dankbare bewonderaars van zijn boek ‘Schoonheid in de Natuur’, dat hij voor het grote publiek had geschreven en een zijstap in zijn loopbaan was geweest. Langzaam raakte hij vervuld van een afkeer van zijn nutteloze bestaan. Hij stond op uit zijn stoel bij de warme haard en liep naar de koude, tochtige hal. Hij trok zijn zware, zwarte winterjas aan, zette zijn hoge hoed op, opende de eikenhouten voordeur en stapte naar buiten, in de vuilgele sneeuw. Een open huurkoets reed hem door de straten. Hij zag een in lompen gehulde man achter een gammele handkar, waarop schamele bezittingen lagen. Naast de man liep een vrouw. Twee kleine kinderen hielden zich vast aan haar versleten rokken. Hun gezichten waren verkrampt van de honger en de kou. Wie de huur niet kon betalen werd op straat gezet. Zo waren de regels in de stad. Theodor huiverde. In deze strenge vorst kon niemand de nacht buiten overleven. Hij trok het reisdeken van de koets over zich heen. Hij liet de koets rijden voorbij de fabrieken, totdat de koetsier weigerde verder te gaan over de ongeruimde landwegen. Theodor betaalde en stapte uit.
Vanaf de laatste treeplank landde hij in de enkeldiepe, vuile sneeuw. Onder de mistige, grijze lucht ploeterde hij verder in de richting, waar hij wist dat het woud lag. Bij de bosrand was de sneeuw zuiver wit. Een duidelijk spoor van hoeven liep het woud in. Theodor volgde het spoor. Onder de bomen lag de sneeuw minder dik en kwam hij snel vooruit. In het woud heerste de stilte van de winter. Het kraken van de sneeuw onder zijn schoenen was het enige geluid. Het spoor van hoeven slingerde om boomstammen en rotspartijen, kwam tenslotte bij een nevelige open plek, liep langs de bevroren beek en eindigde bij de oude steen, die zwart boven de witte sneeuw uitstak. Op de oude steen zat de Grote God Pan, stijf bevroren. Zijn vacht was grijs van een dikke laag rijp. Aan zijn sik hing een ijspegel. Alleen uit de geelbruine ogen met de horizontale, spleetvormige pupillen straalde een zwak leven. Langzaam volgde de ogen de bewegingen van Theodor, die zich door de opgewaaide sneeuw een weg baande naar de steen. Een diep verwijt sprak uit de dierlijke ogen van de Grote God Pan en des te dichter Theodor de steen naderde, des te duidelijker zag hij het verwijt. De Grote God Pan verroerde zich niet. Hij zat stijf bevroren op de steen. Theodoor kon het zwijgende verwijt niet langer verdragen. Hij keerde de Grote God Pan en de oude steen de rug toe en sjokte over de open plek terug naar de bosrand. Hij voelde hoe de verwijtende ogen van de Grote God Pan hem nakeken. Als een kromgebogen, zwarte schim volgde de oude Theodor het spoor door de witte sneeuw terug het woud uit. Halverwege de middag bereikte hij de fabrieken aan de rand van de stad. Hier stonden geen huurkoetsen te wachten en hij moest over de rechte, efficiënte wegen langs de fabrieken lopen. Voor de poorten van de fabrieken stonden lange rijen in lompen geklede mensen wanhopig te wachten op werk. Hun adem bevroor voor hun gezicht in de lucht. Ze stampten met hun voeten om warm te blijven. Het was in de stad verboden om vuren op straat te maken. Bij iedere fabriekspoort hield een agent toezicht. Pas voorbij de oude stadspoort vond Theodor een huurkoets. Hij stapte in en gaf zijn adres op aan de koetsier. De zweep klakte en krakend kwam de open koets in beweging. Halverwege de rit naar zijn huis zag hij weer de man achter de handkar doelloos door de straten lopen. De vrouw droeg één kind in haar armen, het andere kind lag onder een deken vol gaten op de kar en huilde. Theodor riep naar de koetsier om halt te houden. Piepend kwam de koets tot stilstand. Vanuit de open koets zei Theodor haastig iets tegen de man met de handkar. Daarna gaf hij de koetsier een ander adres op en maande hem tot grote spoed. De koetsier liet zijn paarden draven langs de statige gebouwen van de universiteit en hield halt voor de ingang van het kantoor van de Rector. Theodor betaalde de koetsier, stapte uit, rechte zijn rug en ging naar binnen. Die avond opende de universiteit haar deuren en werden de haardvuren in de collegezalen hoog opgestookt. Zolang de vorst aanhield, hoefde niemand in de stad de nacht door te brengen in de vrieskou. Studenten deelden kommen warm eten uit, die door gretige kinderhanden werden aangegrepen. Theodor Gottlieb had zijn overredingskracht nog niet verloren. Op de binnenplaats van zijn huis stond een gammele handkar. In de behaaglijk verwarmde eetkamer deelde hij zijn avondeten met een gezin, dat niet langer meer in lompen was gehuld.



Eindspel


“Vivian, is het niet gevaarlijk voor ons kindje?”
“Natuurlijk niet, Stijn. We doen het toch rustig aan? Kom nu maar! Het is misschien wel onze laatste kans in maanden om samen te zijn. Over een uur moet ik weer thuis zijn. Je weet wat er op het spel staat.”
De jonge vrouw strekte zich naakt uit op het bed. De huid van haar borsten en buik zat strak getrokken over de onmiskenbare rondingen van een gevorderde zwangerschap.

Het was even voor achten op een schitterende donderdagavond in juni. Max fietste door de duinen naar de mondaine badplaats, die net zoals de meeste luxe lustoorden aan zee in de laatste honderd jaar was uitgegroeid van een schilderachtig en straatarm vissersdorp tot een rommelige verzameling hotels, villa’s en hoge appartementencomplexen aan een fantasieloze betonnen boulevard. Het duurde nog zeker twee uur voordat de zon langzaam achter de horizon verdween. Met de milde avondzon en een koel briesje op zijn jeugdige gezicht reed Max richting zee. Geamuseerd keek hij naar de duinkonijntjes die links en rechts langs het fietspad huppelden met hun witte staartjes ondeugend omhoog, en hij luisterde naar het schelle gezang van de nachtegalen in de frisgroene meidoornboompjes. Hij was op weg naar zijn tante Rosa, die hem leerde schaken. Tante Rosa had haar hele leven gedaan waar ze zelf zin in had, bubbelbaden vol met geld verdiend en er een onafzienbare rij minnaars op nagehouden. Haar minnaars waren al jaren verleden tijd en tante Rosa woonde nu als een respectabele alleenstaande dame op meer dan middelbare leeftijd in een riant appartement met uitzicht op zee.
Ontspannen fietste Max tussen de vrolijk huppelende duinkonijntjes en de luid zingende nachtegalen naar zijn tante, die hem kort ervoor had gebeld met het dringende verzoek of hij diezelfde avond nog langs wilde komen voor een extra schaakles. Ze wilde hem raadplegen, gebruik maken van zijn paranormale gave. Max was helderschakend. Sommige mensen zijn helderziend, andere heldervoelend of helderhorend. Ook helderruikend komt wel voor. Max was helderschakend. Zijn paragnostische vaardigheid openbaarde zich als hij zich vol overgave aan het schaakspel wijdde. Niemand kende zijn gave, behalve zijn tante. Ze had het ontdekt tijdens de schaaklessen.

“Ha, daar ben je eindelijk Maximiliaan, kom naar boven!” zei tante Rosa door de intercom van het appartementencomplex nadat Max op haar bel bij de gemeenschappelijke voordeur had gedrukt. Zijn tante was de enige persoon op de hele wereld, die hem met zijn volledige voornaam aanspraak. Het elektrische slot zoemde en Max duwde de deur open. Hij liep door de hal naar de gereedstaande lift en zoefde naar de bovenste etage, waar de liftdeur midden in de hal van het luxe penthouse opende. Hij liep naar de zitkamer, die zo groot was als een balzaal. De schuifdeuren naar het dakterras stonden open. De gordijnen bewogen zachtjes op en neer in de wind. Max herkende het grijze kapsel van zijn tante. Tegenover haar zaten op een bank voor de openstaande schuifdeuren twee mensen, waarvan hij alleen de contouren zag met als achtergrond de zee en de laagstaande zon. Max kuste zijn tante op beide wangen en ging zitten op de met donkerbruin leer beklede draaistoel waarop hij altijd zat als hij schaakles kreeg. Links van hem zat zijn tante en rechts de twee onbekenden. Tante Rosa schonk thee in het porseleinen kopje dat al voor hem klaar stond op de antieke mahoniehouten tafel naast hem. De tafel was in het midden ingelegd met vierenzestig vierkanten van zwart ebbenhout of vergeeld ivoor, die samen een schaakbord vormden. Max ogen wenden aan het felle licht van de laagstaande zon en hij zag rechts van zich twee goed verzorgde vrouwen. Aan hun kleding en haardracht te oordelen, hoefden ze niet op het kleingeld te letten. De één had blond haar, de andere donkerbruin. Op het eerste gezicht leken ze een stuk jonger dan tante Rosa, maar al gauw keek Max door de schijn van haarverf, make-up en plastische chirurgie heen. Hij schatte hen even oud als zijn grijze tante. De vrouwen keken hem ernstig aan alsof ze iets van hem verwachtten. Met de onverschilligheid van een middelbare scholier negeerde Max hun blikken en vroeg aan zijn tante “Zal ik de stukken neerzetten?” Zijn tante knikte instemmend. “Vanavond nemen we een situatie in het eindspel door. Wit speelt met twee koninginnen en een raadsheer. Zwart heeft alleen nog maar één paard. Wit is aan zet. Ondanks de overmacht lukt het wit niet om zwart schaak te zetten, laat staan schaakmat.” Max opende een laatje onder het tafelblad, rommelde er in en haalde twee witte koningen tevoorschijn, die hij op willekeurige velden op het schaakbord plaatste.
“Maximiliaan, de twee witte koninginnen stellen de dames voor, die rechts van jou zitten, en die jij nog niet de beleefdheid hebt getoond om ze te groeten!” zei tante Rosa enigszins vermanend. Direct stond hij op uit de draaistoel.
“Max,” zei hij en hij gaf de vrouw met het blond geverfde haar een hand.
Zij beantwoordde zijn begroeting met een minzaam en kortaf “Thérèse.”
De dame met donkerbruin haar was vriendelijker. “Mijn naam is Marie, ik ben de benedenbuurvrouw van jouw tante.”
“Marie en ik zijn goede vriendinnen,” voegde zijn tante er aan toe.
Max ging weer zitten.
“Voordat ik jou meer vertel over de zaak, wil ik graag dat je deze dames volstrekte discretie belooft,” zei tante Rosa.
“Uiteraard,” zei Max. “Ik doe alles wat jij aan mij vraagt. Mijn lippen zijn verzegeld. Maar voordat ik verder luister wil ik wel eerst weten hoe belangrijk het allemaal is. Is het een zaak van leven of dood?”
“Eigenlijk alleen maar een zaak van leven,” antwoordde zijn tante. “Van nieuw leven. Het gaat om hun dochter. Thérèrese en Marie hebben mij om advies gevraagd en ik kom er niet uit. Onze hoop is nu op jouw gevestigd.”
Max haalde een witte raadsheer uit de lade en vroeg “Wordt deze rol misschien aan mij toebedeeld?”
“Inderdaad,” antwoordde zijn tante. “Tenminste, als jij dat wilt.”
Max zette de witte raadsheer op het schaakbord ergens tussen de twee witte koninginnen in.
“Hoe heet uw dochter?” vroeg Max zonder van het bord op te kijken.
“Vivian,” antwoordden Marie en Thérèse tegelijkertijd.
“Houdt uw dochter van paardrijden?” vroeg Max.
“Ze doet niets liever,” antwoordde de arrogante Thérèse. “Tot voor kort sprong ze op het hoogste niveau.”
Max haalde een zwart paard uit de lade van de schaaktafel en liet het aan de twee vrouwen zien. “Dit is uw dochter Vivian.” Hij zette het stuk op het bord.
Uw dochter is zeker zwanger?”
“Hoe weet je dat?” vroeg Thérèse verbaasd.
“O, heel eenvoudig,” antwoordde Max nonchalant. “Mijn tante Rosa had het zojuist over nieuw leven en u vertelde net dat uw dochter met wedstrijdspringen gestopt was. Is het een probleem, dat uw dochter zwanger is?”
“O nee!” riep Thérèse. “Onder normale omstandigheden zouden wij dat fantastisch vinden. Het probleem is dat wij niet weten wie de vader is.”
“En Vivian weet dat wel?” vroeg Max vrijpostig.
Thérèse reageerde als door een horzel gestoken. “Wat denk je wel! Natuurlijk. Onze Vivian is een welopgevoede en volwassen vrouw!”
“Dus Vivian weet wie de toekomstige vader is, maar ze wil het u niet vertellen?”
“Precies,” antwoordde Marie rustig.
Max zette een zwarte koning op het schaakbord en zei “Dit is de onbekende minnaar van Vivian.” Hij keek aandacht naar het schaakbord. “We hebben nu geloof ik alle stukken voor ons schaakprobleem. De twee witte koninginnen, dat zijn Thérèse en Marie. De witte raadsheer, dat ben ik zelf. De zwangere zwarte amazone is Vivian en haar minnaar is de zwarte koning. Wacht eens even! De witte koning ontbreekt nog!” Max keek naar zijn tante, die een bijna onmerkbaar knikje richting Thérèse en Marie gaf.
“U bent kennelijk allebei de moeder van Vivian, is dat niet een beetje vreemd en wie is de vader?” vroeg Max aan hen.
Na een lange stilte vroeg Thérèse aan tante Rosa “Kunnen we erop vertrouwen dat hij zijn mond houdt?”
“Voor honderd procent,” antwoordde tante Rosa.
“De vader van Vivian is Eddie Kroon,” zei Thérèse.
“Eddie Kroon, de schatrijke havenbaron!” zei Max verbaasd.
“Zo, jouw kennis van de wereld gaat verder dan het schaken,” zei Thérèse.
“Ik lees wel eens kranten,” antwoordde Max. “Die schrijven de laatste tijd regelmatig over Eddie Kroon en over zijn moordende concurrentiestrijd met die andere grote havenbaron, Stijn Stavast. Volgens de journalisten lijkt alles er op te wijzen dat Eddie Kroon als overwinnaar uit de strijd komt en dat hij op het punt staat het bedrijf van Stavast te vermorzelen.”
“Ik ben de vrouw van Eddie Kroon, Marie is zijn minnares,” zei Thérèse met een kuchje.
“Geeft dat geen spanningen?” flapte Max eruit.
“Ik heb mij er allang bij neergelegd dat een man van het formaat van Eddie aan één vrouw niet genoeg heeft. Ik ben alleen maar blij dat Marie zo discreet is en dat Eddie ons allebei nog steeds trouw is.”
“Jullie zijn allebei de moeder van Vivian?” vroeg Max.
“Marie is de biologische moeder, maar dat weet zelfs Vivian niet. Zelf kon ik geen kinderen krijgen. Ik heb toen ik tien was een verkeersongeluk gehad.”
“Dat spijt mij voor u,” zei Max in een voor hemzelf totaal onverwachte vlaag van medeleven.
“Het geeft niet,” antwoordde Thérèse. “We hebben Vivian en Eddie en ik zijn erg gelukkig met haar.”
“Vivian denkt dat ik een oude vriendin van Thérèse ben en ze noemt mij tante,” zei Marie. “Ik zie haar regelmatig. Zo hebben we het geregeld. Anders had ik mijn baby ook nooit af willen staan.”
“En u heeft een behoorlijk grote stok achter de deur voor het geval meneer en mevrouw Kroon de regeling niet meer na willen komen,” zei Max. “Dan brengt u alles naar buiten.”
“O, dat is totaal niet aan de orde, het gaat prima zo, iedereen is tevreden,” zei Thérèse snel.
Max boog zich over het schaakbord. Zo nu en dan schoof hij met de stukken. Langzaam zakte de zon verder naar de horizon. Tante Rosa schonk iedereen nog een keer thee in. Max liet het porseleinen kopje onaangeroerd staan. Thérèse deed twee suikerklontjes in haar thee en roerde luidruchtig met het lepeltje in het kopje. Geconcentreerd tuurde Max naar de schaakstukken. Thérèse wilde wat zeggen, maar tante Rosa maande haar met een streng gebaar tot stilte. De antieke klok aan de muur tikte de seconden weg. De drie vrouwen keken gespannen naar de onverstoorbare Max. Door de schuifdeuren dreven de klanken van de boulevard naar binnen, gelach van een groep jongeren, geronk van langsrijdende auto’s en op de achtergrond het zachte geruis van de branding. De mobiele telefoon van Thérèse jengelde om aandacht. Ze stond op en liep naar het balkon. Op gedempte toon voerde ze daar een telefoongesprek. Na een kwartier kwam ze weer binnen. Vragend keek ze tante Rosa aan, die haar blik met een ontkennend hoofdschudden beantwoordde. Thérèse ging weer op de bank zitten met haar rug naar de zee. Een lange baan van licht liep over het golvende water naar de grote ronde oranje zon, die laag boven de horizon hing. Een warme gloed vulde de kamer. Max zat in de lichtbundel van deze omfloerste schijnwerper over het schaakboord gebogen. Hij tilde de zwarte koning van het schaakbord, hield het stuk omhoog en zei tegen zijn tante “Volgens mij hebben we een denkfout gemaakt.”
“Hoezo?” vroeg tante Rosa geïnteresseerd.
“De witte koning staat voor Eddie Kroon. Dan ligt het voor de hand dat de zwarte koning Stijn Stavast is, zijn tegenstander in de concurrentiestrijd in de haven.”
“Je wilt toch niet beweren dat Stijn Stavast de minnaar is van mijn dochter?” riep Thésèse, tegelijkertijd geschrokken en verontwaardigd.
“Nee,” antwoordde Max. “Zwart heeft nog een stuk. Heeft Stijn Stavast een zoon?”
“Ja, die heet ook Stijn Stavast, net als zijn vader,” antwoordde Thérèse droog. “Wat heeft die er nu weer mee te maken?”
“Wacht eens even,” zei Marie. “Ik herinner mij nu in één keer, dat ik de zoon van Stavast steeds op de tribune heb zien zitten als Vivian moest springen.”
“A ha, nog een liefhebber van de paardensport,” zei Max en hij pakte een zwart paard uit de la van de schaaktafel en zette deze bij het andere zwarte paard.
“Stijn Stavast junior kan nooit het vriendje van Vivian zijn,” zei Thérèse. “Als dat zo was, dan was er geen enkele reden voor haar om haar zwangerschap geheim te houden. Eddie zou het fantastisch vinden. Dit zou de kroon zijn op zijn overwinning op Stavast. Een grotere genadeklap kan hij Stavast senior niet toedienen. Zelfs zijn eigen zoon loopt over naar het kamp van de tegenstander!”
“U vergeet, dat Eddie Kroon de witte koning is en Vivian een zwart paard,” zei Max.
“Wat bedoel je daar mee?” vroeg Thérèse bits.
“Gewoon, haar vader is wit en zijzelf is zwart,” antwoordde Max en in zijn stem klonk duidelijk door dat hij zich ergerde aan het trage begrip van deze arrogante vrouw.
“Hij bedoelt, dat de loyaliteit van Vivian niet bij haar vader ligt, maar bij haar geliefde,” suste tante Rosa snel. “Dat komt wel vaker voor.”
“Vivian zal ons nooit verraden!” riep Thérèse.
“Dat zegt Rosa ook niet,” zei Marie. “Maar het is wel begrijpelijk dat Vivian het geheim houdt als Stijn Stavast junior de vader is. Wat denk jij, Thérèse, gaat Eddie de strijd met de oude Stavast winnen?“
“Dat weet ik wel zeker. Over een week is er niets meer van het bedrijf van Stavast over.”
“Dan zal de jonge Stavast het wel niet aan zijn vader durven te vertellen, dat hij een kind verwekt heeft bij de dochter van zijn aartsrivaal,” zei Marie. “En dan kan Vivian het ook niet aan ons vertellen. Eddie zou er binnen de kortste keren achter komen en het de volgende dag in de krant laten zetten.”
“Het aloude drama van Romeo en Julia,” zei tante Rosa. “Twee geliefden moeten hun liefde geheim houden, omdat hun ouders ruzie met elkaar hebben.”
“Met Romeo en Julia liep het slecht af,” zei Marie bezorgd.
“Ik schiet er niets mee op om te horen hoe groot het probleem is, ik wil een oplossing,” zei Thérèse en ze keek Marie aan met een blik alsof ze haar verantwoordelijk hield voor de hele situatie.
“Ik zie wel een oplossing,” zei Max. “Maar om die duidelijk te maken moeten ik deze bizarre opstelling met twee witte koninginnen en twee zwarte paarden wat realistischer maken door al die stukken door pionnen te vervangen.”
Max verwisselde de twee witte koninginnen met witte pionnen en de twee zwarte paarden met zwarte pionnen die samen een dubbelpion vormden.
Tante Rosa moest lachen en zei “In de keiharde strijd om de havenbelangen zijn jullie allemaal slechts pionnen.”
Marie lachte mee, maar Thérèse trok een zuur gezicht en zei “Moet dat witte poppetje ook niet door een pion vervangen worden?”
“Dat ben ik niet van plan,” antwoordde Max. “Ik ben hier als raadsheer bijgehaald en met minder neem ik geen genoegen. Max schoof met de stukken. “Nu hebben we een leuk eindspel. De zwarte koning is in de rechterhoek gedreven door de twee witte pionnen en de witte koning, die helemaal naar de overkant van het bord is gewandeld en op één veld na naast de zwarte koning staat. Een zwarte dubbelpion staat aan de andere kant van het bord schuin ertegenover. Aan de buitenzijde naast de voorste pion van de zwarte dubbelpion staat de witte raadsheer, die door de achterste zwarte pion van de dubbelpion wordt bedreigd. Wit is aan zet en kan de achterste van de zwarte dubbelpion slaan met de witte raadsheer en tegelijkertijd daarmee de zwarte koning, die dan in de rechterhoek op dezelfde diagonaal staat, schaakmat zetten. De zwarte pion die dan wordt geslagen, dat is Vivian. De witte koning Eddie Kroon moet zijn eigen dochter opofferen om zo de zwarte koning Stijn Stavast senior schaakmat te zetten.”
“Dat nooit!” riep Thérèse.
“Is er geen andere oplossing?” vroeg Marie.
“Zeker wel,” antwoordde Max. “Het is bij schaken niet verplicht om schaakmat te geven en te winnen. Bij deze opstelling is er een andere mogelijkheid voor wit. De witte raadsheer kan de voorste pion van de zwarte dubbelpion blokkeren. Zwart kan daarna geen ander stuk meer verzetten dan de koning, die zichzelf dan altijd schaak moet zetten en dat is geen toegestane zet, dat mag niet. In schaaktaal heet deze situatie pat. Het is de regel in het schaakspel, dat de partij dan eindigt in remise, in gelijkspel.”
Thérèse, die de uitleg van Max niet had kunnen volgen, zei geïrriteerd, “Ik ben hier niet gekomen om een beetje te kletsen over een of ander stom spelletje.”
Tante Rosa lachte sarcastisch en zei “U heeft helemaal gelijk, dat het echte leven veel interessanter en complexer is dan het schaakspel, behalve natuurlijk voor simpele zielen zoals ik en mijn neefje, voor wie het leven alleen maar uit schaken bestaat.” Max glimlachte. Hij wist dat de passie van zijn tante voor het schaakspel die van hem overtrof.
“In gewone taal gezegd heeft uw man twee keuzes,” ging tante Rosa verder. “Of hij offert het geluk van zijn eigen dochter op aan zijn zakelijke ambities, of hij sluit vrede met Stijn Stavast senior.”
De zon zakte als een oranje bal achter de horizon. Thérèse staarde een minuut lang met open mond naar de brillenglazen van tante Rosa, waarin het laatste zonlicht als een vlam weerkaatste. Daarna stond ze gehaast op en ging zonder iemand te groeten recht op de lift af. Tante Rosa liep met haar mee. Nog voordat de liftdeuren openden, was Thérèse al in een druk en luidruchtig telefoongesprek verwikkeld.
Toen tante Rosa weer terug was in de kamer, zei Marie tegen haar “Ik vraag mij wel eens af, hoe mijn leven er uit had gezien, als ik mij niet door Eddie Kroon had laten verleiden of als ik tenminste maar mijn kind had gehouden.”
“Had je dan tegen zijn wil in kunnen gaan?” vroeg tante Rosa.
“Misschien ook wel niet,” antwoordde Marie. “Hij was toen al zo charismatisch en overweldigend. Nou, ja, ik mag niet klagen. Vanaf het moment dat ik zwanger was van zijn kind, heb ik in luxe geleefd, ook al valt de prijs die ik ervoor heb moeten betalen mij steeds zwaarder naarmate ik ouder word. Mijn eigen kind ziet mij als weinig meer dan een halve tante. En vooral als ze in de problemen zit, zoals nu, dan voel ik mij zo machteloos, dat ik zo weinig voor haar kan doen.”
“Je hebt anders je best gedaan,” zei tante Rosa. “Je hebt mij om raad gevraagd en je hebt Thérèse zo ver gekregen om er naar te luisteren. Meer kun je verder niet doen.”
“Behalve hopen op een goede afloop,” zei Marie. “Als dat secreet ondertussen uit de lift is, dan ga ik maar weer eens.” Ze stond op en bedankte tante Rosa en Max uitgebreid voor hun hulp. Toen ook zij in de lift was verdwenen, zei tante Rosa tegen Max, “Ik ben trots op jou, Maximiliaan, dat je het probleem ontrafeld hebt.”
“En ik ben trots op u, dat ik u als leermeester mag hebben,” zei Max. Hij gaf zijn tante een zoen op iedere wang. Door de schemering fietste hij naar huis. Het gezang van de nachtegalen was oorverdovend.

Een week later werd er in de zakenwereld met grote verbazing gereageerd op de vriendschappelijke fusie tussen de overslagbedrijven Kroon en Stavast, die bovendien bezegeld werd met een huwelijk tussen de beide enige erfgenamen van de twee havenbaronnen. De nieuwe naam van deze havengigant werd KroonStavast en niet StavastKroon. Dat had de geslepen Eddie Kroon in de onderhandelingen met de oude Stijn Stavast nog wel bedongen.



Mars, 2215

Op Aarde doen robots al het werk. Op Aarde is alles in overvloed en gratis, dankzij de robots. Op Aarde is alles veilig, ongelukken komen niet meer voor, dankzij de robots. Op Aarde heeft iedereen alles al duizend keer gedaan en wat men nog niet heeft gedaan, dat is verboden, omdat er ongelukken mee kunnen gebeuren. Op Aarde is het onmogelijk om iets te doen dat verboden is, daar zorgen de veiligheidsrobots voor. Op Aarde heeft de jacht op het andere geslacht alle charme verloren, door de seksrobots. Op Aarde doen robots alles beter. Mensen doen er niets meer, behalve geboren worden, eten, slapen en na een zinloos leven van tweehonderd jaar pijnloos sterven. Robots hebben van de Aarde geen hemel gemaakt, maar een hel, de hel van de verveling.
Op Mars is alles schaars, eten, medicijnen, seksrobots. Op Mars moet je keihard werken, twaalf uur per dag, iedere dag opnieuw. Op Mars zijn geen veiligheidsrobots. Op Mars mag je blij zijn als je vijftig wordt. Op Mars sterven mensen jong. Carl, de beste vriend van Dorian, was de week ervoor begraven, zevenendertig jaar oud. Op Aarde zou Carl tweehonderd geworden zijn. Op Aarde houden de robots alle mensen in leven tot ze tweehonderd jaar oud zijn. Zo leeft iedereen op Aarde precies even lang. Dat is rechtvaardig. Op Mars is geen rechtvaardigheid. Op Mars ging Dorian’s beste vriend dood, terwijl hij jonger was dan Dorian.
Dorian mist Carl iedere seconde. Sinds de begrafenis slaapt Dorian één, twee uur, de rest van de nacht ligt hij wakker en denkt aan Carl. Hij mag niet huilen, dat had hij Carl beloofd. Dorian mocht wel aan hem denken als hij er niet meer was, maar niet huilen. Kerels huilen niet, dat waren de laatste woorden van Carl.
Dorian ligt wakker en denkt aan Carl. Dertien jaar geleden hadden zij elkaar ontmoet aan boord van de laatste ruimtevlucht naar Mars, vlak voordat het door de veiligheidsrobots op Aarde verboden werd om naar Mars te reizen, omdat het leven op Mars te gevaarlijk is. Dertien jaar lang had Dorian iedere dag spijt gehad van zijn reis naar Mars. Carl had Dorian geleerde zich te verzoenen met zijn spijt. Spijt is het bewijs, dat je zelf een keuze hebt gemaakt. Op Aarde heeft niemand meer spijt. Op Aarde worden alle beslissingen door robots genomen. Dorian had zich verzoend met zijn spijt, maar gelukkig werd hij er niet van. Gelukkig werd hij van zijn vriendschap met Carl. Hun vriendschap maakte het leven op Mars dragelijk. Nu is Carl dood. Nu is er geen vriendschap meer, enkel spijt.
Dorian staart naar het zwarte plafond van zijn donkere slaapcabine en denkt aan Carl. Samen zouden ze Mars ontvluchten. Samen zouden ze in het geheim brandstof hamsteren. Op Mars kun je geen brandstof hamsteren. Je hebt alles nodig om te overleven. Op Mars zijn de retourcapsules allang gesloopt voor onderdelen, die nodig waren om de kolonie in stand te houden. Het was maar een fantasie, een vlucht uit de werkelijkheid op Mars. Samen zouden ze terugkeren naar Aarde. Nu ligt Carl voor altijd op Mars begraven. Zonder Carl wil Dorian niet meer fantaseren over een terugkeer naar Aarde. Zonder Carl kan hij enkel hopen dat het leven op Mars ooit beter zal worden, dat de bevoorrading vanaf Aarde weer op gang zal komen. Iedereen op Mars hoopt daarop. Iedereen op Mars weet dat dit nooit zal gebeuren. Robots doen al het werk op Aarde, robots zorgen voor de mensen op Aarde, robots houden de mensen op Aarde in leven, maar geen enkele robot op Aarde zorgt voor de mensen op Mars. De bevoorrading van de kolonie op Mars vond altijd plaats met bemande ruimtevluchten vanaf Aarde en er waren nooit robots geprogrammeerd om onbemande vluchten naar Mars te sturen. Dertien jaar geleden stopten de veiligheidsrobots op Aarde de bemande vluchten naar Mars, omdat het leven op Mars te gevaarlijk is. Dertien jaar geleden hadden de mensen het programmeren van robots al honderd jaar aan andere robots overgelaten en deze programmeerrobots op hun beurt waren nooit geprogrammeerd om rekening te houden met een kolonie op Mars. Dertien jaar geleden stopte tegelijkertijd met de bemande ruimtevluchten naar Mars de bevoorrading van de Marskolonie vanaf Aarde. Is dat de schuld van de mensen op Aarde? Nee! De meeste mensen op Aarde denken dat er nooit een kolonie op Mars is geweest, dat het een kletspraatje is van grappenmakers, die soms zelfs durven te beweren dat zij zelf op Mars hebben gewoond. Op Aarde vertrouwen verstandige mensen alleen de informatie die zij via informatierobots krijgen en deze informatierobots ontkennen het bestaan van de kolonie op Mars. Is het dan schuld van de informatierobots? Nee! De informatierobots zijn dertien jaar geleden door de veiligheidrobots opnieuw geprogrammeerd, om te voorkomen dat de mensen een gevaarlijk verlangen krijgen om naar Mars te reizen. Is het dan de schuld van de veiligheidsrobots? Nee! De veiligheidsrobots zijn door de programmeerrobots enkel geprogrammeerd om de mensen op Aarde te beschermen, niet de mensen op Mars. Is het dan de schuld van de programmeerrobots? Nee! De programmeerrobots zijn meer dan honderd jaar oud en nooit geprogrammeerd om rekening te houden met een kolonie op Mars. Robots zijn nooit schuldig. Robots zijn geprogrammeerd.
Dorian staart naar het zwarte plafond en denkt aan zijn vriendschap met Carl. Op Aarde had Dorian nooit vriendschap gekend. Op Aarde bestaat geen vriendschap meer. Waarom zou je op Aarde vrienden hebben? Vrienden zijn er om samen plezier mee te hebben, maar op Aarde spelen de kinderen van jongs af aan met robots. Vrienden zijn er om elkaar te helpen, maar op Aarde krijg je alle hulp die je nodig hebt van robots. Vrienden zijn er om elkaar te troosten en te steunen Op Aarde zijn er troostrobots en robotcoaches. Op Aarde doen robots alles beter dan mensen. Waarom zou je op Aarde vrienden hebben? Om je samen te vervelen?
De wekker zoemt. Dorian is blij dat de nacht voorbij is. Hij kleedt zich aan en loopt door de lange gang met aan weerzijden de deuren van de slaapcabines. Hij komt in de centrale hal. Door de glazen koepel ziet hij dat de zon al op is. Het is een heldere dag op Mars, ook al is het niet lichter dan een bewolkte dag op Aarde. Reflexmatig beantwoordt hij de begroetingen van zijn medekolonisten. Zijn gedachten zijn bij Carl, hoe ze iedere ochtend samen ontbeten in de kantine, samen plannen maakten voor de dag, samen bespraken hoe ze elkaar die dag konden helpen bij hun werk. Mechanisch schuifelt Dorian mee in de rij met mensen die hun eten en drinken uit de vitrines pakken en op hun dienblad zetten.
Als een slaapwandelaar loopt hij naar het tafeltje waar hij altijd met Carl zat, een tafeltje achteraf, niet populair bij de andere kolonisten, waar Carl en hij rustig met elkaar konden kletsen. Dorian gaat aan het tafeltje zitten. Hij zit er alleen. Zonder Carl. Eenzaam eet hij zijn ontbijt.
“Mag ik bij je zitten?”
Dorian kijkt op. Het is Eva. Eva is oud, zeven en zestig. Eva is niet alleen de oudste mens op Mars, zij is ook de tweede mens die op Mars geboren is, een maand na Adam, maar Adam is maar twee maanden oud geworden.
Dorian knikt. Eva gaat tegenover hem zitten. Ze neemt een slok van haar koffie.
“Heb je jezelf al ingeschreven voor werk vandaag?” vraagt ze aan Dorian.
“Nee,” antwoordt Dorian kortaf. Hij heeft geen zin in een gesprek met Eva. Hij wil aan Carl denken.
“Ik ook nog niet,” zegt Eva. “Waar zou je willen werken vandaag?”
“In de plantenkassen.” Het werk in de plantenkassen is zwaar en weinig geliefd. De plantenkassen zijn de straf voor langslapen.
“Het is nog vroeg,” zegt Eva lachend. “Er is nog genoeg keuze uit ander werk. Bovendien, je hebt er gisteren al gewerkt, en eergisteren ook. Ik heb je koffiebonen zien plukken.”
“Ik werk er graag,” liegt Dorian. De plantenkassen liggen vlakbij de begraafplaats, vlakbij het graf van Carl.
“Ik dacht dat ik de enige was, die er van houdt om in de plantenkassen te zijn. Ik mag dankzij mijn leeftijd kiezen wat voor werk ik er doe. Ik praat er met de plantjes. Daar groeien ze beter van.”
Dorian geeft geen antwoord. Zwijgend eet hij zijn ontbijt. Eva zet haar lege koffiemok terug op het dienblad. Ze maakt aanstalten om op te staan en zegt “Dan zie ik je straks wel in de plantenkassen.” Ze gaat weer zitten. Dorian voelt haar warme hand op de zijne. Hij hoort haar zeggen “Vind je het goed als ik na afloop van het werk met jou meega naar de begraafplaats?” Hij kijkt in haar vriendelijke, blauwe ogen, naar haar gerimpelde gezicht en vraagt haar verbaasd “Waarom?”
“Carl was een prima vent. En dat ben jij nog steeds.”
Die middag, na een lange dag werken staan Dorian en Eva in ruimtepakken bij het graf van Carl. Eva legt een bloeiend twijgje van een koffiestruik op de steen. Binnen enkele minuten zijn de tere bloempjes verkleurd en verschrompeld in de onbarmhartige atmosfeer van Mars. Gearmd met Eva loopt hij terug naar de ingang van het ruimtestation. Voor het eerst in dertien jaar heeft Dorian geen spijt meer van zijn reis naar Mars. Het leven op Mars is zwaar en kort, maar het kille, afstandelijke bestaan op Aarde zou ondraaglijk voor hem zijn.




www.jogledor.nl

© 2015 Jogledor, P.D. de Jong 'Ariesz.'; alle rechten voorbehouden, all rights reserved