Ridder Isumbras en de rand van de wereld



Jogledor

© 2015 Jogledor, P.D. de Jong 'Ariesz.'; alle rechten voorbehouden, all rights reserved


1. Het volk tussen de Witte Bergen en het Groene Woud


In een wonderlijke wereld ver hiervandaan leefde op de Glooiende Hellingen tussen de Witte Bergen en het Groene Woud een volk. Ruim en hoog was de houten zaal, waar het volk samenkwam om hun heldhaftige voorouders te eren en bier te drinken tot ze er bij neervielen. Vijf zuilen, die gemaakt waren van de stammen van eeuwenoude eiken, steunden de balken van het dak. Vier zuilen waren bewerkt met afbeeldingen van de Lange Tocht en de Grote Strijd. Eén stam was er nog glad. Het houtsnijwerk verhaalde hoe op een mooie voorjaarsdag de voorouders van het volk vertrokken vanuit de Vallei Waar Zij Waren Opgegroeid, op zoek naar nieuw land. Zij beklommen de woeste bergrug die dreigend zijn schaduw wierp over de Vallei Waar Zij Waren Opgegroeid. Bovengekomen keken zij nog één keer om en zagen voor het laatst de Vallei Waar Zij Waren Opgegroeid. Verder trokken zij over de bergkam. In de schaduw van de rotsen lag maagdelijk witte sneeuw. Daarom noemden zij het de Witte Bergen. Zij baanden zich een weg door de sneeuwvelden. Drie lange dagen duurde de tocht. Daarom noemden zij het de Lange Tocht. Drie lange dagen bekwaamden zij zich in de kunst van het sneeuwballengevecht. Aan de andere zijde van de Witte Bergen daalden zij af en vonden een lieflijk land met hellingen, die zacht glooiend omlaag golfden naar een rivier. Zij noemden dit land de Glooiende Hellingen en zij wilden er blijven wonen. Maar het land moest eerst veroverd worden want het was al bewoond. Aan de oever van de rivier had een kluizenaar zijn hut. Strijdlustig maakten de voorouders van het volk zich klaar voor het gevecht. De kluizenaar zat voor zijn hut in de zon en hij lachte hen vriendelijk toe. Al jaren had hij geen mens meer gezien en hij was vergeten waarom hij kluizenaar was geworden. Nog voor de strijd begonnen was, werden de voorouders van het volk getroffen door een grote tegenslag. De voorraad sneeuwballen, die zij als wapens hadden meegenomen uit de Witte Bergen, was gesmolten. Toen toonden de voorouders hun heldhaftigheid. Zij gaven niet op. Zij vluchtten niet weg, om neergeslagen weer terug te keren naar de Vallei Waar Zij Waren Opgegroeid. Zij onderwierpen zich niet aan de tirannie van een vreemde heerser. Zij gingen de strijd aan met de wapens die zij konden vinden. Zij grepen kluiten modder uit de oever van de rivier. Zo bewapend omsingelden zij de hut van de kluizenaar, die hen vriendelijk toelachte. De dapperste van de voorouders wierp als eerste zijn modderkluit. Dit was het begin van de eerste dag van de Grote Strijd, die duurde tot de bloedrode zon langzaam achter de horizon verdween en de voorouders zich te ruste legden onder de langzaam van lichtblauw naar zwart verkleurende hemel waarin ontelbare sterren één voor één opfonkelden. De kluizenaar bleef roerloos als een beeld zitten voor zijn hut. De modder op zijn huid droogde langzaam op. Bij de eerste zonnestralen ontbrandde de strijd opnieuw. Onuitputtelijk was de hoeveelheid modder op de oever van de rivier en ontelbaar waren de kluiten die de kluizenaar troffen op zijn neus, op zijn wangen, in zijn grijze baard en in zijn lange haren. Vitale organen werden er niet geraakt en onverstoorbaar hield hij stand voor zijn hut terwijl de modder langs zijn naakte bovenlichaam omlaag droop. Dankbaar glimlachte hij naar zijn belagers. Hij wist weer waarom hij kluizenaar was geworden. Nog voordat de zon haar hoogste punt aan de hemel bereikte, stond de kluizenaar op en hij liep naar de rivier. Al jaren had hij geen bad meer genomen en hij was vergeten waarom. De voorouders van het volk lieten hem er door. Sommigen smeerden nog wat modder in zijn haar. Kopje onder ging de kluizenaar in de rivier. Proestend en bibberend van de kou kwam hij weer boven. Dankbaar glimlachte hij naar zijn overwinnaars, Hij wist weer waarom hij jarenlang geen bad had genomen. Zo eindigde de Grote Strijd en zo veroverden de voorouders van het volk de Glooiende Hellingen. De kluizenaar mocht blijven. In zon en regen zat hij zwijgend en tevreden glimlachend voor zijn hut. Nooit nam hij meer een bad in de rivier, ook al bekogelden de kinderen van het volk hem iedere dag met modderkluiten. De jaren gleden voorbij. De nazaten van de voorouders bouwden de grote zaal rond de vijf zuilen van eeuwenoude eiken en daar bezongen zij de heldendaden van hun voorouders en dronken zij bier tot ze er bij neervielen.
Overal verrezen hutten op de Glooiende Hellingen en langs de rivier. De rivier noemde zij de Stroom, omdat het water er nooit in stilstond. Aan de overzijde van de Stroom begon een groot woud. Zij noemden dit het Groene Woud, maar in de herfst en in de winter was het woud niet groen. In de herfst was het rood, geel en bruin en in de winter waren de takken kaal en zwart. Alleen in het late voorjaar en de zomer was het Groene Woud ook echt groen. Op één plek in de rivier was een voorde, waar men door de Stroom kon waden naar het Groene Woud. Zij zagen er beren en wolven, maar geen bewoners, zelfs geen kluizenaar. Ze joegen er op wild en soms joegen de beren en de wolven op hen. Talloos waren de jachttrofeeën uit het Groene Woud, die zij bij de voorde op hun schouders meedroegen door de Stroom. Het vee graasde zich vet op de Glooiende Hellingen. Vol vis was rivier. Talrijk waren de kinderen. De kluizenaar was na vele tientallen jaren op een dag verdwenen uit zijn hut aan de oever van de rivier. Het werd hem te druk en hij werd te oud om het mikpunt te zijn van de modderkluiten van de gestaag groeiende kinderschare. De hutten op de Glooiende Hellingen en langs de rivier raakten vol. Jonge mannen en vrouwen, zuchtend onder het juk van de overheersing door strenge vaders en moeders, wilden de Stroom oversteken en nieuw land veroveren, maar hun ouders zeiden dat zij niet geschikt waren voor verre reizen en veroveringen, omdat zij de Lange Tocht niet hadden meegemaakt en niet hadden meegevochten in de Grote strijd. Tussen vaders en zonen, moeders en dochters ontstond er twist, die zo hoog opliep dat een gewelddadige uitbarsting onvermijdelijk was. In gedachten maakte iedereen zich al klaar voor een bloeddorstig sneeuwballengevecht, maar het was voorjaar en alle sneeuw was weggesmolten van de Glooiende Hellingen en van de flanken van de Witte Bergen. Sneeuw was te ver weg en de ruzie kon niet langer doorsluimeren. Modderkluiten waren de wapens van hun voorouders geweest in de Grote Strijd, met modderkluiten zouden zij de dreigende burgeroorlog uitvechten. Door al het smeltwater uit de Witte Bergen was het water in de Stroom echter nogal koud en weinigen hadden zin in het bad na afloop van het moddergevecht. Er werd besloten tot een tweegevecht op de oever van de rivier. De jonge mannen en vrouwen kozen de oudste uit hun midden als hun kampioen voor de tweekamp. Arnogast was zijn naam en zijn leeftijd twintig jaar. Met een modderkluit kon hij op twintig meter afstand een vogel van een tak af jagen. De ouderen kozen Thiolf als kampioen. Grijs was zijn haar, maar bedreven was hij nog met de modderkluit en ervaren was hij in het moddergevecht. De heldendaden van zijn grootvader werden nog iedere avond in de houten zaal bezongen, terwijl zij bier dronken tot ze er bij neervielen. Woest en heldhaftig was de strijd tussen Thiolf en Arnogast. Negen uren duurde de tweekamp en nog waren zij niet uitgeput. Thiolf hield dreigend met zijn hand een enorme modderkluit omhoog en Arnogast bracht zijn hand al naar achteren voor de worp. De twee kluiten troffen elkaar met een onvoorstelbare kracht in de lucht precies in het midden tussen de beide kampioenen. Oorverdovend was de klap. Modderspatten vulden de lucht. Arnogast kreeg modder in zijn beide ogen en op handen en voeten kroop hij de oever af om de modder van zijn gezicht te wassen. Had hij het water bereikt, dan had hij de tweekamp verloren en met hem de jonge mannen en vrouwen. Hij werd echter ingehaald door Thiolf, die naar lucht hapte omdat niet alleen zijn mond maar ook zijn beide neusgaten verstopt zaten met modder. Thiolf stortte zich vlak voor Arnogast van de oever voorover in de rivier. Het water spetterde omhoog en de spetters wasten de ogen van Arnogast schoon, van wie het gezicht nog maar een voetlengte van het stromende wateroppervlak verwijderd was. Triomfantelijk kwam Arnogast overeind, zijn tenen nog net niet in het water. Hij had het langst doorgevochten zonder een bad in de rivier te nemen. Hij had Thiolf verslagen. Die klom bibberend van het koude water en opgelucht adem halend weer half op de oever en schudde Arnogast broederlijk de hand, waarbij hij zijn overwinnaar onverwacht en heel geniepig in het water trok. Als het water in de rivier niet zo koud was geweest dan had iedereen zich nu in de strijd geworpen. De jonge mannen en vrouwen hadden de modderkluiten opgepakt uit verontwaardiging dat Thiolf niet tegen zijn verlies kon. De ouders hadden met modder gegooid omdat zij zelf niet tegen hun verlies konden. Maar het water in de Stroom was ijskoud en de strijd was beslist. De kampioen van de jonge mannen en vrouwen had gewonnen. Geen ouder kon hen meer tegenhouden om een nieuw land te veroveren. Groot was het getal van de jonge mannen en vrouwen die een maand later vertrokken, toen het water in de rivier warm genoeg was om de voorde over te steken. De jonge mannen en vrouwen kregen proviand mee voor hun reis en paarden om het te dragen. Zij beloofden bericht terug te zenden, als zij een nieuw land hadden veroverd, en de ouders beloofden hun heldendaden in houtsnijwerk uit te beelden op de vijfde nog gladde zuil van de grote zaal. De zon steeg op vanachter de verre, besneeuwde toppen van de Witte Bergen en wierp de eerste stralen op de boomkronen van het Groene Woud op de overzijde van de rivier. Vaders en moeders zagen hoe in een lange rij hun zonen en dochters moeizaam door de voorde waadden. Het stromende water van de rivier kwam tot hun middel. Als laatste staken de begeleiders van de paarden met het proviand de Stroom over. Zonder om te zien verdwenen zij tussen de hoge stammen van het Groene Woud. De seizoenen wisselden elkaar af en geen enkel bericht over het lot van de jonge mannen en vrouwen bereikte de houten hutten waar hun wiegen hadden gestaan en de vijfde pilaar van de grote zaal bleef glad en zonder houtsnijwerk.


2. Ralph en Walter gingen varen


Zij die nog kind waren toen hun broers en zussen de rivier overstaken, groeiden op tot jonge mannen en vrouwen en zij waren gretig naar avontuur. Een groep jongelui liep op een zonnige voorjaarsmorgen vlak voor het middagmaal op de oever van de Stroom langs de lege hut van Elmar met de Boot. Niemand anders van het volk had een boot, alleen de oude Elmar. Het einde van de oude Elmar was teleurstellend geweest. Iedereen had er op gehoopt dat hij ooit eens omsloeg met zijn boot en niet meer bovenkwam. Er was lang geleden wel eens iemand verdronken in de rivier, bij het oversteken van de voorde, maar nog nooit door het omslaan van een boot. Dat was iets nieuws geweest. Er was sinds het tweegevecht tussen Thiolf en Arnogast weinig nieuws meer gebeurd. Maar Elmar was op een ochtend roerloos gevonden in zijn hut, niet meer wakker geworden, voor altijd blijven slapen. Erg teleurstellend. De jongelui liepen langs de lege hut en zij wezen naar de boot, die tegen een buitenwand van de hut aan stond. De boot was niet meer dan een vlechtwerk van wilgentenen overspannen met dierenhuiden, zes voet lang en vier voet breed.
“Wie durft er in de boot van de oude Elmar te varen?” riep Wibald, een welgeschapen jongeman.
“Ja, wie durft dat?” vroeg Asra, de mooiste jonge vrouw van het hele volk.
Zonder iets te antwoorden liepen Walter en Ralph naar de hut en zij droegen de boot naar het water. Ralph liep terug naar de hut om de lange stok te halen, waarmee de oude Elmar zijn boot dicht onder de oever behoedzaam heen en weer had geboomd om zijn visnetten te legen. Walter hield de boot vast en Ralph stapte in, met de vaarboom in één hand. Walter gaf de boot een zachte duw en stapte snel naast Ralph in de boot. Ralph zette af met de vaarboom en samen met Walter dobberde hij in de grote schaal op het gladde wateroppervlak. Triomfantelijk keken zij naar de achterblijvers op de oever. Die hadden spijt dat zij niet zelf als eersten in de boot waren gestapt en zij wilden ook hun moed bewijzen. Zij gebaarden en riepen naar Walter en Ralph dat zij ook wilden varen, dat Walter en Ralph de boot weer terug naar de oever moesten brengen. Ralph zwaaide met de vaarboom en Walter riep uitdagend dat als zij wilden varen, zij de boot dan maar moest komen halen. De stroom kreeg vat op de boot en trok deze mee naar het midden van de rivier. Ralph probeerde terug te bomen naar de oever, maar de rivier was al te diep en de stok te kort om de bodem te raken. Langzaam ronddraaiend dreven zij stroomafwaarts. De jongelui op de oever liepen met hen mee. Wibald en Asra riepen plagerijen over het water en iedereen bulderde van de pret, behalve Ralph en Walter. Zij keken met een bleek gelaat naar het bewegelijke wateroppervlak. De jongelui op de oever zagen de angstige gezichten van Ralph en Walter. Zij zagen hoe Walter en Ralph wanhopig probeerden de boot naar de oever te peddelen, Ralph met de vaarboom en Walter met zijn handen. De jongelui op de oever hadden allang geen spijt meer dat zij niet als eerste in de boot waren gestapt.
“Een touw, gooi een touw en trek ons naar de kant!” riep Ralph. Wibald rende weg en kwam even later terug met een touw en hij voegde zich weer bij de groep die op de oever meeliep met het dobberende bootje. Wibald maakte een korte, dikke stok vast aan één uiteinde van het touw en hij slingerde de stok aan het touw boven zijn hoofd totdat er een suizend geluid klonk. Zo wierp hij de stok met het touw er aan. De stok viel twee armlengtes van de boot in het water. Ralph en Walter probeerden met de vaarboom het touw uit het water te vissen. Bijna vielen ze uit de boot. De stroomgeul verwijderde zich van de oever en het touw was nu buiten bereik van Walter en Ralph. Wibald trok het trouw terug op de oever en wilde opnieuw gooien.
“Het heeft geen zin meer,” zei Asra tegen Wibald. “Ze zijn al te ver weg.”
“Ze zijn helemaal niet te ver weg,” zei Wibald beledigd. “Het touw is te kort. Anders had ik ze makkelijk kunnen raken. Kijk maar!” Hij maakte de stok los van het touw en slingerde de stok richting de boot. De stok vloog over de boot heen. Ralph kon nog net op tijd bukken.
“Knap gegooid,” zei Asra spottend. “Maar daar hebben Ralph en Walter niets aan. Misschien kunnen we ze tegenhouden bij de voorde.”
“Het water staat te hoog en de stroom is te sterk,” zei iemand uit de groep.
“Misschien lukt het met een paard,” zei iemand anders.
“Ik haal een paard!” riep Wibald en hij rende weer weg. De anderen renden vooruit naar de voorde en gingen tot hun middel het water in en werden bijna meegesleurd door de stroom. De rivier was breed bij de voorde. De boot dreef voorbij de voorde, ruim buiten bereik van de uitgestrekte handen en ook ver van het touw, dat nog één keer werd geworpen. Ralph en Walter zagen Wibald aangalopperen op een klein paard. Ze riepen naar hem, “Wibald, Wibald!” Iedereen op de oever en in het water bij de voorde schreeuwde door elkaar heen. Voorbij de voorde werd de rivier smaller, de stroming sterker en de oever steiler. Wibald liet het paardje draven om de boot in te halen. Toen hij een voorsprong had, reed hij naar het water toe. Het dier weigerde de steile oever af te gaan. Wibald stapte af om het paard het water in te leiden en hij zag de draaikolken langs de oever. Het paardje steigerde en met moeite kon Wibald het dier in bedwang houden. De boot dreef naar de bocht in de rivier. Ralph en Walter zaten laag in de boot om het evenwicht te bewaren in de snelle stroom. Een oude man met een bundel takken kwam bij Wibald op de oever staan. Niemand schreeuwde meer en er klonk alleen het kolken van de rivier. Zo zagen zij Ralph en Walter de bocht in dobberen en uit het zicht verdwijnen. “Als ze geluk hebben, dan blijft de boot ergens langs de kant steken,” zei de Wibald tegen oude man. De oude man haalde onverschillig zijn schouders op en zei “Als ze pech hebben dan neemt de rivier ze mee naar de rand van de wereld.” Hij tilde het brandhout op zijn schouder en liep verder naar zijn hut. Wibald sprong op het paard en probeerde nogmaals de boot in te halen. Verderop was de oever begroeid met ondoordringbaar kreupelhout en Wibald zag de boot niet meer. Hij keerde om en reed op het paard langs de rivier terug naar het dorp.

Bij de voorde zag Wibald veel mensen, jonge en oude, grote en kleine. Aan de overkant van de rivier stond een groot zwart paard. Op het paard zat een kleine, dikke man. Hij droeg een blinkend harnas. De vizier van zijn helm was open. Op de helm wapperde een pluim van pauwenveren. Een lang, breed zwaard hing aan zijn gordel. De man gaf een klein rukje aan de teugels en zonder vrees liep het grote zwarte paard het stromende water in. In het midden van de voorde moest het dier zwemmen. Zijn kleine berijder zat fier op zijn rug met zijn benen in het water. De borst van het paard kliefde door het stromende water. De kolkende rivier kreeg geen vat op het dier. Krachtig zwom het paard in een rechte lijn naar de andere oever. Het dier vond vaste grond onder de hoeven en verrees langzaam uit het water. De mensen op de oever zagen nu pas hoe groot het paard was. Nog nooit hadden zij zo groot paard gezien. Eerbiedig hielden ze afstand. Het water droop uit de vacht van het zwarte paard en uit de beenplaten van het harnas van de ruiter. De kleine, dikke man rolde een korte touwladder uit vanaf de zijkant van zijn zadel. Behoedzaam klom hij van zijn grote paard. Hij zette een paar stappen naar voren. Zijn lange zwaard sleepte achter hem aan over de grond. De vreemdeling zette zijn helm af en hield hem onder zijn linkerarm met de pauwenveren als een staart naar achteren. Grijs haar golfde langs zijn slapen en een grijs baardje sierde zijn kin. Hij maakte langzaam een diepe, hoffelijke buiging. Het harnas piepte en de pauwenveren op de helm staken achter hem boven zijn rug uit. Hij kwam weer overeind en zei “Mijn naam is Isumbras en Zwarthoef heet mijn paard.” Het grote, zwarte paard brieste. De mensen mompelden verbaasd. Een paard met een naam! Een paard was er om te werken en als het dier niet meer werken kon dan aten ze het op. Iets met een naam kon je niet opeten. Daarom hadden hun paarden geen naam. Een paard met een naam, dat was iets om je over te verbazen. Waar zij zich niet over verbaasden, was dat zij de vreemdeling konden verstaan. In de wonderlijke wereld van dit verhaal sprak iedereen dezelfde taal.
Voorzichtig kwamen de mensen dichterbij.
“Waar kom je vandaan?” riep iemand die nog veilig achteraan stond. Nieuwsgierigheid en moed gaan niet altijd samen.
“Van het Hof van de Koning,” antwoordde Isumbras. De mensen haalden onverschillig hun schouders op. Van het Hof van de Koning had niemand ooit gehoord.
“Wat kom je hier doen?” vroeg iemand anders.
“Ik ben op zoek naar de rand van de wereld.”
Geroezemoes klonk onder zijn toeschouwers. Waarom zou je op zoek gaan naar de rand van de wereld? Als je daar van afviel dan stortte je eeuwig omlaag. Iedereen was als de dood voor de rand van de wereld. Dit moest een dwaas zijn. Of een leugenaar.
“Het is een grappenmaker!” riep Wibald, die vooraan stond met de leidsels van het kleine paardje in zijn hand. “Een grappenmaker!” Iedereen begon te lachen.
“Tot uw dienst,” zei Isumbras en hij maakte weer een buiging. Aan het Hof van de Koning had hij als page geleerd om te buigen als de koning en zijn ridders hem uitlachten. Het volk dromde om hem heen. Ze waren dol op grappen, maar al hun grappen waren oud, nog van voor de Lange Tocht. Die grappen had iedereen al honderd keer gehoord. Alleen pasgeboren zuigelingen konden er nog om lachen.
“Vertel ons een grol, alsjeblieft” smeekte Asra.
Ridder Isumbras plukte aan zijn grijze baardje en bekeek onderzoekend zijn omstanders. Hij was een serieus mens, maar platte grappen kende hij wel, die werden in overvloed verteld aan het Hof van de Koning. Die over de slimme dwerg en de domme reus leek hem wel geschikt voor dit publiek. “Een reus heeft een dwerg gevangen en wil hem opeten,” begon hij. “De dwerg zegt tegen de reus, ‘als je mij opeet, dan zul je nooit de schat vinden.’” De mensen luisterden aandachtig toe. Zwarthoef boog zijn lange nek omlaag en besnuffelde het kleine paardje naast Wibald. Onder het vertellen plukte Isumbras zo nu en dan aan zijn grijze baardje. “‘Ik zit vast’ fluisterde de reus, die met zijn bovenlichaam in het hol van de basilisk stak. ‘Je moet nog iets verder graven,’ zei de dwerg zachtjes. ‘Ik help je wel.’ Hij trok de broek van de reus omlaag en sloeg met een takkenbos hard op de reuzenbillen. De reus schreeuwde het uit. De basilisk werd wakker en beet de reus in zijn gezicht. De reus brulde van de pijn en greep de basilisk met twee handen vast. Snel rende de slimme dwerg naar de andere ingang van het hol en ging er met de schat van de basilisk vandoor.”
Ridder Isumbras werd beloond met een bulderend gelach. Dit was het soort verhalen waar zij van hielden. Isumbras maakte een buiging en zei “Ik rammel van de honger en Zwarthoef ook!” De menigte leidde Isumbras en Zwarthoef naar de grote houten zaal. Buiten kreeg Zwarthoef vers hooi en water. Binnen at Isumbras twee donkere broden met kaas en hij dronk vier kroezen bier.
“Vertel nog een grap!” riep de menigte, die hem gezelschap hield bij het bier.
“Ik ben geen grappenmakker. Ik ben een ridder van de Koning. Ik ben op zoek naar de rand van de wereld.” De mensen lachten. Ze hoorden graag een grap voor de tweede keer. Isumbras plukte aan zijn grijze baardje en dacht er aan terug hoe alle ridders hard hadden gelachen toen de Koning hem de opdracht gaf om de rand van de wereld te zoeken. Hij leegde zijn kroes, stond op en liep de grote houten zaal uit. Zijn lange zwaard sleepte over de grond. De menigte kwam joelend achter hem aan. Buiten klopte hij Zwarthoef op de hals en tuurde in het rond. Hij wees over de Glooiende Hellingen in de richting van de Witte Bergen. “Ligt daar de rand van de wereld?” vroeg hij aan de mensen om hem heen. De mensen lachten.
“Daar komen wij vandaan, dat zijn de Witte Bergen, daar is de rand van de wereld niet,” zei een oude man, wiens grootvader de Lange Tocht nog had meegemaakt. “Iedereen weet dat al het water naar de rand van de wereld stroomt. Volg de Stroom en u vindt de rand van de wereld vanzelf!” De oude man wees naar de rivier.
Ridder Isumbras maakte een buiging en sprak “Ik dank u voor de maaltijd en voor de goede raad.” Hij greep met zijn beide handen de touwladder beet en klom op de rug van Zwarthoef en wendde zijn paard naar de rivier. De mensen keken hen even na, daarna gingen ze snel de houten zaal in om bier te drinken en elkaar steeds opnieuw de grol te vertellen over de slimme dwerg en de domme reus. En over de ridder die op zoek was naar rand van de wereld. Luid gelach vulde de houten zaal en golfde door de kieren in de wand en de openstaande deur. Met moeite konden Wibald en Asra elkaar buiten verstaan.
“Hij kan die kant niet gaan, het kreupelhout is daar ondoordringbaar!” zei Wibald.
“Hij heeft geen proviand,” zei Asra.
“En geen voer voor zijn paard,” zei Wibald.
“Hij komt straks weer terug bij de voorde,” zei Asra.
“Snel!” zei Wibald. “Dan we zijn we nog op tijd.”
Isumbras volgde de rivier totdat hij bij het kreupelhout kwam. Dit was ondoordringbaar en hij keerde Zwarthoef om, terug naar de voorde. Daar stonden Wibald en Asra.
“Mogen wij met u mee?” vroeg Wibald.
Vriendelijk keek Isumbras vanaf het grote, zwarte paard de jonge man en de jonge vrouw aan en hij vroeg “Hoe heten jullie?”
“Asra,” zei Asra.
“Wibald,” zei Wibald.
“Wij hebben proviand bij ons voor de tocht,” zei Asra en ze wees op een zak.
“En voer voor Zwarthoef,” zei Wibald en hij wees op een andere zak.
“Waarom willen jullie mee?” vroeg Isumbras.
“Wij moeten Ralph en Walter helpen,” zei Asra.
“Zij drijven in een boot met de stroom mee,” zei Wibald.
“Dan gaan ze naar de rand van de wereld,” zei Isumbras. “Klim maar op Zwarthoef, dan rijden wij samen achter hen aan.” Hij rolde de touwladder uit en maakte een zwierig gebaar met zijn hand. Asra klom omhoog met de zak met proviand en daarna Wibald met de zak met voer. Zo stapte Zwarthoef de voorde in met drie berijders op zijn rug, Isumbras in het midden, Asra voor en Wibald achter. Moeiteloos stak het dier de sterke stroom over, terug naar het Groene Woud. Tussen de donkere, gladde stammen van hoge beuken reden zij voort. Het rook er vochtig en kruidig. Zonlicht viel omlaag door de gaten in het groene dak en wierp witte vlekken op de donkere bladervloer. Vogelgezang klonk voor hen uit, maar verstomde zodra zij dichterbij kwamen. Bladeren en takjes kraakten onder de hoeven van het paard. Zacht hoorden zij het ruisen van de rivier rechts van hen. Verder heerste er stilte, een onheilspellende stilte.
“Er zijn hier wolven,” zei Asra.
“En beren,” zei Wibald.
“Wees niet bevreesd,” zei ridder Isumbras. Hij klopte op het gevest van zijn lange, brede zwaard.


3. Stroomafwaarts


“We missen het avondmaal,” zei Ralph, terwijl hij tevergeefs probeerde om met de vaarboom het rondtollen van de boot te verminderen.
“We zullen nog heel wat meer maaltijden missen,” zei Walter.
“Des te verder weg we drijven in deze boot, des te mooier is ons verhaal,” zei Ralph.
“Als we het kunnen navertellen,” zei Walter.
“Ja, als we het kunnen navertellen, anders is er geen verhaal,” zei Ralph.
Snel gleden de oevers aan hen voorbij. De oever waarop ver stroomopwaarts hun dorp lag, rees nu steil op uit gevaarlijke draaikolken. De oever van het Groene Woud zag er vriendelijker uit. De takken waren getooid met fris lentegroen en vanuit het bos klonk het gezang van vogels. In een wijde bocht van de rivier duwde een werveling van het water de boot naar de binnenbocht, naar de oever van het Groene Woud. Een kudde herten sprong uit de bosrand en rende het water in. Met luide plonsen sprongen de herten steeds weer boven het stromende wateroppervlak uit. Rakelings passeerden ze de boot. Druppels water spetterden over Raph en Walter heen. “Het is hier ondiep!” riep Walter. Snel stak Ralph de vaarboom in het water. De stok ondervond weerstand van de bodem. Ralph duwde de boot naar de oever, naar het Groene Woud.
“We zijn gered!” riep Ralph.
“Als we de weg terug door het woud vinden,” zei Walter.
“En als we de voorde over kunnen,” voegde Ralph eraan toe.
“Waarom rennen die herten daar nog steeds door het water?” vroeg Walter.
Het antwoord op die vraag liet niet lang op zich wachten. De boot was bijna bij de oever toen vlakbij een roedel hongerige wolven het bos uit rende. Bij het water hielden de grijze roofdieren halt. Ze snoven de geur op van een nieuwe prooi. Gemeen en onheilspellend klonk het gegrom. Vlijmscherpe hoektanden staken uit halfgeopende bekken. Achter elkaar stortten de dieren zich in het water. “Terug de rivier op!” schreeuwde Walter. Ralph had de boot al afgeduwd en hij boomde snel naar het midden van de rivier totdat de vaarboom de bodem niet meer raakte en de rivier de boot steeds sneller meevoerde. De wolven waagden zich niet in de sterke stroming en zwommen terug naar de oever. Daar jankten en gromden ze van woede dat ook deze prooi aan hen ontsnapt was. Walter en Ralph dreven verder op de stroom. Tussen de boomstammen van het Groene Woud zagen zij grijze schimmen, die hen op de oever volgden.
“De wolven hebben honger,” zei Walter.
“Net als ik,” zei Ralph. “En dorst heb ik ook.”
“Water genoeg!” zei Walter. Voorzichtig leunde hij over de rand van de boot en schepte met zijn hand het ijskoude water op. Ralph volgde zijn voorbeeld. Het water leste hun dorst, maar de honger knaagde hierna alleen maar harder aan hun magen. De zon zakte rood achter de boomtoppen van het Groene Woud en de schemering viel in. Ontelbare sterren fonkelden aan een maanloze hemel. Grijze schimmen zagen Walter en Ralph niet meer op de oever, wel groen oplichtende ogen.
“We mogen niet tegelijk in slaap vallen, er moet altijd één van ons wakker blijven en de stok vasthouden,” zei Ralph.
“We wisselen elkaar af, ga jij maar als eerste slapen,” zei Walter.
Ralph gaf de vaarboom aan Walter en opgerold als een hond viel hij op de bodem van de komvormige boot in slaap. Walter luisterde naar het kolken en borrelen van de rivier en naar de regelmatige ademhaling van Ralph. Onwillekeurig rilde Walter van de kou. Hij trok zijn mantel om zich heen. De boot draaide en schommelde. Zijn ogen vielen keer op keer dicht. De greep van zijn handen om de vaarboom werd minder vast. Zittend viel Walter in slaap. De vaarboom gleed uit zijn handen overboord het water in.

Ralph opende zijn ogen en zag de heldere sterrenhemel boven zijn hoofd langzaam ronddraaien. Voordat hij besefte waar hij was, voelde hij de kou op zijn huid, de honger in zijn maag en de stijfheid van zijn spieren. Hij wilde zich uitrekken, maar het vlechtwerk van wilgentenen zat in de weg. Met moeite kwam hij overeind. De boot schommelde hevig en schepte net geen water. Naast hem zat Walter ineengedoken te slapen. Overal om hen heen zag Ralph het wervelende water.
“Walter, Walter, waar is de vaarboom?” riep hij vertwijfeld.
Walter schrok wakker. “Wat is dat, een vaarboom?” vroeg hij slaperig.
“We hadden er toch niet veel aan,” zei Ralph gelaten. “Ga jij nu maar slapen, dan hou ik verder de wacht.”
Walter ging voorzichtig op de bodem van de boot liggen en sliep meteen verder. Ralph tuurde over het donkere water. Door het langzaam ronddraaien van de boot zag hij nu weer de sombere oever van het Groene Woud, dan weer de steile oever er tegenover, die vaag verlicht werd door de halve maan laag aan de hemel. Ralph voelde zich veilig in de boot. De boot van de oude Elmar was een goede boot, die zou niet zomaar omslaan, anders was dat allang gebeurd. Een oude man in het dorp had hem ooit eens verteld, dat de rivier naar de rand van de wereld stroomde. Daar stortte het water uit alle rivieren in één grote waterval omlaag. Ralph rilde van de kou en hij had honger, maar voor de waterval over de rand van de wereld was hij niet bang. “Laat maar komen, die waterval,” dacht hij. Hij dommelde in elkaar gedoken in slaap en werd pas weer gewekt door het eerste vogelgezang, dat in de morgenschemering luid klonk vanaf de oever van het uitgestrekte Groene Woud. De zon steeg aan de helderblauwe hemel en het wateroppervlak weerkaatste de stralen. Urenlang en mijlenver dreven zij op de slingerende rivier. Zo nu en dan, wanneer de rivier iets breder werd en de stroom iets minder sterk, hadden ze geprobeerd met hun handen de boot naar één van de oevers te peddelen. Steeds weer had, lang voordat zij de oever bereikten, een plotselinge werveling in het water de boot naar het midden van de rivier teruggeduwd. Verbrand door de zon en uitgeput door de honger hadden ze hun laatste poging om de kleine, ovale boot te besturen, gestaakt. Willoos lieten ze zich meevoeren door het water.
“Als we konden zwemmen…” begon Ralph.
“Ik kan niet zwemmen,” zei Walter.
“Ik ook niet,” zei Ralph.
De zon brandde aan de hemel en de boot dreef langzaam rondtollend verder over de rivier.
“Gelukkig hebben we water genoeg om te drinken, anders kregen we een zonnesteek,” zei Ralph.
“Volgens mij heb ik allang een zonnesteek,” zei Walter. “De hele wereld draait voor mijn ogen.”
“Het is niet de wereld, die draait, maar de boot,” zei Ralph.
“Weet je het zeker?” zei Walter. “Volgens mij is het echt de wereld die rondjes draait.”
“Je hebt gelijk,” zei Ralph. “Je hebt een zonnesteek.”
Ralph kroop naar de rand van de boot en schepte water in zijn handpalm en sprenkelde het koele rivierwater over het hoofd van Walter.
“Dank je,” zei Walter. “Ik voel mij al beter, maar de wereld draait nog steeds.”
Ralph ging door met het gooien van water naar Walter’s gezicht, tot hij druipend van het water toegaf, dat het de boot was, die draaide, en niet de wereld.
Op beide oevers groeide een donker bos, dat zwart afstak tegen de blauwe hemel. Geleidelijk werden de oevers steiler, de rivier smaller en de stroming sterker. Op de oevers zagen ze grote, grijze rotsblokken, waarop bomen zich met grillige wortels vastklemden. Steeds sneller dreef de boot voorbij de grijze rotsblokken op de oevers. Hier en daar vormden zich op het voortrazende wateroppervlak golfjes met wit schuim. De grote, grijze rotsblokken op de oever werden brokkelige, grijze rotswanden met verticale scheuren. Dit waren de Grijze Rotsen. Ralph tikte Walter aan en wees omhoog. Hoog boven op de grijze rotswand stak het zwarte, kleine silhouet van een wolf scherp af tegen de lichte lucht. Toen stortte de rivier zich door een nauwe kloof, gevuld met grillige, krachtige golven, die de boot heen en weer schudden.
“Wat gebeurt er?” riep Walter angstig.
“Dit is de rand van de wereld!” riep Ralph boven het geraas van het water uit. Het was niet de rand van de wereld, nog lang niet. Het was de Kookketel, de mijlenlange stroomversnelling, waar de rivier zich kolkend en bruisend in een donderende razernij door de kloof in de Grijze Rotsen perste. Een grote, staande golf krulde tegen de stroming in. De boot werd recht op de golf af gezogen, dreef met grote snelheid omhoog tegen de golf, stond even loodrecht en sloeg om. Proestend en happend naar lucht vielen Ralph en Walter in de onstuimige, schuimende draaikolken. Zij konden niet zwemmen, maar als ze wel hadden kunnen zwemmen, dan hadden ze daar weinig aan gehad. Alleen een wonder kon hen redden. Gelukkig voor Ralph en Walter leefden ze in een wonderlijke wereld, waar wonderen niet zeldzaam waren. Vlakbij dreef een ontwortelde boom. Instinctief grepen zij zich vast aan de takken. Tak voor tak werkten zij zich te midden van de golven en de stroming naar de stam van de boom, vlak onder de boomkroon. Zo dreven ze door het oorverdovende lawaai van de Kookketel. Als de ontwortelde boom tegen de rotsige oever werd op gesmeten, werd de klap opgevangen door de takken van de boomkroon of door de wortelpruik. Daarna dobberde de boom hevig schommelend verder. Vaak gingen Ralph en Walter kopje onder, altijd kwamen ze weer boven. Stevig hielden ze zich vast aan een dikke tak, vlakbij de stam, zo stevig alsof hun leven ervan af hing, wat ook zo was. De stroomversnelling perste zich tussen twee hoge, zwarte rotsen door, de Zwarte Poort. Voorbij de Zwarte Poort veranderde de rivier in een oneindig vertakt netwerk van kleine rivieren die langzaam ontelbare eilandjes omstroomden. In de schemering kwam de drijvende boom vast te zitten tussen de laaghangende takken van een kolossale wilg. Ralph en Walter trokken zich omhoog aan de horizontale takken, die als de uitgestrekte vingers van een reusachtige hand een veilig nest vormden. Hier vielen zij uitgeput in slaap.

De ochtendzon stond hoog aan de hemel en zijn kleren waren alweer gedroogd, toen Walter zijn ogen opende, even knipperde en het landschap in zich opnam. In de verte zag hij de Grijze Rotsen en de bovenkant van de twee zwarte rotsen aan weerszijden van de uitgang van de kloof. Het zicht op de rivier zelf en hoe deze de Zwarte Poort uitstroomde, werd belemmerd door goudgele rietstengels en wilgentakken vol met bloeiende katjes. Blinkende bergbeekjes vielen als dunne, zilveren draadjes van de steile hellingen van de Grijze Rotsen omlaag. Zwermen ganzen, eenden en andere watervogels vulden de heldere lucht boven het moeras.
Walter schudde Ralph wakker. “Je had ongelijk!” riep hij tegen hem. “Het was gister niet de rand van de wereld.” Ralph wreef in zijn ogen en over zijn lege maag. “Nee, het was niet het einde van de wereld, maar als we niet snel iets te eten vinden, dan is het wel het einde van ons.”
“We moeten de omgeving verkennen,” zei Walter, terwijl hij over de dikke takken van de wilg omlaag kroop. Ralph volgde hem. Hun verkenningstocht was snel voorbij. De stam van de boom stond in langzaam stromend water. Door de hoge waterstand van de rivier was het eilandje waarop de boom stond, geheel overspoeld. De ontwortelde boom, die hen veilig door de Kookketel had gebracht, was losgeraakt en verder gedreven. Ralph en Walter klauterden weer omhoog in de wilg.
“O, wat ik heb een honger,” jammerde Walter.
“Niet aan eten denken,” zei Ralph. “Daar wordt de honger alleen maar erger van.”
“Jij begint over eten te praten,” zei Walter verwijtend.
“Nee, jij over honger,” zei Ralph.
“Nee jij begon!”
“Jij begon!”
Zo kibbelden zij verder, totdat ze zelfs daar geen fut meer voor hadden. Zwijgend zaten ze op een lage, dikke tak van de grote wilg en ze keken hoe de zon langzaam naar de horizon boven het moeras zakte. Plons, plons, klonk het zachtjes achter hen. Ralph en Walter draaiden zich om op de tak en zagen een kromme man in lompen op een vlot, dat hij langzaam naar hen toe boomde, tot aan de stam van de grote wilg.
“Wat voor vogeltjes zitten daar in de boom, lusten zij een korstje brood?” lispelde de man op het vlot. “Vogeltjes, kom maar hier.” De ogen van Walter en Ralph rolden bijna uit de kassen, toen zij de broodkorsten zagen, die op de uitgestrekte hand van de man lagen. Ze lieten zich van de tak afglijden op het vlot en gretig pakten ze het oudbakken, beschimmelde brood van de man aan en propten het in hun mond alsof het godenspijs was. “Kom maar mee naar mijn hut, daar liggen nog veel meer broodkruimeltjes, ” lispelde de man en hij duwde het vlot met Ralph en Walter van de boom af.
Tijdens de lange tocht door het moeras veranderde het vlot vele malen van richting om een zijkreek in te gaan of om een dichtbegroeid eiland heen te varen. Overal waar het vlot verscheen, vlogen troepen watervogels met veel kabaal op. De kromme man keek zo nu en dan vriendelijk glimlachend naar de jongens en dan weer voor zich uit om zijn weg te vinden in de wirwar van waterlopen. Zijn lompen waren grauw en gescheurd en verspreidden een muffe lucht. Op het vlot lagen netten, strikken, kleefstokken en zakken en kisten waaruit soms een gedempt gesnater klonk. De zon zakte in een dikke laag nevel. Ralph en Walter verloren ieder gevoel van richting in het doolhof van kreken en stroompjes. Het vlot stootte op een oever. De kromme man sprong lenig op de kant en maakte het vlot met een touw vast aan een paal. “Kom maar vogeltjes, mijn hut is vlakbij.”
“Waar zijn we nu?” vroeg Walter achterdochtig.
“Vlakbij mijn hut,” antwoordde de man. “Heel veel lekkere broodkruimeltjes liggen daar.”
“Waar ligt jouw hut?” vroeg Walter.
“Midden in het moeras, midden in het moeras,” antwoordde de man en hij loog, want zijn hut lag aan de rand van het Wilgenmoeras, niet ver van de Lange Weg. “Kom maar mee, vogeltjes. Broodkruimeltjes, lekkere broodkruimeltjes voor jullie snaveltjes liggen er in mijn hut.”
Gedreven door de honger volgden Ralph en Walter de man over een smal, donker pad door het riet naar een scheve hut. Rook kringelde omhoog door een gat in het rieten dak. Tegen de buitenkant van de hut stonden kisten en kooien opgestapeld, waarover netten hingen. De man hield een lage deur open. Ralph en Walter bukten zich om naar binnen te gaan. Er brandde een klein vuur van turf, dat een flakkerend licht op de kale, stoffige wanden wierp. Op de vloer lag overal riet. Een vrouw, net zo krom als de man van het vlot en gekleed in kleurloze lompen, stond voor het vuur en roerde in een ketel. Ze keek op en sprak met een tandeloze mond. “Kom maar hier, vogeltjes. Hebben jullie honger?” Ze wees op een lage tafel van ongeschuurde planken, waarop hompen brood lagen. Ralph en Walter gingen op een bundel riet zitten en propten het brood in hun mond. De vrouw schepte met een grote houten lepel soep uit de ketel. Ze gaf Ralph en Walter ieder een kom. Gretig lepelden Ralph en Walter de soep naar binnen. Er dreven snaveltjes en vogelpootjes in. Die spuwden ze op de vloer.
“Vul je buikjes maar, vogeltjes,” zei de kromme man.
“Hier, drink dit op, om lekker te slapen,” zei de vrouw en ze gaf Ralph en Walter ieder een leren nap vol met geitenmelk. Dorstig van de soep sloegen Ralph en Walter de drank in één teug achterover. Ze vielen als een blok op de met riet bedekte vloer. Er zat een krachtige slaapdrank in de geitenmelk. De man en de vrouw bonden de handen en de voeten van Ralph en Walter stevig vast. Ze sleepten de slappe, willoze lichamen over de vloer naar het midden van de hut. De man veegde het riet opzij en schoof een langwerpig luik opzij. Er opende zich een ondiepe kelder, niet meer dan een gat in de grond, als een ondiep graf, net voldoende ruimte voor twee lichamen.
“Voorzichtig!” zei de man tegen de vrouw. “Levend zijn deze vogeltjes meer waard. Dan blijven ze langer vers.”
“Ja, ja,” siste de vrouw.
Ze legden Walter en Ralph tegen elkaar aan in de ondiepe kuil.
“Slaap zacht, vogeltjes,” lispelde de man en hij schoof het luik terug en verzwaarde het met stenen.


4. Door het Groene Woud en over de Grijze Rotsen


De eerste drie dagen van hun tocht door het Groene Woud beleefden Isumbras, Asra en Wibald geen avonturen. Ze reden op de rug van Zwarthoef zoveel mogelijk langs de oever van de rivier. Nauwlettend speurden zie iedere meter van de oever af, op zoek naar Walter en Ralph, de boot of restanten ervan. Waar door omgevallen bomen of zompige bodem het niet mogelijk was om de oever te volgen, gingen ze dieper het woud in. Zo sneden ze soms zonder het te weten een meander af, die ze graag hadden willen onderzoeken. Soms volgden ze met veel moeite de hele bochtige lengte van een meander, die ze graag hadden afgestoken als ze van tevoren hadden geweten dat ze er niets zouden vinden. Wanneer het te donker werd, stegen ze af en maakten ze op een kiezelstrandje langs de rivier een bivak voor de nacht, om bij het eerste ochtendlicht weer verder te gaan. De nachten waren koud en de zak met proviand en de zak met voer voor Zwarthoef raakten snel leeg, maar verder was er niets om zich zorgen over te maken, behalve natuurlijk dat Ralph en Walter onvindbaar bleven. Op een enkele vogel na zagen ze geen dieren. Van beren en wolven was geen spoor. Aan het einde van de derde dag, bij het kampvuur naast de ruisende rivier vertelde Isumbras over zijn leven aan het Hof van de Koning.
“Drie koningen heb ik als page gediend. Twee koningen heb ik aan tafel bediend en van twee koningen heb ik briefjes gebracht aan vrouwen van dolende ridders. Twee koningen heb ik vermoord zien worden, allebei aan tafel, terwijl ik hen bediende, allebei door een dolende ridder die onverwachts thuiskwam. Van de huidige koning mocht ik enkel zijn harnas poetsen. Hij laat zich aan tafel liever door jongere pages bedienen en hij stuurt geen briefjes aan vrouwen van dolende ridders. De koningin is de mooiste vrouw in de wereld. Zij is de opperpriesteres van de Godin van de Schoonheid.”
“Ben je lang page geweest?” vroeg Asra.
“Bijna veertig jaar,” antwoordde Isumbras.
“Duurt het altijd zo lang om ridder te worden?” vroeg Wibald.
“De meeste pages worden na een jaar of tien tot ridder geslagen, maar ik was niet zo handig in het zwaardvechten en het paardrijden kreeg ik niet onder de knie. Ik heb het aan de hofnar te danken dat ik ridder ben geworden.”
“Wat heeft ie dan gedaan?” vroeg Asra.
“Niets, en dat was mijn redding. De hofnar was al een week ziek. De koning en de ridders verveelden zich. Uit vermaak heeft de koning mij tot ridder geslagen en zwaard, paard en opdracht gegeven. Ik moet van de koning de rand van de wereld zoeken. Het zwaard kon ik met moeite optillen en het paard was te groot voor mij, maar eindelijk was ik ridder. En de opdracht van de koning zal ik vervullen. De rand van de wereld zal ik vinden.”
“Wat gaat u doen als u de rand van de wereld heeft gevonden?” vroeg Wibald.
“Dan bouw ik er mijn kasteel en rijd ik rond om reizigers te redden die verdwaald zijn en de rand te dicht naderen.”
“Hebben alle ridders een opdracht gekregen?” vroeg Asra.
“Ja, maar meestal is de opdracht om de boeren te beschermen tegen de rovers. Alleen de ridders van de Dorre Tak en ik hebben een andere opdracht. ”
“Wat moeten die ridders van de Dorre Tak doen?” vroeg Wibald.
“De Dorre Tak beschermen. Kennen jullie de profetie van de Dorre Tak niet?”
“Nee,” zei Wibald.
“Nee,” zei Asra.
“Ooit zal de Dorre Tak weer groen worden en dan zal de Wijze Koning weer opstaan uit zijn graf en de Wijze Koning zal regeren en alle mensen zullen gelukkig zijn. Als jullie met mij mee reizen, dan neem ik jullie mee naar het kasteel van de ridders van de Dorre Tak. Daar op de binnenplaats kunnen jullie met eigen ogen de Dorre Tak zien naast het graf van de Wijze Koning.”
“Ja, maar eerst moeten we Walter en Ralph vinden,” zei Wibald.
“O, ja, Walter en Ralph,” zei Isumbras ietwat afwezig.
Op de vierde dag van de tocht door het Groene Woud hadden ze nog steeds geen spoor van Walter en Ralph gevonden. Ze staken een ondiep zijriviertje over. De bosgrond was drassig.
“Pootafdrukken!” riep Wibald verschrikt.
“Wolven!” riep Asra in paniek.
“Stil!” maande Isumbras.
Maar stilte mocht niet meer baten. De wolven hadden hen al lang geroken. Felle ogen gluurden hen vanachter boomstammen aan. Ze waren omsingeld. Isumbras trok zijn grote zwaard en viel door het gewicht bijna van het paard. Wibald kon hem nog net vast grijpen. Zwarthoef brieste en trapte en galoppeerde op de kring van belagers af. De wolven hadden respect voor de hoeven van het grote paard en weken uiteen. Zwarthoef en zijn berijders ontsnapten uit de omsingeling. De achtervolging was begonnen. De paardenhoeven zakten weg in de modder, maar zolang de bomen ver uiteen stonden, konden de wolven hen met moeite bijhouden. Asra keek achterom. De horde wolven rende met grote sprongen achter hen aan. Asra zag de lange tongen en de grote tanden. Een omgevallen beuk versperde de weg. De stam was te hoog voor een sprong. Zwarthoef stopte. Wibald vloog tegen Isumbras en Isumbras vloog tegen Asra en Asra was over de nek van het paard heen gevlogen als zij zich niet stevig aan zijn manen had vastgehouden.
“Berg je zwaard maar weer op, ridder!” sprak een vriendelijke stem. “De wolven van Gnargar doen de mensen geen kwaad.”
Op de stam zat een grote, grijze wolf. Hij keek met scherpe blik naar Zwarthoef, Isumbras, Asra en Wibald.
“Heeft de wolf gesproken?” vroeg Isumbras verbaasd. In de wonderlijke wereld van dit verhaal kunnen de dieren niet praten.
“Een weerwolf, overdag mens en ’s nachts een wolf!” riep Asra angstig.
“Nee, het is nu dag! Het moet een wolfling zijn, half mens, half wolf!” zei Wibald, ietwat betweterig.
“De wolf heeft niet gesproken. En ook geen weerwolf. En geen wolfling. Ik ben een eenvoudige kluizenaar.”
Vanachter de omgevallen boom verscheen een oude, naakte man met grijs haar tot aan zijn voeten. Hij was zo mager dat al zijn botten zichtbaar waren onder zijn oude, broze huid.
“Kluizenaar!” riepen Asra en Wibald in koor. Ze sprongen van de hoge rug van Zwarthoef in de zachte modder en bekogelden de meer dan honderd jaar oude man. Hun gelukkige kinderjaren waren ze niet vergeten. De kluizenaar glimlachte. De wolven hadden smerige poten en zaten vol vlooien, maar met modder gooien konden ze niet.
“Wat jammer dat we Ralph en Walter nog niet gevonden hebben,” zei Asra en ze gooide nog een kluit.
“Ja, dan hadden ze ook modder naar de kluizenaar kunnen gooien,” zei Wibald tevreden na een voltreffer op de neus van de kluizenaar.
“Hoe zijn jullie hen kwijtgeraakt?” vroeg de kluizenaar, die er wel voor zorgde, dat hij zijn mond alleen open deed tussen twee modderkluiten door.
“Ze zijn in een boot de rivier afgedreven,” antwoordde Asra. Ze begon moe te worden en het gooien met modder naar de kluizenaar was toch minder leuk dan vroeger toen ze nog kind was. Ook Wibald hield op. De kluizenaar maakte allerlei keelklanken naar de grote, grijze wolf. In de wonderlijke wereld van dit verhaal kenden de dieren de mensentaal niet, maar kluizenaars kenden wel de taal van de dieren. De wolf gromde terug.
“Gnargar vertelt mij, dat wolven drie dagen geleden hebben gejaagd op twee mensen die op de rivier dreven,” zei de kluizenaar.
“U zei toch dat zijn wolven de mensen geen kwaad doen,” zei Asra.
“Het waren andere wolven, van de roedel van Hugur,” zei de kluizenaar. “Zij hebben de mensen niet kunnen vangen. Eén van de wolven van Gnargar heeft twee dagen geleden iets de kloof in zien drijven, dat naar mensen rook.”
“Als dat de kloof is met de Kookketel dan ziet het er slecht voor ze uit,” zei Isumbras.
“Wat is dat, de Kookketel?” vroeg Wibald.
“Zo noemen wij de stroomversnelling stroomopwaarts van het Wilgenmoeras,” zei Isumbras. “Door het moeras durft een enkeling te varen, maar voorbij de Zwarte Poort gaan durft niemand. Dat is het begin van de Kookketel, of eigenlijk het einde, als je het vanaf hier stroomafwaarts bekijkt.”
“We moeten in die kloof naar ze gaan zoeken!” riep Asra.
“Dat is onmogelijk,” zei Isumbras. “Het water stroomt daar tussen steile rotswanden door. De oevers zijn onbegaanbaar. Het heeft ook weinig zin. Als jullie vrienden de Kookketel overleefd hebben, dan zijn ze in het Wilgenmoeras terecht gekomen.”
“Dan gaan we naar dat moeras!” zei Wibald. “De kortste weg! Het is al twee dagen geleden, dat ze de kloof in dreven.”
“De kortste weg is ook de gevaarlijkste,” zei Isumbras. “Dat pad loopt over de Grijze Rotsen. Het wemelt daar van de rovers die zich schuil houden voor de ridders van de koning.”
“U bent toch niet bang?” vroeg Wibald.
“Nee,” zei Isumbras, en hij sprak de waarheid. “En jullie?”
“Ik ben niet bang,” zei Wibald vastberaden, maar niet geheel naar waarheid.
“Ik wel,” zei Asra oprecht. “Maar we moeten Walter en Ralph vinden.”
Wibald en Asra klommen weer op de rug van Zwarthoef. Het paard hinnikte. De kluizenaar hinnikte uitgebreid terug.
“Wat zei mijn paard?” vroeg Isumbras aan de kluizenaar.
“Dat jullie de weg door het woud niet zo goed kennen. Ik heb hem de snelste route naar het pad over de Grijze Rotsen verteld.”
“Dat is handig, een paard dat de weg weet,” zei Isumbras. “Dan kunnen wij onderweg een dutje doen.”
Terwijl de met modder besmeurde kluizenaar hen uitzwaaide en Gnargar en zijn roedel een afscheidsgroet huilden, reden Isumbras, Wibald en Asra op het grote, zwarte paard verder, dwars door het Groene Woud naar de Grijze Rotsen.
De weg naar de Grijze Rotsen was langer dan ze gehoopt hadden. Of de kluizenaar had het niet goed uitgelegd. Of Zwarthoef had niet goed opgelet. Of alledrie tegelijk. Wibald en Asra werden ongeduldig. Isumbras werd ongerust.
“Zo vinden we Ralph en Walter nooit,” zei Wibald.
“Ik hoop dat we niet verdwaald zijn,” zei Isumbras.
Zwarthoef sjokte rustig verder.
In de middag van de tweede dag na hun ontmoeting met de kluizenaar en de roedel van Gnargar klom het bos tegen een helling op. De bomen stonden verder uit elkaar, de stammen werden dunner en overal lagen grote, grijze rotsblokken. Bijna ongemerkt ging het Groene Woud over in de Grijze Rotsen. Op de open plekken tussen de bomen en de rotsblokken groeiden plukken mals gras. Bij een hoge stapel stenen hield Isumbras halt.
“Hier is het begin van het pad over de Grijze Rotsen,” zei Isumbras opgelucht. “Of eigenlijk het einde, want niemand gaat ooit het Groene Woud in.”
“Het werd tijd,” zei Wibald. “De zak met proviand is bijna leeg.”
“Het voer voor Zwarthoef is al op,” zei Asra.
“Zwarthoef kan grazen,” zei Isumbras.
Het paard knabbelde aan een pol gras onderaan de stenenhoop en pas toen er geen sprietje meer stond, konden ze weer verder. Het pad werd steiler. Ze kwamen maar langzaam vooruit. Bij ieder stukje gras langs het pad bleef Zwarthoef staan om te grazen. De bomen waren lager en grillig gevormd, de wortels kronkelden over de rotsen. Boven hun hoofd was de open, heldere lucht. Het gaf een bevrijdend gevoel na zes dagen in het dichte woud, alsof ze weer makkelijker adem konden halen. Bij een scherpe bocht in het pad keken ze omlaag naar waar ze vandaan kwamen. De late middagzon scheen over de boomkronen van het Groene Woud. Voor hen slingerde het pad nog enkele mijlen verder omhoog, daarna kwamen ze op een uitgestrekt plateau. De laatste, warme, gele stralen schenen in hun gezicht, daarna ging de zon onder achter een richel. Op het plateau was het gras korter en droger en er was voor Zwarthoef minder te grazen. Zo konden ze in de schemering redelijk snel het pad over het plateau volgen, dat van steenhoop naar steenhoop liep. Toen het te donker werd, stapten ze af bij een paar lage dennen om wat te eten en te wachten tot de maan opkwam. Er lagen takjes en dennenappels op de grond. Wibald wilde een vuurtje maken, maar Isumbras hield hem tegen. “Het zit hier vol met roversbendes en als ze een vuurtje zien, dan hebben ze ons zo te pakken,” zei de dappere, maar ook verstandige ridder. De maan kwam op. In het vale, zilveren licht gingen zij verder.
“Rovers zijn hier niet het enige gevaar,” zei Isumbras, terwijl hij op een donkere, nauwe kloof naast het pad wees. “Gelukkig is het pad goed gemarkeerd met steenhopen.”
“Wie heeft die steenhopen neergelegd?” vroeg Asra.
“De bewoners van de Grijze Rotsen,” antwoordde Isumbras.
“Wie wonen hier dan?” vroeg Wibald. “Herders?”
“Nee, het gras is hier te schraal voor vee. Er wonen in de Grijze Rotsen enkel rovers. Die willen niet verdwalen in de winter als er sneeuw ligt en het is een stuk makkelijker om reizigers te overvallen die braaf het pad volgen. De rovers willen ook niet dat een reiziger in een kloof valt voordat ze hem hebben kunnen beroven.”
“Dus het is eigenlijk gevaarlijk om dit pad te volgen,” zei Asra.
“Ja,” zei Isumbras, “maar het is nog gevaarlijker om het niet te volgen.”
Het pad liep tussen twee richels door. In het maanlicht wierp het grote, zwarte paard met zijn drie berijders een spookachtige schaduw voor zich uit. Plotseling kwamen er schaduwen bij. Ze keken om en zagen vlak achter hen donkere gedaantes.
“Rovers!” riep Isumbras. “Hou me vast,” zei hij tegen Wibald en hij trok zijn lange zwaard. De schaduwen waren weg. Achter hen was het pad leeg. Met getrokken zwaard reed Isumbras verder. Donkere gedaantes doken voor hen op en verdwenen weer in het niets. Het was een angstaanjagend schimmenspel. Bovenop de richels lichtten fakkels op. Een grote man met een fakkel in zijn hand liep omlaag het pad op en versperde de weg. Het was de aanvoerder van de bende. Isumbras zwaaide moeizaam met zijn zwaard en riep “Laat ons er door. Ik ben ridder Isumbras. Ik ben op zoek naar de rand van de wereld in opdracht van de koning.”
Overal klonk gelach.
“Een ridder die op zoek is naar de rand van de wereld, dat is iets nieuws,” zei de aanvoerder. “De ridders die wij kennen, hebben allemaal de opdracht van de koning om de rovers te beroven.”
“De ridders hebben de opdracht van de koning om de boeren te beschermen tegen boeven zoals jullie!” riep Isumbras verontwaardigd. Luid gelach weerkaatste tegen de rotsen.
“Waarom leggen de ridders ons dan geen strobreed in de weg als wij de dorpen plunderen?” zei de aanvoerder bulderend. “Ridders zien we enkel als ze hun aandeel in de buit komen opeisen.” Hij hield zijn fakkel omhoog. “Wie zitten er nog meer op het paard?”
“Asra,” zei Asra.
“Wibald,” zei Wibald. “Wij komen van de Glooiende Hellingen en zijn op zoek naar Walter en Ralph, die de Stroom zijn afgedreven.”
“Glooiende Hellingen, waar heb ik dat meer gehoord?” zei de aanvoerder. “Kwam dat stelletje haveloze landlopers daar jaren geleden niet vandaan? Eén van hen heette Arnogast.”
De bende lachte.
“Jullie hebben onze broers en zussen overvallen!” riep Wibald.
De rovers lachten.
“Waarom zou ik Arnogast beroven?” zei de aanvoerder. “Arnogast is mijn naam en dat stelletje haveloze landlopers dat waren wij!”
De rovers juichten. Eén van hen riep “Broertje!” naar Wibald en een ander “Zusje!” naar Asra.
“Asra en Wibald, in ons kamp kunnen we verder praten,” zei Arnogast. “De ridder mag als gast meekomen, al zal hij bij ons niet de rand van de wereld vinden.”
Zij volgden Arnogast. Achter hen volgden de schaduwen van rovers en over de richels dansten de fakkels. In het kamp van de rovers aten zij bij een groot vuur. Arnogast vertelde. “Na onze lange reis door het Groene Woud en over de Grijze Rotsen was ons proviand op. We waren uitgehongerd. Aan de voet van de Grijze Rotsen zagen we een dorp. Daar wilden we om eten vragen. De boeren dachten dat we rovers waren en vluchtten weg. Toen hebben we het eten zelf maar gepakt. Vanaf dat moment waren we inderdaad rovers. En het bevalt ons goed. Wij roven van de boeren, de ridders roven van ons en de koning rooft van de ridders.”
“Zo is het niet altijd geweest,” zei Isumbras verontwaardigd. “Mijn vader is gesneuveld bij de verdediging van een dorp tegen rovers. Ik was toen een klein kind.”
“Aan uw grijze haren te zien, is dat lang geleden,” zei Arnogast spottend. “Sindsdien zijn de ridders verstandiger geworden. Enkel de boeren zijn dom gebleven, anders waren ze wel rover geworden, of ridder, of koning.”
Iedereen om het kampvuur lachte, behalve Isumbras.
“Alleen de zonen van ridders kunnen ridder worden,” zei hij zachtjes binnensmonds. Hij was een serieus man en hij had de grap van Arnogast niet begrepen.
“Indertijd waren we graag met jullie meegegaan,” zei Wibald.
“We waren te jong, daarom mochten we niet mee,” zei Asra.
“Nu zijn jullie oud genoeg om je bij ons aan te sluiten,” zei Arnogast.
“Maar nu moeten we eerst Ralph en Walter vinden,” zei Asra.
“Daarna, misschien, als we de weg terug kunnen vinden,” zei Wibald.
“Reis dan maar niet te lang met de ridder mee, want van de rand van de wereld is er geen enkele weg terug!” zei Arnogast lachend.
De volgende dag namen Asra, Wibald en Isumbras afscheid van de rovers. De zak met proviand en de zak met voer waren weer vol. Over een slingerend pad daalden ze de steile wand van de Grijze Rotsen af naar het begin van de Lange Weg aan de zoom van het Wilgenmoeras.


5. Buit


Dunne stralen zonlicht drongen door kieren in het hout de donkere schuur binnen en deden het stof in de lucht fonkelen. In de schuur lagen zakken graan en meel en in het midden stond een rosmolen. Ralph en Walter zaten vastgeketend aan de stangen van de rosmolen. Ze duwden tegen de stang voor zich en lieten met moeite de zware molensteen ronddraaien. Zweet stroomde langs hun blote ruggen. Ze hapten naar adem in de bedompte, stoffige ruimte. Als de molensteen niet snel genoeg draaide naar de zin van de molenaar dan klakte hij met zijn zweep boven hun hoofden en soms op hun blote rug. Er kwamen twee mannen binnen, een boer en de bakker. De boer kwam ongemalen graan brengen bij de molenaar. De bakker kwam om meel te kopen.
“Wat heb je voor ezels in de rosmolen lopen?” vroeg de bakker lachend.
“Eerst had je vier paarden, daarna drie muildieren en toen twee ezels en nu twee jonge slaven,” lachte boer. “Paarden, muildieren en ezels hielden het allemaal niet langer uit dan een paar maanden in jouw rosmolen. Dat komt er van als je enkel rot stro als voer geeft.”
“Voer je de slaven ook rot stro?” vroeg de bakker en hij brulde van de lach.
“Lachen jullie maar,” gromde de molenaar en hij sloeg met zijn zweep op de blote rug van Walter. “Jullie hebben makkelijk praten. Jullie worden rijk. Het graan is momenteel goud waard en het brood is ook niet gratis. Waar moet ik als arme molenaar van leven?”
“Van de graankorrels die in jouw molensteen verdwijnen maar er niet als meel uitkomen,” lachte de boer.
“Van het meel dat je mij wel verkoopt maar dat je niet in de zak stopt,” lachte de bakker.
“Denken jullie dat ik het gewicht van het graan kan verdubbelen door het te malen?” gromde de molenaar en hij liet het uiteinde van zijn zweep striemen op de blote rug van Ralph. “Deze twee slaven hebben mij samen minder gekost dan een halve ezel.”
“Aan een halve ezel heb je niet veel in jouw rosmolen,” lachte de bakker.
“Misschien is een halve ezel genoeg om halve graankorrels te malen,” lachte de boer.
“De twee slaven werken harder dan een hele ezel,” gromde de molenaar. “Daar zorgt mijn zweep wel voor.” De zweep klakte op de rug van Walter en zijn gezicht vertrok van de pijn. “Ze verdienen niet beter,” zei de molenaar. “Het zijn roverskinderen. Ik ben nog te goed voor ze.” Weer klakte de zweep en Ralph beet op zijn onderlip.
“Hoe komen die roverskinderen in jouw rosmolen?” vroeg de boer.
“De vogelvanger heeft ze gevonden in het Wilgenmoeras,” antwoordde de molenaar.
“Dan zijn ze zeker van de Grijze Rotsen afgevallen,” grapte de bakker.
“Omdat hun vleugeltjes nog niet volgroeid waren,” voegde de boer er lachend aan toe.
“Het kan mij niet schelen hoe ze in het moeras terecht zijn gekomen,” zei de molenaar. “Ik heb ze voor drie zakken meel van de vogelvanger gekocht. Dat is de prijs van een halve ezel.”
“Goedkoper dan een halve ezel!” zei de bakker. “Ik weet hoe weinig meel jij in een zak doet!”
De molenaar gromde en de zweep liet een rood spoor achter op de blote rug van Walter.
De deur van de schuur zwaaide open en een man riep naar binnen “Ren voor je leven, de rovers komen er aan!” De man gaf zelf het goede voorbeeld en hij verdween uit de deuropening zonder een ogenblik te verliezen. Dit maakte indruk. Iedereen in de schuur volgde meteen de raad van de man op en rende voor zijn leven. Behalve Ralph en Walter. Zij zaten vastgeketend aan de stangen van de rosmolen. Zij konden niet rennen voor hun leven. Zij konden enkel toekijken hoe de molenaar en de boer en de bakker in paniek de schuur uit snelden. Uitgeput steunden Walter en Ralph op de stang voor zich.
“Het is niet eerlijk dat de molenaar is weggegaan zonder jou nog een keer met de zweep te slaan,” zei Walter. “Hij heeft mij één keer vaker geslagen.””
“Hij heeft mij harder geslagen,” zei Ralph. “Mijn striemen zijn langer.”
“Hoe kan je dat weten?” zei Walter. “Je kunt jouw eigen rug niet zien, enkel mijn rug.”
“Ik kan mijn rug niet zien maar des te beter voelen,” zei Ralph. “De striemen voelen langer dan mijn rug.”
“Dan ben je harder geslagen dan ik,” zei Walter. “Als we die molenaar te pakken krijgen dan zullen we hem er van langs geven met zijn eigen zweep! Net als die vogelaar die ons als slaven verkocht. En zijn vrouw die ons slaapdrank gaf!”
“Voorlopig geven we niemand er van langs met de zweep,” zei Ralph. “Voorlopig zitten we vastgeketend. Er komen rovers aan. We moeten voor ons leven rennen maar dat lukt zo niet.” Ralph trok tevergeefs aan de kettingen.
“We vertellen de rovers dat we roverskinderen zijn,” zei Walter. “Dat dacht de molenaar ook.”
“Denk je dat de rovers dat geloven?” vroeg Ralph.
“Misschien,” antwoordde Walter. “Misschien laten de rovers ons dan vrij.”
“Misschien,” herhaalde Ralph. “Als we geluk hebben.”
Voor de zekerheid rukten Walter en Ralph toch maar zo hard als ze konden aan de kettingen om ze uit de houten stangen te trekken.
“Wat hebben we daar!” klonk een rauwe stem vanuit de deuropening boven het gerammel van de kettingen uit.
“Ezels in de rosmolen!” riep een andere rauwe stem.
Twee donkere silhouetten staken zwart af tegen het licht in de openstaande deur. Het blanke staal van ontblote zwaarden schitterde in het zonlicht.
“Wij zijn roverskinderen!” riep Walter.
“Wij zijn van de Grijze Rotsen gevallen!” riep Ralph.
“Omdat onze vleugeltjes nog niet volgroeid waren!” riep Walter.
Twee breedgeschouderde mannen met woeste baarden liepen op de rosmolen af. Zwaarden werden geheven en met kracht omlaag gehouwen. Vonken vlogen in het rond en de kettingen braken. Walter en Ralph waren bevrijd.
“Deze twee slaven zijn grappig,” zei een rover.
“Roverskinderen!” lachte de andere rover. “Bij onze bende zijn geen kinderen. Enkel mannen! Wij zijn de beruchte bende van Rufus en Brutus!”
“Ik ben Brutus!” riep de rover die een zwarte baard had.
“Ik ben Rufus!” riep de rover met een rode baard.
“Waar zijn de andere rovers van jullie bende?” vroeg Ralph.
“Er zijn geen andere rovers in onze bende, enkel Rufus en ik,” antwoordde Brutus.
“Is twee rovers niet een beetje weinig voor een bende?” vroeg Walter. “Zijn jullie niet eigenlijk een roversduo?”
“Roversduo!” riep Rufus smalend. “Dat is meer iets voor struikrovers die reizigers op de Lange Weg overvallen. Wij zijn de gevreesde bende van Rufus en Brutus. Wij overvallen dorpen! De boeren rennen voor hun leven als zij ons zien.”
“Misschien worden jullie nog beruchter en nog meer gevreesd als jullie bende groter is,” zei Ralph.
“Wij willen graag lid worden van jullie bende,” zei Walter. “Wij zijn echte roverskinderen.”
“Mmm,” zei Brutus tegen Rufus. “Wat vind jij ervan?”
“Ik weet het niet,” zei Rufus. “Ze zijn nog geen mannen. Helpen kunnen ze ons wel. Ze kunnen de buit op de kar te laden.”
“Laten ze daar maar eens mee beginnen,” zei Brutus. “Als ze dat goed doen dan mogen ze misschien rovers worden in onze bende.”
“Wij willen het goud wel op een kar laden,” zei Ralph.
“Waar ligt de buit?” vroeg Walter.
“Daar!” zei Rufus en hij wees op de zakken graan en meel.
“Graan en meel?” vroeg Ralph verbaasd.
“Het graan is momenteel goud waard,” zei Brutus. “Daarom hebben we de rosmolen overvallen. En nu aan de slag! Alle zakken moeten naar buiten en op de kar!”
Walter en Ralph trokken hun hemden aan, die in een hoek van de schuur lagen, en ze tilden allebei een zak op hun schouder en droegen die de schuur uit. Buiten stond de kar van de boer met een klein, mager paard ervoor. Zak na zak legden Walter en Ralph op de boerenkar.
“Zijn wij nu rovers?” vroeg Walter uitgeput toen ze eindelijk klaar waren. Hoog lagen de zakken graan en meel opgestapeld op de kar.
“De buit moet eerst nog in veiligheid gebracht worden,” zei Rufus. “De kar is te zwaar beladen voor het paard. Jullie moeten de kar duwen.”
Zo ging de beruchte bende van Rufus en Brutus het dorp uit over de Lange Weg. Voorop liep Brutus. Hij hield het zwoegende paardje bij de leidsels. Walter en Ralph duwden tegen de achterkant van de kar. Achter hen liep Rufus, die hen zo nu en dan een schop gaf als hij vond dat ze niet hard genoeg duwden. Nog geen mijl waren ze gegaan over de Lange Weg, toen een stofwolk hen tegemoet raasde. De stofwolk kwam vlak voor hen tot stilstand. Het stof dwarrelde neer en voor hun stonden drie mannen in blinkende harnassen op grote paarden en met pluimen op hun helmen, rode, witte en gele. Lansen met gevaarlijk scherpe punten wezen omlaag naar de kelen van de rovers.
“Halt, rovers!” riep de man met de gele pluim.
“Wij zijn ridders van de koning!” riep de drager van de helm met de witte pluim.
“Wij beschermen de boeren tegen rovers!” riep de ridder met de rode pluim.
“Daarom beroven wij de rovers!” riep de gele pluim.
“De dorpelingen hebben ons gewaarschuwd dat hun dorp is overvallen!” riep de witte pluim.
“In naam van de koning bevelen wij jullie de buit van jullie overval op het dorp aan ons over te dragen!” riep de ridder met de rode pluim.
“Dit is de buit” zei Brutus gelaten en hij wees op de kar met zakken graan en meel.
“Wat zit er in de zakken?” vroeg de geel gepluimde ridder.
“Goud?” vroeg de wit gepluimde ridder begerig.
“Graan en meel,” antwoordde Rufus.
“Graan en meel?” vroeg de rood gepluimde ridder teleurgesteld.
“Ja,” antwoordde Brutus. “Het graan is momenteel goud waard.”
“Dat weten wij ook wel,” zei de ridder met de gele pluim bits.
“Jullie denken toch niet dat we met een boerenkar met graan en meel bij de koning kunnen verschijnen,” zei de ridder met de witte pluim.
“Wij zijn geen boerenkinkels!” riep de ridder met de rode pluim verontwaardigd.
“Wij zijn ridders van de koning!” riepen de drie ridders in koor.
“We wachten tot jullie het graan en het meel verkocht hebben voor goudstukken,” zei de ridder met de gele pluim.
“Dan sporen wij jullie weer op,” zei de ridder met de witte pluim.
“Om jullie van de goudstukken te beroven,” zei de ridder met de rode pluim.
“Wie zijn die twee jongens?” vroeg de gele pluim en hij wees op Ralph en Walter.
“Slaven uit de rosmolen,” antwoordde Brutus.
“Die slaven nemen we mee naar de koning,” zei de witte pluim.
“Dan komen we niet met lege handen bij de koning,” zei de rode pluim.
“Bind hun handen vast!” riep de ridder met de gele pluim tegen de Brutus en Rufus.
“Leg ze ieder op hun buik dwars voorop een paard van ons!” commandeerde de ridder met de witte pluim.
“Knoop dan een touw aan hun handen, haal het touw onderlangs de buik van het paard door en maak het aan hun voeten vast!” beval de ridder met de rode pluim.
Zo werden Ralph en Walter als buit door de ridders weggevoerd. Walter lag bij de ridder met de rode pluim voorop het paard, Ralph bij de ridder met de witte pluim. Ze lagen met de hoofden naar elkaar toe. Op hun buik met hun handen en voeten gebonden, lagen ze alles behalve gemakkelijk. Toch was het een verbetering vergeleken met het draaien van de rosmolen, het sjouwen van de zakken en het duwen van de zwaar beladen kar. Ze lagen met hun neus in de bezwete paardenvacht maar gelukkig waren ze niet gekneveld. Achter hen hoorden ze Rufus en Brutus ruzie maken over wie de leidsels van het paardje vast mocht houden en wie de kar moest duwen.
“We kunnen de kar net zo goed achterlaten en een ander dorp overvallen!” riep Brutus.
“Maar het graan is momenteel goud waard!” riep Rufus.
“De goudstukken die we ervoor krijgen, worden toch weer door de ridders afgepakt!” zei Brutus.
“Niet als we alle goudstukken snel in de herberg opmaken,” klonk nog net zacht het gegrom van Rufus. Daarna waren de rovers buiten gehoorafstand.
“Waar brengt u ons naar toe?” vroeg Walter.
“Naar het Hof van de Koning,” antwoordde de ridder met de gele pluim.
“Wat gebeurt er met ons?” vroeg Ralph.
“Jullie worden slaven in de hofhouding van de koningin,” antwoordde de ridder met de witte pluim.
“Wat moeten we dan doen?” vroeg Walter.
“Licht huishoudelijk werk,” antwoordde de ridder met de rode pluim.
De andere twee ridders lachten kwaadaardig.
“Licht huishoudelijk werk, dat klinkt geruststellend,” fluisterde Walter even later naar Ralph.
“Ja, maar hun lach klonk onheilspellend,” fluisterde Ralph terug.


6. Het kasteel van de Dorre Tak


Isumbras stuurde Zwarthoef van de Lange Weg af over een smal, verhoogd pad door het riet het Wilgenmoeras in. Aan weerzijden van het smalle pad was de lage grond drassig. De hoeven van het grote, zwarte paard gleden zo nu en dan weg en zakten in de modder. Het sterke dier trok zijn poot dan weer omhoog uit de blubber waarbij een onaangenaam, slurpend geluid klonk.
“Is het Wilgenmoeras groot?” vroeg Asra, die voor Isumbras op de rug van Zwarthoef zat.
“Onmetelijk groot en onbegaanbaar,” antwoordde Isumbras.
“Hoe kunnen we Ralph en Walter er dan ooit vinden?” vroeg Wibald. “Als ze nog leven en in het moeras zijn,” voegde hij er bezorgd aan toe.
“We gaan naar de hut van de vogelvanger,” zei Isumbras. “Hij weet alles wat er in het Wilgenmoeras gebeurt. Als Ralph en Walter levend de Kookketel uit zijn gedreven en in het moeras terecht zijn gekomen, dan kan de vogelvanger het ons vertellen. Zien jullie die rook daar boven de wilgen omhoog stijgen? Daar woont de vogelvanger.”
Het smalle pad tussen het riet eindigde bij een scheve hut, die schuil ging achter kisten, kooien en netten. In de opening van een lage deur zat een oude man in grauwe, gescheurde lompen. Zijn gerimpelde gelaat vertoonde een vriendelijke, ietwat zelfingenomen grijns. Zodra hij het grote, zwarte paard met zijn drie berijders zag, stond hij op en liep hij met een gekromde rug naar hen toe. Hij sprak met lispelende, vleiende stem. “Waarmee kan ik de dappere, verheven ridder en zijn pages van dienst zijn? Zoekt u mooie veren voor uw helm? Ik heb verse staartveren van de zilverreiger. Of wilt u liever van de purperreiger?”
“Wij zoeken geen veren maar Ralph en Walter,” zei Wibald.
“Twee jongens,” verduidelijkte Asra. “Ze zijn over de rivier het Wilgenmoeras in gedreven.”
Even verstarde het gezicht van de oude man, maar al snel was de vriendelijke grijns weer terug. “Twee jongens vraagt u? Vogeltjes heb ik gevonden in het moeras. Heel veel vogeltjes. Vogeltjes met mooie staartveren en smakelijke vogeltjes. Geen jongens dreven er rond waar ik met mijn boot door het moeras voer.”
“Dan gaan we naar het eerst volgende dorp om daar verder te vragen,” zei Isumbras en hij wilde Zwarthoef al laten omkeren.
“In het dorp vragen?” lispelde de oude man verschrikt. Een oude, kromme vrouw kwam de hut uit met een leren drinknap in haar handen. “Hebben de reizigers geen dorst?” sprak zij uit haar tandeloze mond. “Ik kan u koele geitenmelk geven.”
“Ja, blijft u nog even,” lispelde de vogelvanger. “Misschien heb ik toch jongens gezien. Het moeras is groot en mijn oude geheugen is klein. Laat mij nadenken.”
“Koele geitenmelk lust ik wel,” zei Wibald.
“Dorst heb ik ook,” zei Asra.
“Drinken jullie maar eerst,” lachte Isumbras. “Dan neem ik wat over is.”
De oude vrouw reikte Asra een leren nap aan. Voordat Asra deze aan kon pakken, steigerde Zwarthoef en sloeg hij met een voorhoef de leren nap uit de handen van de oude vrouw. De geitenmelk stroomde uit de drinknap op de grond. Snel ging de oude vrouw de hut weer in en sloot de deur achter zich. Zwarthoef steigerde opnieuw en sloeg met zijn voorbenen in de richting van de vogelvanger, die van schrik een afwerend gebaar met zijn handen maakte. “Heb medelijden met een arme, oude man,” lispelde hij angstig. “Ik kan het mij weer herinneren. Twee jongens heb ik gevonden in een grote wilg in het moeras. Ze zijn nu in het dorp, bij de molenaar.”
“Jullie hebben ze toch wel goed behandeld!” riep Wibald hem dreigend toe.
“Als prinsjes hebben we ze verwend,” antwoordde de oude man snel. “Vogeltjessoep en geitenmelk hebben wij ze gegeven. En we hebben ze naar de molenaar gebracht om molenaarsknecht te worden. Als molenaar worden ze later rijk. Hier in het moeras kunnen ze enkel vogeltjes vangen en in armoede oud worden. Blijft u toch nog even. Mijn vrouw komt zo met nieuwe geitenmelk voor u!” De oude vrouw liet zich echter niet meer zien en Zwarthoef liep met zijn berijders het smalle pad door het riet terug naar de Lange Weg. Na vele mijlen over de Lange Weg werd het landschap droger en minder vlak. De toppen van lage heuvels kleurden lichtgroen van het jonge graan. Kippen scharrelden rond schamele hutjes. Een boer wees hen de weg naar de schuur van de molenaar. Voor de schuur hield zwarthoef stil. Asra en Wibald sprongen lenig van zijn rug op de grond. Isumbras rolde de touwladder af en klauterde voorzichtig omlaag terwijl zijn harnas piepte en kraakte. Ze opende de deur van de schuur en gingen naar binnen. In de schuur lagen louter lege zakken. Een zwaargebouwde man duwde de zware molensteen van de rosmolen langzaam rond. Zweet stroomde over zijn gezicht.
“Bent u de molenaar?” vroeg Isumbras.
“Ja en ik betreur de dag dat ik het geworden ben,” antwoordde de man met sombere stem.
“Wij zoeken Walter en Ralph,” zei Wibald hoopvol.
“Twee jongens,” voegde Asra er aan toe. “Volgens de vogelvanger in het Wilgenmoeras zijn ze hier molenaarsknecht.”
“Ze zijn door rovers meegenomen!” riep de molenaar. “Net als al mijn graan en al mijn meel. Ik ben berooid. Ik moet zelf mijn rosmolen draaien. Geld voor ezels heb ik niet. Zelfs niet voor een slaaf.”
“Slaaf?” zei Wibald argwanend. “Ze zijn hier toch wel goed behandeld voordat ze door de rovers werden meegenomen?”
“Als mijn eigen kinderen,” loog de molenaar. “Ik draaide met mijn eigen handen de molensteen en ze mochten mij met de zweep geven als het niet hard genoeg ging. Als jullie haast maken dan vinden jullie de rovers misschien nog op de Lange Weg. Voor een onverschrokken ridder zullen ze meer respect hebben dan voor een arme, weerloze molenaar.”
Snel liepen Asra, Wibald en Isumbras de schuur weer uit en zij klommen op de rug van Zwarhoef. Het grote, sterke paard galoppeerde het dorp uit. Zo reden zij voort over de Lange Weg. De hoeven deden het stof in wolken opdwarrelen. In de schemering passeerden ze een boerenkar, waarop volle zakken hoog opgestapeld lagen. Een mager paardje trok de kar en twee breedgeschouderde mannen met woeste baarden duwden van achteren. Ze kwamen maar langzaam vooruit, zo zwaar beladen was de kar.
“We zoeken de rovers die de molenaar hebben overvallen!” riep Isumbras de twee mannen toe, terwijl hij Zwarthoef inhield en liet omkeren.
“Ze hebben Walter en Ralph meegenomen,” zei Wibald.
“Twee jongens,” verduidelijkte Asra.
De mannen achter de kar keken omhoog naar de berijders van het grote zwarte paard. De ene had een zwarte baard en de andere een rode.
“De rovers zijn ons kort geleden voorbij gereden, edele ridder,” bromde de man met de rode baard.
“Op de kar liggen dezelfde soort zakken als bij de molenaar in de schuur maar dan vol,” zei Asra op het moment dat Isumbras Zwarthoef verder wilde laten galopperen.
“Dit zijn de rovers!” riep Wibald. Isumbras trok zijn grote zwaard uit de schede terwijl Wibald hem vasthield opdat de ridder niet met zwaard en al van het paard af viel.
“Met rovers bedoelden we de ridders van de koning die er met onze buit vandoor zijn gegaan,” gromde de man met de zwarte baard snel. “We moeten u edele ridder teleurstellen. De andere ridders hebben de twee jonge slaven van de molenaar al meegenomen. Het enige wat u nog van ons kunt afpakken zijn deze zakken meel en graan.”
“En de boerenkar en het paardje,” bromde de rover met de rode baard.
“De zakken graan en meel hoeven wij niet,” zei Isumbras. “En de kar en het paardje ook niet.”
“Bent u dan geen ridder van de koning?” vroeg de rover met de zwarte baard verbaasd. “Moet u dan niet de dorpelingen beschermen tegen de rovers door de rovers te beroven?”
“Een ridder van de koning ben ik,” antwoordde Isumbras. “Maar mijn opdracht van de koning is om de rand van de wereld te vinden.”
“De rand van de wereld zoeken!” bulderde de rover met de rode baard.
“Dat is net zo belachelijk als het beschermen van de Dorre Tak!” bulderde de rover met de zwarte baard.
“Spot niet met de opdrachten van de koning!” riep Isumbras terwijl hij vervaarlijk met zijn grote zwaard door de lucht zwaaide. Wibald kon hem nog net vasthouden. “Ik beveel jullie de kar met het gestolen graan terug te brengen naar het dorp en terug te geven aan de molenaar,” riep Isumbras tegen de rovers. “Als jullie mijn bevel niet opvolgen dan zal ik jullie een lesje leren!”
De twee rovers draaiden met grote inspanning de kar om in de richting van het dorp.
“Jullie hebben Ralph en Walter toch wel goed behandeld?” vroeg Wibald. Isumbras zwaaide weer met zijn zwaard.
“Als roverskinderen,” antwoordden de rover met de rode baard snel.
“We hebben ze bevrijd uit de rosmolen van de molenaar,” gromde de rover met de zwarte baard.
“Ze mochten boven op de kar zitten terwijl wij duwden,” bromde de rover met de rode baard.
“Totdat ze van ons afgepakt werden door de ridders van de koning,” gromde de rover met de zwarte baard.
“Daarna werden ze door de ridders van de koning behandeld als slaven,” bromde de rover met de rode baard.
“Als jullie snel rijden dan kunnen jullie de ridders van de koning nog inhalen,” gromde de rover met de zwarte baard.
“Ze hebben hoogstens een halve mijl voorsprong,” bromde de rover met de rode baard.
Isumbras stak zijn zwaard weer terug in de schede en hij spoorde Zwarthoef aan tot galop. Wibald, die achter Isumbras op Zwarthoef zat, keek over zijn schouder om en hij zag de twee rovers de volgeladen kar weer omdraaien en van de Lange Weg af het struikgewas in duwen. Wibald zei niets hierover tegen Isumbras, want hij wilde niet dat de ridder om zou keren om de rovers een lesje te leren. Wibald wilde de ridders van de koning achtervolgen om Ralph en Walter te bevrijden. Met grote snelheid gingen Asra, Wibald en Isumbras in de schemering voort over de Lange Weg. Wolken bedekten de hemel. Er was geen maan en er schenen geen sterren. Dankzij de grote snelheid van Zwarthoef hadden ze reeds enkele mijlen afgelegd voordat een volkomen duisternis hen omringde. Isumbras hield Zwarthoef in en liet hem verder stapvoets rijden.
“Waarom rijden we zo langzaam?’ vroeg Asra.
“De weg is vol kuilen en de nacht is donker,” antwoordde Isumbras. “Ik wil niet dat Zwarthoef een been breekt.”
“Zo halen we nooit de ridders van de koning in,” zei Asra.
“De rovers hebben gelogen,” zei Isumbras. “Als de voorsprong van de ridders slechts een halve mijl was, dan hadden we ze allang ingehaald.”
“Ze brengen het graan ook niet terug naar de molenaar,” zei Wibald. “Ik keek om en zag ze de kar van de weg afduwen.”
“Waarom heb je dat niet tegen ons gezegd?” vroeg Asra.
“Ik wilde zo snel mogelijk de ridders achtervolgen om Ralph en Walter te bevrijden,” antwoordde Walter.
“Dat was precies de bedoeling van de rovers,” zei Asra. “Daarom hebben ze gelogen over de voorsprong van de ridders. We zijn er alle drie met open ogen ingestonken.”
“Daar is nu niets meer aan te doen,” zei Isumbras. “De ridders halen we vannacht niet meer in en waarschijnlijk helemaal niet meer voordat zij bij het Hof van de Koning zijn.”
“Wat zullen ze met Ralph en Walter doen?” vroeg Wibald.
“Als het klopt wat de rovers vertelden en als Ralph en Walter inderdaad door de ridders worden behandeld als in beslag genomen slaven, dan zullen ze door de ridders geschonken worden aan de koning. Zij zullen in slavernij gehouden worden aan het Hof van de Koning.”
“Kunt u de koning niet overtuigen om hen vrij te laten?” vroeg Asra.
“Helaas!” riep Isumbras. “Ik mag slechts terugkeren aan het Hof van de Koning als ik mijn opdracht voltooid heb, als ik de rand van de wereld gevonden heb.”
“Is er dan niets meer dat we kunnen doen?” vroeg Wibald vertwijfeld.
“Ik heb een plan,” antwoordde Isumbras. “We kunnen het aan de ridders van de Dorre Tak vragen. Zij zijn de nobelste ridders die er zijn. Zij zullen ons vast willen helpen. Als één van hen naar het Hof van de Koning gaat en het aan de koning vraagt dan is de vrijlating van Walter en Ralph zo goed als zeker een feit.”
“Mogen zij dan wel naar het Hof van de Koning voordat hun opdracht voltooid is?” vroeg Asra.
“Het kan nog eeuwen duren voordat de Dorre Tak weer groen wordt,” zei Isumbras. “Daarom mogen de ridders van de Dorre Tak één van hen naar het Hof van de Koning sturen om hem op de hoogte houden over de dorheid van de Dorre Tak, op voorwaarde dat de andere ridders in hun kasteel blijven om de Dorre Tak te beschermen.”
“Is het nog ver naar het kasteel van de Dorre Tak?” vroeg Wibald.
“Als we de hele nacht stapvoets doorrijden dan zijn we er morgenochtend,” antwoordde Isumbras.
“Moeten we niet slapen?” vroeg Asra.
“We kunnen slapen terwijl Zwarthoef loopt,” antwoordde Isumbras. “Zwarthoef kent de weg naar het kasteel van de Dorre Tak vanaf hier ook in het donker.”
Ze schommelden op de rug van het grote paard in een onrustige slaap, terwijl het dier stapvoets verder ging door de duisternis. In het ochtendgloren opende Asra haar ogen en ze zag een zwartgeblakerde ruïne op een kale heuveltop naast de Lange Weg. Ook Isumbras en Wibald werden wakker van het eerste zonlicht. Zwarthoef sloeg een smalle zijweg in, die naar de ruïne omhoog slingerde.
“Voor ons ligt het kasteel van de Dorre Tak,” zei Isumbras.
“Het is een ruïne!” riep Wibald bezorgd.
“Lang geleden was dit het Hof van de Koning, toen de koningen nog wijs waren,” zei Isumbras. “De laatste Wijze Koning ligt er begraven. Als de Dorre Tak weer groen wordt, dan zal de Wijze Koning opstaan uit zijn graf en hij zal regeren en alle mensen zullen gelukkig zijn.”
“Vindt de huidige koning dat dan wel goed?” vroeg Asra.
“Het is zo voorspeld en niemand kan zich tegen de profetie keren, ook de huidige koning niet,” antwoordde Isumbras.
Ze reden over een wankele ophaalbrug, die over een droge slotgracht was neergelaten. Op een afgebrokkelde toren wapperde een witte banier waarop een kale tak geborduurd was. Zwarthoef ging onder een hoog opgetrokken, verroest valhek door en liep de duisternis van een vervallen poortgebouw in. Ze kwamen op een binnenplaats. Te midden van puin en zwarte rotsblokken stond een verweerde sarcofaag van grauw graniet. Op de stenen doodskist lag het beeld van een voor eeuwig rustende krijger in harnas met een kroon rond de helm, de handen op de borst gevouwen rond het gevest van een lang zwaard dat met de punt naar de voeten van het beeld wees. Boven het gekroonde hoofd van het liggende beeld stak uit een scheur in het graniet van de doodskist een kale tak omhoog. Drie ridders knielden rond de stenen doodskist. Ze hielden ieder een schild voor zich, waarop dezelfde kale tak stond als op de banier, die op de toren wapperde. Met hun andere hand steunden zij op hun zwaard, waarvan de punt in de grond stak. Op hun helmen stond geen pluim maar een kaal takje. De ridders keken niet op naar het pas aangekomen paard en zijn drie berijders. Ingespannen tuurden zij naar de stenen doodskist. Isumbras liet Zwarthoef halt houden en hij gebaarde Asra en Wibald om te zwijgen. Zo knielden de drie ridders onbeweeglijk rond de sarcofaag en zo stond Zwarthoef plechtig stil met zijn berijders op zijn rug, totdat door een bres in de kasteelmuur stralen van de bleke ochtendzon op het beeld van de dode koning vielen. De drie knielende ridders stonden op.
“Al weer niet,” zei één.
“Morgenochtend weer een kans,” zei een ander.
“Ooit zal de profetie uitkomen!” zei de derde.
“Dit zijn de ridders van de Dorre Tak,” zei Isumbras. “Iedere ochtend brengen zij hun eerbiedige groet aan het graf van de laatste Wijze Koning. Volgens de profetie zal hij in de eerste stralen van de morgenzon ontwaken en opstaan uit zijn graf. De Dorre Tak zal groen worden en de Wijze Koning zal regeren en alle mensen zullen gelukkig zijn.”
“Zo luidt de profetie!” riepen de drie ridders van de Dorre Tak in koor.


7. Het einde van de ridders van de Dorre Tak


Nu de ridders van de Dorre Tak rechtop stonden, konden Asra en Wibald goed zien dat de drie ridders er als drie druppels water hetzelfde uitzagen. Ze waren alle drie lang als een reus en mager als een lat. Hun benen waren als stelten zo lang en Ridder Isumbras kwam nauwelijks boven hen uit, ook al zat hij op de rug van zijn grote, zwarte paard. Onder de drie helmen prijkten drie nobele gezichten met ieder dezelfde helderblauwe ogen, adellijke haakneus en wilskrachtige kin.
“Wij zijn de ridders van de Dorre Tak !” riepen ze in koor. Eén voor één deden ze een stap naar voren en ze zeiden hun naam terwijl ze een diepe buiging maakten.
“Mijn naam is Bertrand,” zei Bertrand.
“Mijn naam is Gerbrand,” zei Gerbrand.
“Mijn naam is Roland,” zei Roland.
“Wij verwelkomen Isumbras en zijn metgezellen in het kasteel van de Dorre Tak!” riepen zij in koor.
“Wij zijn Asra en Wibald,” zei Asra. “Ik bedoel, ik ben Asra en dat is Wibald.” Asra wees naar Wibald achterop Zwarthoef.
“Welkom schone Asra en dappere Wibald, want schoon zijt gij, jonge vrouwe, en dapper, gij Wibald, om de hele nacht te reizen langs de Lange Weg, niet bevreesd voor rovers,” sprak Roland.
“Isumbras was erbij om ons te beschermen,” zei Wibald.
“En Zwarthoef,” voegde Asra er aan toe.
“Dapper is Isumbras, die op zoek is naar de rand van de wereld, en onverschrokken is zijn trouwe paard Zwarthoef,” sprak Bertrand.
“Wat brengt jullie op dit vroege uur naar dit kasteel?” vroeg Gerbrand. “Wilden jullie het ontwaken van de Wijze Koning aanschouwen?” Gerbrand zag er dan wel net zo uit als Bertrand en Roland, hij was een stuk nieuwsgieriger dan de andere twee ridders en minder beleefd.
“Wij komen om hulp vragen,” zei Wibald. “Ralph en Walter zijn als slaven meegenomen door ridders van de koning. Misschien wil één van u met ons meegaan naar het Hof van de Koning om hun vrijlating te vragen.”
“Wie zijn Ralph en Walter?” vroeg Gerbrand, die zijn nieuwsgierigheid weer niet kon bedwingen.
“Ralph en Walter zijn twee jongens,” antwoordde Wibald. “Zij komen net als wij uit de Glooiende Hellingen tussen de Witte Bergen en het Groene Woud. Zij zijn met de boot van de oude Elmar de rivier afgedreven.”
“Waar liggen de Glooiende Hellingen en de Witte Bergen en het Groene Woud?” vroeg Gerbrand, die nog nooit van die streken had gehoord.
“Uhm, uhm,” kuchten Bertrand en Roland. Zij vonden de nieuwsgierigheid van Gerbrand onbeleefd, maar waren zelf te beleefd om hem daar openlijk op te wijzen.
“Er is nu geen tijd voor om het allemaal uit te leggen,” snauwde Asra ongeduldig. “We hebben haast. We moeten Ralph en Walter bevrijden.”
“Uhm, uhm,” kuchten Betrand en Roland. Zij vonden het ongeduld van Asra onbeleefd, maar ze waren te beleefd om haar dat openlijk te zeggen.
“Mijn reisgezellen komen uit het land achter de Grijze Rotsen,” zei Isumbras, die het gekuch van Bertrand en Roland begreep. “Op zoek naar de rand van de wereld ben ik door het Groene Woud gereden en de rivier overgestoken en de Glooiende Hellingen in gegaan. Ik heb de Witte Bergen in de verte zien liggen, maar de bewoners van de Glooiende Hellingen vertelden mij dat daar de rand van de wereld niet is. Zij vertelden mij dat al het water naar de rand van de wereld stroomt en dat als ik de rivier volg, ik vanzelf de rand van de wereld vind. Ik ben omgekeerd, terug de rivier over het Groene Woud in. Asra en Wibald zijn met mij meegegaan. Zij helpen mij om mijn opdracht van de koning te vervullen en ik help hen om hun vrienden te vinden.”
“Wij kunnen jullie niet helpen,” zei Roland. “Het is onze opdracht om de Dorre Tak te beschermen en het graf van de Wijze Koning te bewaken en om hem eer te bewijzen als hij opstaat uit zijn graf.”
“Eén van jullie mag toch naar het Hof van de Koning gaan?” vroeg Wibald.
“Vorige week ben ik nog aan het Hof van de Koning geweest om de koning op de hoogte houden over de dorheid van de Dorre Tak,” antwoordde Gerbrand.
“Gerbrand heeft toen door zijn nieuwsgierigheid iets gruwelijks ontdekt,” zei Roland.
“De koning laat wel eens oude slaven vrij, maar nooit jonge,” zei Bertrand.
“Jonge slaven worden aan de koningin gegeven,” zei Gerbrand. “De koningin is de opperpriesteres van de Godin van de Schoonheid. Zij offert iedere dag grote aantallen jonge slaven op het altaar van de Godin van de Schoonheid.”
“Zo blijft ze zelf mooi en jong,” zei Roland.
“Daarom laat de koning nooit jonge slaven vrij,” zei Gerbrand. “Hij wil graag dat de koningin jong en mooi blijft.”
“Het is een wreed ritueel,” zei Bertrand.
“En erg pijnlijk,” voegde Gerbrand er aan toe.
“Asra en Wibald zullen hun vrienden nooit meer zien,” zei Roland met een somber gezicht.
“Het is triest,” zei Bertrand.
“Erg triest,” zei Roland.
“De koning is onrechtvaardig en slecht,” zei Bertrand.
“Erg onrechtvaardig en erg slecht,” zei Roland.
“Als de Wijze Koning vanochtend was opgestaan uit zijn graf, dan was alles anders geworden,” zei Bertrand.
“We moeten wachten tot de profetie uitkomt,” zei Gerbrand.
“Dan zal er weer rechtvaardigheid zijn en zullen alle mensen gelukkig zijn,” zei Roland.
Asra verloor haar laatste restje geduld. “Volgens Isumbras zijn jullie de nobelste ridders,” riep ze verontwaardigd. “Volgens mij zijn jullie alleen maar heel erg dom. En Isumbras ook. Jullie vier zijn de enige ridders die niet plunderen en roven en jullie laten je door die misdadige koning afschepen met idiote opdrachten, die alleen maar bedoeld zijn om jullie zoet te houden. Jullie besteden al jullie ridderlijkheid aan een profetie die nooit uit zal komen, en aan het zoeken naar de rand van de wereld, die nooit gevonden zal worden! Jullie moeten niet langer wachten totdat een dode, wijze koning opstaat uit zijn graf om een levende, onrechtvaardige koning van zijn troon te stoten. Jullie moeten zelf in opstand komen. Jullie moeten een revolutie ontketenen! En Ralph en Walter bevrijden voordat ze door de koningin worden geofferd! Jullie beschermen nu een dode tak, terwijl het jullie taak als ridder is om de levenden te beschermen tegen onrecht!”
“Uhm, uhm,” kuchten Bertrand en Roland om op beleefde wijze kenbaar te maken dat ze de toespraak van Asra ietwat ongepast vonden.
“Hoogst ongepast!” riep Gerbrand, die minder beleefd was dan Bertrand en Roland.
“Asra heeft wel een beetje gelijk,” suste Bertrand bij wijze van verontschuldiging voor de onbeleefde uitroep van Gerbrand.
“Zeer zeker gelijk,” zei Roland.
“Hoogst ongepast!” riep Gerbrand nogmaals. “En volkomen terecht! We moeten in opstand komen!”
“We halen de groene verf uit het rommelhok!” riep Roland.
“En kwasten!” riep Bertrand. “En groen garen en een naald!”
“Groene verf en kwasten en groen garen en een naald?” vroeg Asra schamper. “Ik vraag jullie om in opstand te komen en het enige waar jullie je druk om maken is om groene verf en een kwast.”
“Groene verf en een kwast zijn heel belangrijk nu wij in opstand willen komen tegen de koning,” antwoordde Bertrand.
“We schilderen groene blaadjes op onze schilden,” zei Gerbrand.
“En met het groene garen en de naald borduren we groene blaadjes op onze banier,” zei Bertrand.
“Dit is het einde van de ridders van de Dorre Tak,” zei Roland.
“Lang leve de ridders van de Groene Tak!” riepen Gerbrand, Roland en Bertrand in koor.
Ook al hadden Asra en Wibald nog zoveel haast om Ralph en Walter te redden van het altaar van de Godin van de Schoonheid, ze moesten wachten totdat Gerbrand, Roland en Bertrand de groene verf en het groene garen hadden gevonden in het rommelhok van de ruïne, en daarna ook nog kwasten en een naald. De banier werd van de toren afgehaald en de drie ridders schilderden en borduurden ijverig groene blaadjes aan de dorre takken op hun banier en op hun schilden. Ze haalden de kale takjes van hun helm en ze staken er groene takjes voor in de plaats. Rond het oude graf groeide onkruid in overvloed. Toen was de metamorfose van de ridders van de Dorre Tak voltooid. Voortaan waren ze de ridders van de Groene Tak en ze wachtten niet totdat de groene verf op hun schilden droog was om in opstand te komen tegen hun koning. Voorop draafde Zwarthoef met Asra, Isumbras en Wibald op zijn rug. Daarachter gingen Gerbrand, Roland en Bertrand te voet. Ze hadden van de koning nooit een paard gehad, maar dat was ook niet nodig want met hun lange benen konden ze makkelijk een galopperend paard bijhouden. Ze reden en renden door het donkere poortgebouw, onder het roestige valhek en over de wankele ophaalbrug de ruïne uit. Op de binnenplaats bleef de laatste Wijze Koning eenzaam achter in zijn grauwe sarcofaag te midden van zwarte rotsblokken, onkruid en puin.


8. De opstand tegen de koning


“Zijn wij niet met te weinig om de koning aan te vallen?” vroeg Wibald, terwijl ze de kale heuvel afgingen naar de Lange Weg.
“Uhm, uhm,” kuchten Betrand en Roland onder het rennen. Ook Gerbrand zei niets.
“De koning kan rekenen op de steun van duizend ridders,” zei Isumbras.
“We moeten een list gebruiken,” zei Asra. “We kunnen zeggen dat de profetie is uitgekomen, dat de Wijze Koning is opgestaan uit zijn graf.”
“Uhm, uhm,” kuchten Betrand en Roland.
“Een uitermate slecht plan!” riep Gerbrand.
“Waarom is het een slecht plan?” vroeg Asra. “Iedereen zal jullie geloven. Jullie zijn de nobelste ridders. Iedereen weet dat jullie nooit liegen.”
“Daarom is het een slecht plan, omdat wij nooit liegen,” antwoordde Gerbrand. “Wij spreken altijd de waarheid en de waarheid is dat de profetie nog niet is uitgekomen.”
“Wij zijn de nobele ridders van de Groene Tak!” riepen de drie ridders in koor. “Wij zijn geen leugenaars!”
“Hoe kunnen we ooit duizend tegenstanders verslaan?” vroeg Wibald vertwijfeld.
“Wij zijn de nobele ridders van de Groene Tak!” klonk het driestemmige antwoord. “Wij zijn geen lafaards!”
“Te sneuvelen in de strijd voor rechtvaardigheid is het nobelste lot voor een ridder,” legde Isumbras uit.
“Wat heeft het voor nut om te sneuvelen als de onrechtvaardige koning op de troon blijft?” vroeg Asra. “Als we Ralph en Walter niet kunnen redden?”
“Uhm, uhm,” kuchten Betrand en Roland en ook Gerbrand kuchte mee.
“Voor een nobele ridder is de strijd voor de rechtvaardigheid belangrijker dan de overwinning,” legde Isumbras weer uit.
“Isumbras, u wilt toch niet voor niets sneuvelen?” vroeg Asra.
“Ik heb nooit gezegd dat ik meedoe aan de opstand tegen de koning,” antwoordde Isumbras snel. “Ik heb een belangrijke opdracht. Ik moet zoeken naar de rand van de wereld.”
“U vindt de koning toch ook onrechtvaardig?” vroeg Wibald verbaasd.
“Voor mij telt enkel de inhoud van de opdracht die ik van de koning heb gehad en niet dat de koning zelf onrechtvaardig is,” antwoordde Isumbras. “De zoektocht naar de rand van de wereld is een nobele queeste.”
“Ik heb het!” riep Asra. “We roepen de dorpelingen op om ten strijde te trekken tegen de koning!”
“Uhm, uhm,” kuchten Betrand en Roland .
“Daar willen wij niets mee te maken hebben,” zei Gerbrand. “Als het volk ook wil vechten dan doen ze dat maar tegen de bedienden en stalknechten van de koning.”
“Ridders vechten nooit samen met het gewone volk,” legde Isumbras uit. “Ridders tegen ridders. Zo is dat ons als page geleerd.”
“Ridders tegen ridders!” riepen de drie ridders van de Groene Tak in koor.
“Wat een elitair gedoe!” riep Asra verontwaardigd.
“Uhm, uhm,” kuchten Bertrand, Roland en Gerbrand.
“Strategisch gezien is het geen slecht idee, als er tegelijkertijd met de opstand van de ridders van de Groene Tak ook een volksopstand is,” zei Isumbras sussend. “De koning moet zich dan op twee fronten tegelijk verdedigen.”
Ze hadden de Lange Weg bereikt en volgde deze naar het Hof van de Koning. Rond het middaguur kwamen ze bij een dorp. De zon scheen vanaf haar hoogste punt aan de hemel omlaag op een rommelige verzameling armoedige hutjes. Asra voelde zich gesteund door de bemoedigende woorden van ridder Isumbras over een aanval op twee fronten. Ze sprak een vrouw aan, die voor een hut een klein spinnewiel deed draaien.
“Volg ons!” riep zij haar vanaf de rug van Zwarthoef toe. “Wij trekken ten strijde tegen de onrechtvaardige koning!”
Even keek de vrouw hoopvol naar de drie ridders van de Groene tak, daarna ging zij onverstoorbaar verder met spinnen.
“Wilt u dan geen rechtvaardigere koning?” vroeg Asra.
“Een rechtvaardige koning vindt het vast niet goed dat ik stiekem vlas bij de wol meng,” antwoordde de vrouw. “En als ik geen vlas bij de wol meng, dan verdien ik niet genoeg om van te leven. De tijden zijn al moeilijk genoeg door de roversbenden die de dorpen beroven, en de ridders die in opdracht van de koning de roversbenden beroven, zodat de rovers ons weer opnieuw moeten beroven. Bij al die ellende zit ik niet te wachten op een rechtvaardige koning, die het verbiedt om stiekem vlas bij de wol te mengen. Liever wacht ik tot de profetie uitkomt. Als de Wijze Koning opstaat uit zijn graf, dan zullen alle mensen gelukkig zijn. Even dacht ik dat ik de drie ridders van de Dorre Tak zag en dat de profetie was uitgekomen, want eerder mogen zij niet alle drie tegelijk weg bij het graf van de Wijze Koning. Maar deze ridders hebben een groen takje op hun helm en groene blaadjes op hun schilden en hun banier.”
“Wij zijn de ridders van de Groene Tak!” riepen Gerbrand, Roland en Bertrand als uit één keel. “Wij komen in opstand tegen de onrechtvaardige koning!”
“Wat ridders doen, dat zijn mijn zaken niet,” zei de vrouw en ze liet het spinnewiel draaien.
Zo ging het iedere keer als Asra de mensen opriep om zich aan te sluiten bij de volksopstand tegen de onrechtvaardige koning. Niemand wilde een rechtvaardige koning. Iedereen wilde liever wachten tot de profetie uitkwam, tot de Wijze Koning opstond uit zijn graf.
“Een rechtvaardige koning verbiedt vast en zeker dat ik de melk aanleng met water,” zei een boer.
“Een rechtvaardige koning stelt vast zware straffen in voor het mengen van graan met eikels,” zei een andere boer.
“Onder een rechtvaardige koning kan ik geen zaken meer doen met de rovers,” zei een koopman, die ze tegenkwamen op de Lange Weg.
Toch lukte het Asra om één volgeling te krijgen voor haar volksopstand tegen de koning. Vlak voor zonsondergang bereikten ze een groot heideveld, dat door de Lange Weg doorkruist werd. Een oranje zon hing laag boven de uitgestrekte, boomloze vlakte. Ze hoorden het geblaat van tientallen schapen, die aan weerszijden van de Lange Weg aan de heidestruikjes knabbelden. Een schaapherder leunde op zijn staf. Een grote, lichtbruine hond zat aan zijn voeten. Vanaf de rug van Zwarthoef vroeg Asra de schaapherder zich aan te sluiten bij de volksopstand. Er klonk weinig enthousiasme meer in haar stem.
“Een rechtvaardige koning hoef ik niet,” antwoordde de schaapherder. “Rechtvaardigheid vult de maag niet. Als herder verdien ik een schandalig laag loon, maar zo nu en dan verkoop ik een schaap en hou ik het geld.”
“Vindt de eigenaar van de kudde dat goed?” vroeg Asra verbaasd.
“Natuurlijk niet,” antwoordde de herder. “Ik zeg altijd dat het schaap door de wolven is gegrepen. De hond krijgt dan een pak ransel, want het is zijn taak om de kudde tegen de wolven te beschermen.”
“Maar dat is onrechtvaardig!” riep Wibald. “De hond kan er niets aan doen!”
“Het is maar een hond,” lachte de herder. “Als ie het er niet mee eens is, dan sluit ie zich maar aan bij jullie strijd voor de rechtvaardigheid!”
“Woef!” zei de grote, lichtbruine hond. Het dier stond op en liep naar Zwarthoef toe. Zo kreeg Asra toch nog een volgeling voor haar opstand tegen de koning. De hond had natuurlijk niets verstaan van het gesprek, want in de wonderlijke wereld van dit verhaal kunnen de dieren niet praten en ook geen mensentaal verstaan, maar het dier was al langer op zoek naar een nieuwe baas en hij vond de stemmen van Asra en Wibald aardig klinken.
“Vindt u het goed dat de hond met ons meegaat?” vroeg Asra.
“Het is mijn hond niet,” antwoordde de herder. “Hij is van de eigenaar van de kudde. Ik vertel de eigenaar wel, dat zijn hond door de wolven is gegrepen. Samen met de vijf schapen die ik vanavond nog ga verkopen.” Luid klonk zijn lach over de kale vlakte.
Zwarthoef draafde verder over Lange Weg door de hei met Asra, Isumbras en Wibald op zijn rug. Aan zijn voeten draafde de hond mee met een vrolijk zwaaiende staart. Achter het grote, zwarte paard rende de drie ridders van de Groene Tak. De ondergaande zon deed de hemel branden met gele, rode en op het laatst paarse vlammen. In de schemering reden zij door totdat de hei overging in bos. Aan de bosrand sloegen ze hun kamp op voor de nacht. Ze maakten een kampvuur en ze aten het proviand, dat de ridders van de Groene Tak hadden meegenomen uit de voorraadkelder van de ruïne. De grote, lichtbruine hond legde zijn snuit op een knie van Asra. In de verte klonk het gehuil van wolven. De hond tilde zijn kop een beetje op en blafte éénmaal. “Woef!” Het gehuil hield op. De hond legde zijn kop weer op Asra’s knie.
“Hoe heet je?” vroeg Asra en ze streek met haar hand over zijn lichtbruine vacht.
“Woef!” antwoordde de hond en Woef was voortaan zijn naam.


9. Majesteitsschennis


“Wij zijn een groot voorstander van de monarchie,” sprak de koning met welluidende stem vanaf zijn hoge troon tot de duizend ridders, die bijeengekomen waren in de grote ridderzaal van het kasteel van de koning om met volle aandacht te luisteren naar de jaarlijkse rede van de koning, waarin de koning een beeld schetste van de toestand in het koninkrijk en een vooruitblik gaf van de te verwachten inbeslagnames door de ridders bij de rovers en de verdeling van deze rijkdom onder de koning en zijn vazallen. De deuren van de ridderzaal gingen open en een poortwachter in een paars met groen uniform probeerde met opgewonden gebaren de aandacht van de koning te trekken. De poortwachter moest met zijn armen blijven zwaaien totdat de koning met welluidende stem de hele rede had uitgesproken. Pas toen het oorverdovende applaus van de duizend ridders was verstomd en de duizend ridders onderling met elkaar roezemoesden over de door de koning beloofde rijkdommen, pas toen wenkte de koning de zenuwachtige poortwachter onopvallend om naar de troon te komen.
“Sire,” sprak de poortwachter eerbiedig en onderdanig. “Er staan drie ridders voor de poort van het kasteel, drie ridders zonder paard.”
“De ridders van de Dorre Tak!” zei de koning verschrikt en zijn gezicht werd bleek. Hij was bang dat de profetie was uitgekomen, dat de Wijze Koning was opgestaan uit zijn graf en dat zijn laatste uur als onrechtvaardige koning had geslagen.
“Sire, ze noemen zichzelf de ridders van de Groene Tak,” zei de poortwachter, die er voor zorgde dat hij de koning niet direct tegensprak. De koning duldde geen tegenspraak, daarop stond een zware straf, zelfs als de koning eigenlijk wel tegengesproken wilde worden, zoals nu het geval was. “De drie ridders hebben groene blaadje op hun banier en op hun schilden en op hun helm staat een groen takje,” vulde de poortwachter voorzichtig aan.
“Dan zijn het niet de ridders van de Dorre Tak,” zei de koning opgelucht en zijn gelaat herkreeg zijn gebruikelijke frisrode kleur, die het resultaat was van een gezonde interesse in de jacht, wijn en vrouwen. “Wat willen die drie ridders van de Groene Tak?” vroeg de koning aan de poortwachter. De poortwachter draaide zenuwachtig op zijn hielen. De koning liet iedere boodschapper van slecht nieuws onthoofden. “Sire, als Uwe Koninklijke Hoogheid goed luistert, dan kunt Uwe Koninklijke Hoogheid het zelf horen. Ze roepen in koor.”
“Stilte!” riep de koning tegen de ridders, terwijl de poortwachter zich snel uit de voeten maakte. Het geroezemoes verstomde.
“Wij zijn de drie ridders van de Groene Tak! Wij komen in opstand tegen de onrechtvaardige koning!” klonk het door de openstaande deuren van de ridderzaal, zacht maar duidelijk verstaanbaar. “Wij zijn de drie ridders van de Groene Tak! Wij dagen de ridders van de onrechtvaardige koning uit tot een gevecht op de heide morgen bij zonsopgang! Wij gaan nu terug naar de heide! Tot morgenochtend!”
De koning werd rood van woede en riep “Majesteitsschennis!” Het liefst had de koning opdracht gegeven aan de poortwachter om de opstandige ridders vanaf de kasteelmuur met pijlen te bestoken, maar de koning bedacht zich, dat het door de poortwachter met pijlen laten beantwoorden van een ridderlijke uitdaging tot gevecht door zijn eigen duizend ridders als teken van lafheid gezien zou kunnen worden en in strijd met het devies ‘Ridders tegen ridders.’ Bovendien was de poortwachter aan wie hij de opdracht moest geven, nergens meer te bekennen. De koning lachte hol en riep “Het zijn er maar drie!” Zijn gelaat plooide zich in een grijns en hij vroeg met zijn welluidende stem “Welke drie dappere, trouwe ridders slaan morgen bij zonsopgang op de heide deze opstand neer?” De duizend ridders in de ridderzaal zwegen. Geen van hen bood zich aan als vrijwilliger om te vechten tegen de drie ridders van de Groene Tak. Dapper waren ze en trouw, maar niet dom.
“Sire,” sprak een ervaren, door de wol geverfde ridder. “Ik vraag Uwe Koninklijke Hoogheid toestemming om te spreken.”
“Spreek!” beval de koning.
“De opstandelingen zijn in het voordeel,” zei de ervaren ridder. “Zij weten dat hun leven niets meer waard is en zij zullen vechten met de moed der wanhoop. Ons leven behoort Uwe Koninklijke Hoogheid toe en daarom is ons leven veel waard en daarom zullen wij voorzichtig moeten vechten.”
“Ge hebt wijs gesproken,” zei de koning, die zich minder zorgen maakte om het leven van zijn ridders dan om de mogelijkheid dat de drie ridders van de Groene Tak een eerlijk gevecht konden winnen. “Tien dappere ridders om de strijd aan te gaan met de trouweloze schurken van de Groene Tak!” riep de koning.
Weer bleef het stil.
“Sire,” sprak de ervaren ridder. “Ik vraag Uwe Koninklijke Hoogheid toestemming om te spreken.”
“Spreek!” beval de koning.
“Tien is niet deelbaar door drie,” zei de ervaren ridder. “Dit betekent dat één van de opstandelingen door vier ridders tegemoet wordt getreden en de andere twee opstandelingen maar door drie. Dat is niet ridderlijk.”
“Ge hebt wijs gesproken,” zei de koning, die zich minder zorgen maakte om de ridderlijkheid van de strijd dan om de kans dat tien van zijn ridders niet genoeg waren om de drie ridders van de Groene Tak te verslaan. “Drie en dertig dappere ridders die willen vechten voor hun vorst!” riep de koning. Rekenen was niet zijn sterkste kant, maar hij had het gevoel dat een getal dat louter uit drieën bestond zelf ook wel door drie deelbaar moest zijn. Nu ze wisten dat ze de opstandelingen met een voldoende overmacht zouden aanvallen, nu boden alle duizend ridders zich tegelijk als vrijwilliger aan. Niemand wilde de eer missen een aandeel te hebben in de glorieuze overwinning op de drie opstandelingen. Niemand wilde aan de kant blijven staan als hun koning gevaar liep. De koning wees drie en dertig ridders aan, waarop de overgebleven negenhonderd en zeven en zestig ridders luidkeels protest aan tekenden. De koning wees drie en dertig andere ridders aan en weer klonk ongenoegen uit negenhonderd en zeven en zestig verontwaardigde kelen. Het werd pas weer rustig in de ridderzaal nadat de koning alle duizend ridders opriep mee te doen in de strijd tegen de drie ridders van de Groene Tak..
“Wie wordt de aanvoerder van onze ridderschare?” vroeg de koning. Er brak een luid gekrakeel uit. Iedere ridder wilde aanvoerder zijn.
“Stilte!” riep de koning, die rustig wilde nadenken over wie hij bevelhebber ging maken. De ridders gehoorzaamden en de stilte keerde terug in de ridderzaal.
“Sire, ik vraag Uwe Koninklijke Hoogheid toestemming om te spreken,” sprak de ervaren ridder, die de koning al van zoveel bruikbaar advies had voorzien.
“Spreek!” beval de koning.
“Uwe Koninklijke Hoogheid kan zelf de opperbevelhebber zijn. U kunt veilig vanaf het heuveltje op de heide de strijd leiden en de ridders vooruitzenden naar het gevecht. U heeft vanaf het heuveltje een mooi uitzicht op het afslachten van de vijand en bovendien komt u als opperbevelhebber de hoogste eer toe van de overwinning.”
“Ge hebt wijs gesproken,” zei de koning. “Wij zijn de opperbevelhebber. Wij zullen morgen onze orders geven vanaf het heuveltje op de heide. Aan het eind van de middag vertrekken wij naar de heide om daar ons kamp op te slaan zodat onze legerschare bij zonsopgang paraat is om op ons teken de aanval op de vijand te openen.”
Na een driewerf ‘Leve de koning’ spoedden alle duizend ridders zich tegelijkertijd de ridderzaal uit om hun pages de opdracht te geven de wapenuitrusting in orde te maken. In het gedrang bij de deuren van de ridderzaal ontstonden vrolijke vechtpartijtjes. De ridders wisselden vriendschappelijke kopstoten en vuistslagen uit. Ze hadden duidelijk zin in de strijd. Die middag werd er door de pages ijverig harnassen gepoetst en vachten van paarden geborsteld. Iedere ridder wilde de volgende ochtend bij de veldslag er op zijn voordeligst uitzien en schitteren in het licht van de opgaande zon. Aan het einde van de middag reed een machtige ridderschare in een lang lint de poort van het kasteel van de koning uit op weg naar de hei. De koning reed in het midden van de stoet met vijfhonderd ridders voor zich en vijfhonderd ridders achter zich. Dit leek hem het veiligst. De koning en zijn duizend ridders werden gevolgd door duizend karren met wijn, eten, tenten en andere zaken om het kampement van de koning en de ridders zo comfortabel mogelijk te maken. Daarachter gingen duizend pages en duizend lakeien te voet, want de koning en de duizend ridders waren natuurlijk niet van plan om zelf hun tenten op te zetten en hun eigen eten klaar te maken. Enkel de koningin en haar lijfwacht bleven achter in het kasteel. De koningin kon haar taak als opperpriesteres van de Godin van de Schoonheid niet verwaarlozen. Ze wilde er oogverblindend mooi uit zien tijdens het overwinningsfeest dat de koning alvast had aangekondigd voor de volgende avond. En daar waren offers voor nodig op het altaar van de Godin van de Schoonheid, heel veel offers.


10. De kerkers van de koning


“Hoe lang zitten we hier al opgesloten?” vroeg Ralph.
“Toen we het kasteel binnengebracht werden, was het nacht en het is nog steeds donker,” antwoordde Walter.
“Dat komt omdat er geen ramen zijn,” zei Ralph.
“Stil…” fluisterde Walter.
Het rinkelen van een sleutelbos klonk zachtjes door de dikke met ijzer bekleedde deur. Een klik en daarna een klak. Over de kale vloer van de cel scheen een straal flakkerend, oranjegeel licht. Ralph en Walter zagen hun voeten en de scheuren in de vloer, meer niet. Een klein luikje was geopend in de onderkant van de deur. Een gebutst tinnen bord werd naar binnen geschoven. Het luikje klapte weer dicht. Er heerste weer volledige duisternis in de kerker.
“Dat is ons eten,” zei Ralph.
“Voorzichtig!” zei Walter. “Anders stoten we het bord om in het donker.”
Ralph en Walter kropen langzaam in de richting waar vandaan de lichtstraal had geschenen. Behoedzaam tastten ze met hun handen op de vloer of ze het bord konden voelen. Hun hoofden botsten tegen elkaar.
“Au!” riep Ralph. “Pas toch op! Het bord staat meer naar links!”
“Nee, meer naar rechts” zei Walter
Klak! Het luikje in de onderkant van de deur ging open. Vaag kaarslicht scheen naar binnen. Het bord stond recht voor Ralph en Walter. Ze strekten allebei een hand er naar uit. Te laat. Een derde hand was hun voor en trok het bord door het luikje onder de deur door naar buiten. Het luikje bleef open. Ralph legde zijn hoofd op de vloer en keek door het luikje. In het licht van een stompje kaars zag hij een gestalte ter grootte van een achtjarig kind met de drie middelste vingers van één hand brei uit het bord scheppen en in de mond stoppen.
“Geef ons eten terug!” zei Ralph verontwaardigd.
“Eerlijk delen,” antwoordde de zware stem van een volwassen man.
“Wie ben jij?” vroeg Walter, die Ralph’s hoofd had weggeduwd om zelf door de kleine opening te kijken.
“Ik ben Perko de hofnar,” antwoordde de kleine man, terwijl hij het bord terugschoof de cel in. Hij had woord gehouden en minder dan de helft van de brei op het bord gegeten. Ralph en Walter bekommerden zich minder om een eerlijke verdeling. Zo snel als ze konden schraapten ze tegelijkertijd het bord leeg. Daarna vochten ze erom, wie het bord als eerste kon aflikken.
“Wat doe jij hier?” vroeg Ralph, die de strijd om het bord had verloren.
“Ik heb mij hier verstopt. Ik ben de meest gezochte misdadiger in het koninkrijk.”
“Wat heb jij op je kerfstok?” vroeg Walter, die klaar was met het bord.
“Het zwaarste misdrijf dat mogelijk is in dit koninkrijk,” antwoordde de hofnar. “Ik heb de spot gedreven met de schoonheid van de koningin.”
“Wat gebeurt er met jou als ze je te pakken krijgen?” vroeg Ralph.
“Dan gooien ze me in de kerkers,” antwoordde Perko.
“Maar daar ben je nu al!” zei Walter.
“Daarom hou ik mij hier schuil. Dit is de laatste plek waar ze mij zullen zoeken.”
“Weet jij wat ze met ons gaan doen?” vroeg Ralph.
“Jullie? Jullie zijn jonge slaven en nu eigendom van de koningin! Jullie worden door haar geofferd aan de Godin van de Schoonheid. Een grote eer!” De hofnar lachte spottend.
“Krijgen we nog iets beter te eten voordat we geofferd worden?” vroeg Walter, die de brei van het bord niet erg lekker had gevonden.
“Verwacht maar geen voorkeursbehandeling,” zei Perko. “De koningin ziet jullie slechts als ingrediënten voor de toverdrank die ze dagelijks drinkt om mooi te blijven.”
“Wordt er toverdrank van ons gemaakt?” vroeg Ralph bezorgd.
“Ja,” antwoordde de hofnar. “En de koningin gelooft, dat de toverdrank enkel werkt als de slachtoffers van het offerritueel helse pijnen en ondraaglijke angst hebben gevoeld.”
“Is dat een grapje?” vroeg Walter.
“Hoe kom je daarbij?” zei Perko verontwaardigd. “Ik maak nooit grapjes!”
“Ik hoopte het,” zei Walter verontschuldigend. “Omdat je hofnar bent…”
“Zo een hofnar ben ik niet. Grappen maken kunnen de koning en de ridders zelf. Mijn specialiteit is het nadoen van stemmen. Daarvoor kreeg ik altijd luid applaus. Helaas heb ik mij door het applaus het hoofd op hol laten brengen. Ik heb de stem van de koningin nagedaan en geroepen hoe mooi ik was. Dat vond de koningin een belediging van haar schoonheid en dat is het zwaarste misdrijf in dit koninkrijk. Daarom… Sttt!”
Het zwakke kaarslicht doofde. Het luikje klakte dicht. Er heerste weer volledige duisternis in de cel van Walter en Ralph.
“Perko, ben je er nog?” vroeg Walter. Er volgde geen antwoord.
Ralph probeerde het luikje naar buiten open te klappen, maar het was vergrendeld.
Stemmen en gelach naderden, klonken steeds luider. De zware deur van de cel werd ontgrendeld en met grote kracht luid krakend open gegooid. Ralph en Walter knipperden met hun ogen. Hellebaarden fonkelden in fel fakkellicht. Vlijmscherpe punten werden gericht op de kelen van Ralph en Walter, die nog op de grond zaten. De punten weken opzij en het volgende moment vielen twee nieuwe gevangenen boven op Ralph en Walter. De deur plofte dicht en de grendels werden teruggeschoven. In de duisternis van de cel worstelden de vier gevangen om zich vrij te maken uit de kluwen.
“Ga van mij af!” riep Walter.
“Ik ben het, Wibald,” antwoordde een bekende stem.
“Ik ben Asra,” zei een andere bekende stem. “We zijn zo blij dat we jullie gevonden hebben.”
“Wij komen jullie bevrijden,” zei Wibald. “Tenminste, dat was het plan, totdat we zelf gevangen werden genomen.”
“Hoe hebben jullie ons hier gevonden?” vroeg Ralph verbaasd.
Asra en Wibald vertelden over ridder Isumbras en hoe ze op de rug van Zwarthoef de rivier waren overgestoken en over hun reis door het Groene Woud, over de Grijze Heuvels en langs de Lange Weg naar het kasteel van de koning. Ze vertelden over de wolven en de kluizenaars, over Arnogast en zijn bende rovers, over de vogelvanger en zijn vrouw, over de molenaar en over de rovers Rufus en Brutus.”
“De vogelvanger is een leugenaar,” zei Walter. “Hij heeft ons helemaal niet goed behandeld. Hij heeft ons verkocht aan de molenaar.”
“En de molenaar heeft ons afgeranseld,” zei Ralph.
“Rufus en Brutus behandelden ons ook als slaven,” zei Walter.
Hierna vertelden Asra en Wibald over de ridders van de Groene Tak en over de opstand van de nobele ridders en de volksopstand tegen de onrechtvaardige koning.
“Drie ridders zonder paard kunnen nooit winnen van duizend goedbewapende tegenstanders te paard!” zei Walter.
“En een volksopstand lukt ook niet met enkel één hond als medestander,” zei Ralph.
“Daar zijn wij ook bang voor,” zei Asra. “Daarom hebben we de komst van een rechtvaardige koning, die jullie vrij zal laten, niet afgewacht en zijn we in het donker het kasteel binnengeslopen om jullie te bevrijden. Ridder Isumbras wees ons in het maanlicht een klein poortje in de achterkant van het kasteel, dat niet op slot was. We dachten dat het kasteel verlaten was. We hebben vanmiddag vanuit het struikgewas de uittocht van de koning en zijn ridders bespioneerd. Duizend ridders hebben we geteld, duizend pages en duizend lakeien. Volgens Isumbras zijn dat ze allemaal.”
“We kwamen inderdaad eerst niemand tegen in het kasteel,” zei Wibald.
“Isumbras had ons uitgelegd hoe we vanaf de het poortje bij de kerkers konden komen,” zei Asra.
“We waren er bijna, toen we de lijfwacht van de koningin tegen het lijf liepen,” zei Wibald.
“We werden omcirkeld,” zei Asra.
“Ze waren zwaarbewapend,” zei Wibald. “We hadden geen schijn van kans.”
“Was die ridder Isumbras niet met jullie meegegaan?” vroeg Ralph. “Kon hij jullie niet beschermen?”
“Ridder Isumbras houdt zich aan zijn opdracht, die hij van de koning heeft gekregen,” zei Asra. “Volgens de opdracht mag hij pas het kasteel weer binnenkomen als hij de rand van de wereld heeft gevonden. Hij is buiten blijven wachten. Hij houdt zich samen met Zwarthoef en Woef schuil bij het poortje om ons te helpen vluchten als wij buiten zijn.”
“Als we buiten zijn…” zei Walter vertwijfeld.
“Hoe komen we ooit nog buiten, nu jullie ook gevangen zijn en ons niet meer kunnen bevrijden?” vroeg Ralph bezorgd.
“Onze enige hoop is dat de ridders van de Groene Tak winnen,” antwoordde Asra.
“En anders?” vroeg Walter.
“Anders worden we alle vier geofferd aan de Godin van de Schoonheid,” zei Ralph gelaten.
“Dat gebeurt niet,” zei Wibald. “Ik weet zeker dat de ridders van de Groene Tak morgenochtend bij zonsopgang de koning zullen verslaan.” Wibald zei dit meer om zichzelf en de anderen moed in te spreken dan omdat hij het zelf geloofde.
“Bij het eerst zonlicht wordt de koning verslagen,” sprak Asra hem na.
Daarna herhaalden Walter en Ralph deze hoopvolle woorden zo vaak, dat tenslotte zelfs Wibald niet meer twijfelde aan een gunstige afloop van de strijd van de drie ridders van de Groene Tak tegen de duizend ridders van de koning. Zo is de wonderbaarlijk kracht van woorden. Als woorden maar vaak genoeg herhaald worden, dan gaan de mensen er vanzelf in geloven dat de woorden de waarheid zijn.


11. De tempel van de Godin van de Schoonheid


De koningin reed door de ochtendnevel op haar witte paard naar de tempel van de Godin van de Schoonheid, die op de oever van de rivier lag. De afstand tussen het kasteel van de koning en de tempel was niet meer dan een mijl, maar dit was lang genoeg om de woede van de koningin tot volle bloei te laten komen. Met een vertoornde blik keek ze naar haar het kleine groepje jonge slaven dat met de handen op de rug gebonden door haar lijfwacht over de weg voort werd geduwd en geschopt en geprikt met de punten van hellebaarden. Slechts vier jonge slaven had ze om aan de Godin te offeren en dat terwijl ze die avond van ongeëvenaarde schoonheid wilde zijn tijdens het overwinningsfeest. Vier slaven maar! Op een normale dag waren het er twintig. De vorige ochtend had ze er tachtig geofferd om haar schoonheid en jeugdigheid als nooit tevoren te doen stralen tijdens het banket na afloop van de rede van de koning. Het banket was niet eens doorgegaan. De koning en alle duizend ridders waren in allerijl naar de hei gegaan voor een of andere onbenullige veldslag waarvan de uitkomst toch al van tevoren vast stond. Niemand had haar schoonheid bewonderd. En wat nog erger was, met die tachtig offers van de vorige dag had ze zonder het te weten zo ongeveer de hele voorraad jonge slaven in de kerkers uitgeput. Het was wel vaker gebeurd dat de koningin met een onverwacht tekort aan jonge slaven was geconfronteerd, maar in die gevallen had de koning er altijd een troep ridders op uitgestuurd om jonge slaven in beslag te nemen bij roverbendes, en als er veel haast bij was dan namen de ridders zonder de tussenkomst van rovers zelf jongelingen gevangen in de dorpen. Nu waren alle ridders op de hei. De koningin had een soldaat van haar lijfwacht naar het kamp van de koning op de hei gestuurd met het bericht dat de koning met grote spoed voor meer jonge slaven moest zorgen, die direct naar de tempel gebracht moesten worden. Dat kon nog uren duren! Voorlopig zat er niets anders op dan de offerhandelingen te beginnen met de vier jonge slaven, die voor haar liepen. Met zo weinig offers moest de koningin de folteringen van de vier extra lang laten duren. Niet dat de koningin dat erg vond. Vooral de jonge vrouw, die de brutaliteit had om mooi te zijn, mooier dan de koningin zelf, zou ze met plezier laten kronkelen op het altaar van de Godin.
Een bleekgele zon steeg langzaam boven de nevels uit en bescheen het roomwitte marmer van de tempel in de verte. Met de eerste zonnestralen kwam er ook weer hoop in de harten van Asra, Wibald, Walter en Ralph. De koning werd weldra verslagen! Hun bevrijding kon niet lang meer duren! Ze werden met de handen strak op de rug gebonden en met lappen in hun mond gepropt door twintig zwaarbewapende soldaten van de lijfwacht van de koning stap voor stap dichter naar de tempel gedreven, waar hun een afschuwelijk lot wachtte, maar ze wanhoopten niet. Door de lappen in hun mond konden ze niet praten, maar ze wisselden hoopvolle blikken van verstandhouding met elkaar. De zon kwam op en hun redding was nabij! De ridders van de Groene Tak gingen zegevieren! Ze naderden de tempel. De grote, hoge deuren werden geopend door priesteressen in lange, doorschijnende gewaden. Ze werden door de soldaten de marmeren treden opgeduwd, Daar werd ieder van hen hardhandig bij de bovenarmen beetgepakt door vier potige priesteressen en de tempel in gesleurd. Ze hoorden hoe de koningin haar voltallige lijfwacht weg stuurde om jonge slaven te gaan roven. De koningin stapte van haar paard en ging de tempel binnen. Gespierde priesteressen sloten de grote, hoge deuren. De binnenkant van de tempel werd verlicht door ontelbare fakkels en vuurkorven. Asra, Wibald, Walter en Ralph zagen het grote beeld van de wrede Godin hoog boven hen uit torenen. Ze zagen het bebloede altaar met daarop de vlijmscherpe offermessen. Even zakte hen de moed in de schoenen, maar ze dachten er snel aan dat de ridders van de Groene Tak de koning gingen verslaan. Hun nood was hoog maar hun redding was nabij! De koningin schreed plechtig naar het altaar. Zorgvuldig begon ze met de uitgebreide voorbereidingen van het offerritueel. Daarin werd ze gestoord door een bons op de tempelpoort en de welluidende stem van de koning, die door de gesloten deuren schreeuwde “Wij hebben de opstand neergeslagen!”
“Is dat een reden om de eredienst aan de Godin van de Schoonheid te verstoren?” riep de koningin woedend terug.
“Wij hebben honderd jonge slaven buitgemaakt!” antwoordde de welluidende stem van de koning.
De koningin gebaarde ongeduldig naar de gespierde priesteressen om de grote, hoge deuren van de tempel te openen. Fel licht van de ochtendzon scheen naar binnen door de wijder wordende spleet tussen de grote, hoge deuren. Iedereen in de tempel knipperde met de ogen. Vanuit deze zee van licht galoppeerde een groot zwart paard de tempel in, gevolgd door een grote, lichtbruine hond. Op de rug van het paard zaten twee kleine mannen. De voorste droeg een harnas en zwaaide vervaarlijk met een groot zwaard. De achterste man, in bonte kleren, hield de voorste om zijn middel vast, zodat deze niet door het gewicht van het grote zwaard van het paard viel. Het paard schopte wild met zijn hoeven in het rond. De hond hapte naar de lange, doorschijnende gewaden van de priesteressen. Flarden vlogen in het rond. “Waar is de rand van de wereld?” riep de man met het grote zwaard. In paniek deinsden de priesteressen en de koningin naar achteren, met hun rug naar de muren van de tempel. Asra, Wibald, Walter en Ralph renden voor hun leven naar de open tempeldeuren, naar buiten het zonlicht in. De hond en het zwarte paard met zijn twee berijders verdwenen achter hen de tempel uit. Het was als in een bliksemflits gebeurd. De overval op de tempel had niet meer dan een paar tellen geduurd. Beneden aan de treden van de tempeltrap sprong de kleine man in de bonte kleren van het zwarte paard en hij sneed snel met een klein mes de touwen van de vier bevrijde slaven los. Lenig kom hij op de rug van het witte paard van de koningin en hij gebaarde Ralph en Walter om hetzelfde te doen. Asra en Wibald klommen op het zwarte paard, Asra voor de ridder met het zwaard en Wibald erachter. Woedende priesteressen kwamen de tempel uit en renden de tempeltrap omlaag, maar ze konden niets meer doen dan nakijken hoe de lichtbruine hond, het zwarte paard en het witte paard van de koningin met grote snelheid langs de kronkelende oever van de rivier uit het zicht verdwenen.
“Nu heb ik pas echt ruzie met de koningin!” riep Perko vanaf het witte paard. Hij was het geweest, die de stem van de koning had nagedaan.
“Je hebt ons gered!” riep Ralph, die achter hem op het witte paard zat.
“Mmmm,” mompelde Walter, die in alle haast vergeten was de lap uit zijn mond te halen.
“Dat hebben jullie aan Isumbras te danken,” riep Perko. “Mijn plan was enkel om met Isumbras op zoek te gaan naar de rand van de wereld. Ik was het zat om mij in de kerkers te verstoppen. Ik heb jullie gesprek in de kerker afgeluisterd en gehoord dat Isumbras buiten het kasteel op jullie wachtte. Isumbras is een oude bekende van mij. Hij heeft het aan mij te danken dat hij ridders is.”
Perko zwaaide naar Isumbras. De ridder beantwoordde de groet en riep “Ik wilde jullie op weg naar de tempel al bevrijden!”
“Waanzin was dat geweest!” riep Perko. “Je had het onderspit gedolven tegen de hellebaarden van de lijfwacht van de koningin. Mijn list was beter!”
“Maar niet ridderlijk!” riep Isumbras.
“Je weet nu dat de rand van de wereld niet in de tempel verstopt is!” riep Perko terug.
“Als je niet gezegd had, dat daar misschien de rand van de wereld lag, dan was ik nooit te paard de tempel in gegaan!” riep Isumbras. “Dat was heiligschennis, maar alles is gerechtvaardigd bij mijn zoektocht naar de rand van de wereld!”
“Wat gaan we nu doen?” vroeg Wibald
“We volgen de rivier!” antwoordde Isumbras.
“Waar naartoe?” vroeg Asra.
“Naar de rand van de wereld!” riep Isumbras.
“Naar de rand van de wereld!” herhaalde Perko, terwijl hij de stem van Isumbras nabootste.


12. De slag van drie tegen duizend


De zon stond al hoog boven de heide en klom gestaag verder in de blauwe lucht. De drie ridders van de Groene Tak leunden op hun schild en keken naar het geschitter in het verte. Daar stonden de duizend ridders van de koning in slagorde opgesteld.
“Waarom vallen ze niet aan?” zei Gerbrand ongeduldig. “De zon is al lang op.”
“Zullen wij als eerste aanvallen?” vroeg Bertrand.
“Misschien zijn ze nog niet klaar voor de aanval,” zei Roland. “We geven ze nog even.”
“Maar niet te lang,” zei Gerbrand.
“Tot de zon op het hoogste punt staat,” zei Roland.
“En niet langer,” zei Bertrand. “Zodra de zon weer zakt, dan vallen wij aan!”
De ridders van de koning waren allang klaar voor de aanval, maar zij wachtten op het bevel van de koning. De koning sliep nog en niemand durfde hem wakker te maken. De avond ervoor had de wijn rijkelijk gevloeid in het kamp van de koning en zijn ridders. De ridders hadden veel wijn gedronken en de koning het meest van allemaal. Daarom lag hij nog te snurken in zijn koninklijke tent. De pages in de tent hielden zich stil. De koning was nuchter al ontzettend onrechtvaardig, maar als hij een kater had dan was hij ronduit wreed. Beter was het om hem rustig zijn roes uit te laten slapen, dan konden de pages het hoofd op de romp houden. Eindelijk was het zover. De koning rekte zich uit op zijn koninklijke veldbed en kwam langzaam overeind. Snel reikte een page hem een vol glas wijn aan. Dat was de beste remedie tegen een koninklijke kater. Het werkte. Tot opluchting van de pages werden er geen doodvonnissen uitgesproken. De koning werd door de pages in zijn koninklijke harnas gehesen. Het koninklijke paard werd voor de koninklijke tent geleid en de koning kwam naar buiten. Tot zijn verbazing stond hij oog in oog met de koningin. Even dacht hij, dat hij onder invloed was van de wijn. Als hij teveel gedronken had, zag hij wel vaker dingen, die er niet echt waren. De koningin zag er niet langer uit als een opperpriesteres van de Godin van de Schoonheid, maar meer als een opperpriesteres van de Godin van de Wraak. Ze zat niet op haar witte paard, maar werd gedragen op de schouders van potige priesteressen, die nog maar nauwelijks gehuld waren in gescheurde gewaden.
“Wraak!” riep de koningin. “De tempel van de Godin is ontheiligd.”
“Wie heeft dat gedaan?” vroeg de koning.
“Ridder Isumbras samen met die vervloekte hofnar!” riep de koningin in razernij.
“Waar zijn ze nu?” vroeg de koning.
“Ze zijn langs de rivier gevlucht. Laat ze grijpen! Onmiddellijk!”
De koning begreep wel dat de wens van de koningin nu even belangrijker was dan de opstand van de ridders van de Groene Tak. Hij besteeg zijn paard en reed naar het heuveltje. Daar gaf hij zijn ridders het bevel om hun slagorde te verlaten en de achtervolging van Isumbras en Perko in te zetten. Zelf ging de koning weer terug naar zijn tent om zijn roes verder uit te slapen.
De drie ridders van de Groene Tak zagen leunend op hun zwaard de gelederen van de vijand in beweging komen.
“Ze trekken zich terug!” riep Betrand.
“De lafaards!” riep Gerbrand.
“We laten ze niet zo maar gaan!” riep Roland.
“Er achteraan!” riepen ze in koor.
Zo eindigde de slag van de drie tegen duizend. De duizend ridders van de koning verlieten voortijdig het slagveld om Isumbras en Perko te vangen. De drie ridders van de Groene Tak achtervolgden de duizend ridders van de koning om ze alsnog tot een gevecht te dwingen.


13. Het Grote Meer


Twee paarden draafden langs de kronkelende oever van de rivier, één groot zwart paard en één wit paard. Ernaast rende een lichtbruine hond, vrolijk zwaaiend met zijn staart.
“Ik heb honger,” zei Walter, die voorop het witte paard zat.
“Ik ook,” zei Ralph, die achter Perko op het witte paard zat.
“Woef!” blafte de lichtbruine hond.
“Hoeveel proviand hebben we nog?” vroeg Asra, die voorop het zwarte paard zat.
“Niets meer,” antwoordde Isumbras. “De zadeltassen van Zwarthoef zijn leeg. Perko en ik hebben vanochtend vroeg stevig ontbeten.”
“Hebben jullie alles opgegeten?” vroeg Wibald, tegelijkertijd verbaasd en vol verwijt.
“Het kon ons laatste maal zijn,” antwoordde Isumbras verontschuldigend. “Als de overval op de tempel mislukt was, dan hadden wij het niet overleefd.”
“Sneeuwvacht heeft geen zadeltassen en dat is maar goed ook,” zei Perko. Hij boog lenig langs Walter naar voren en klopte het witte paard zacht op de hals. “Met bagage erbij had Sneeuwvacht nooit zo snel van de tempel en haar wrede meesteres kunnen vluchten met ons drieën op haar rug.”
“Sneeuwvacht?” vroeg Asra. “Is dat de naam van het paard van de koningin?”
“Ja,” antwoordde Perko. “Ik heb die naam zojuist zelf verzonnen. De koningin geeft haar paarden geen naam. Paarden interesseren haar niet, behalve dat de vachtkleur in de mode moet zijn en als dat niet meer zo is, dan laat ze er worst van maken.”
Sneeuwvacht en Zwarthoef hinnikten, maar dat was toeval want in de wonderlijke wereld van dit verhaal kunnen de dieren niet praten en ook geen mensentaal verstaan. Het gehinnik tussen Sneeuwvacht en Zwarthoef ging niet over de koningin en de worst die zij van haar paarden liet maken als hun vachtkleur uit de mode was geraakt. Sneeuwvacht en Zwarthoef hinnikten naar elkaar omdat ze blij waren elkaar weer te zien. Ze kenden elkaar al van toen zij kleine veulens waren. Ze waren kort na elkaar geboren en samen opgegroeid in de koninklijke stallen.
“Niets te eten!” riep Walter en zijn uitroep werd overstemd door het geknor van zijn hongerige maag.
“Als we in een dorp komen, dan moeten we om eten vragen!” riep Ralph.
“Verder stroomafwaarts zijn er geen dorpen meer langs de rivier,” zei Perko. “De rotsgrond is stenig en onvruchtbaar.”
“Dan moeten we terug!” riep Walter. “Zonder eten kunnen we niet verder!”
“Er is geen weg terug,” zei Perko. “Daar wacht ons slechts de gruwelijke wraak van de koningin!”
“Kunnen we niet van de rivier afgaan, de heuvels in, op zoek naar eten?” vroeg Asra.
“We volgen de rivier!” riep Isumbras vastberaden. “Alleen zo vinden we de rand van de wereld!”
De rivier slingerde tussen stenige, onvruchtbare heuvels en nergens zagen ze een dorp of ook maar een eenzaam hutje. Het kale land waar ze doorheen draafden, was woest en onbewoond. Voor hen rees in de ijle verte een donkere muur van rotsen op, waar de rivier recht op af leek te stromen. Ze draafden de hele ochtend en middag aan één stuk door. Langzaam kwam de donkere muur dreigend dichterbij. De rivier verwijdde zich tot een groot meer. Het rimpelloze water weerkaatste de blauwe lucht en de warme stralen van de dalende zon.
“Dit is het Grote Meer,” zei Perko. “Voorbij dit punt heeft nog niemand de rivier gevolgd. Niemand weet waar de rivier naartoe stroomt voorbij het Grote Meer.”
“Naar de rand van de wereld, waar anders naartoe!” riep Isumbras en ze draafden verder langs de oever van het meer, op zoek naar de plek waar de rivier het meer uitstroomde. Ze reden tot aan de voet van de dreigende muur van rotsen en zagen geen rivier, enkel de smalle oever van het Grote Meer onder de steile rotswand. Verder reden zij. Slechts op één plek was de rotswand minder steil en leek een smal, vaag pad omhoog te slingeren. Woef liep het smalle pad een stukje omhoog en markeerde het met een plasje. Daarna rende de hond weer achter de paarden aan. De oever werd breder en week van de rotswand af. Achter hen zakte de zon traag als een oranje bal omlaag naar de gekartelde rand van de donkere rotsen.
“Daar is de rivier weer!” riep Walter vanaf Sneeuwvacht en hij wees vooruit. Even later volgden ze de rivier.
“Ik heb het idee, dat wij hier eerder zijn geweest,” zei Asra. “Het landschap komt mij bekend voor en ik vind het vreemd dat we nu van de bergen en de zon afrijden, terwijl we er eerst naartoe reden.”
“Stop eens!” riep Wibald. Isumbras hield Zwarthoef in. Wibald sprong van het paard en liep naar de waterkant. Woef liep met hem mee en slobberde met zijn lange tong een paar slokjes uit de rivier.
“Het water stroomt naar het meer toe!” riep Wibald.
“Dan is dit een andere rivier, die naar het meer toe stroomt,” zei Ralph.
“Of dezelfde rivier,” zei Perko. “We volgen dezelfde rivier nu stroomopwaarts terug!”
“Maar dan hebben we hier al gereden!” zei Walter verbaasd. “Dan zouden we toch de sporen van de hoeven van onze paarden moeten zien!”
“Niet als we nu op de andere oever van de rivier zijn,” zei Asra.
“Dat kan niet!” riep Ralph. “We zijn de rivier helemaal niet overgestoken!”
“We zijn de rivier niet overgestoken, maar er om heen gelopen,” zei Perko. “We zijn om het meer gelopen, om precies te zijn, en het meer is het einde van de rivier.”
“Het meer kan nooit het einde van de rivier zijn,” zei ridder Isumbras teleurgesteld. “De rivier stroomt naar de rand van de wereld en daar stort al het water in een grote waterval omlaag. Ik heb geen waterval gezien. Enkel een kale, steile rotswand.”
“Ik snap het ook niet,” zei Walter. “Als het rivierwater het meer nergens uitstroomt, dan moet het meer toch steeds groter worden totdat het alles overstroomt? Ik bedoel…”
Walter werd onderbroken door een geschrokken kreet van Perko, die naar een stofwolk op de andere rivieroever wees. “De ridders van de koning! We zijn verloren.”
Duizend ruiters galoppeerden hen aan de overkant van de rivier tegemoet. Wibald klom snel achterop Zwarthoef en ze vluchtten voor hun achtervolgers uit, terug naar de rotswand.
“Ze halen ons in!” riep Perko angstig
“Gelukkig zijn ze op de andere rivieroever!” riep Asra.
“Maar niet lang meer” riep Perko. “Aan de andere kant van het meer lopen we ze recht in de armen! We moeten omdraaien!”
Ridder Isumbras en Perko lieten Zwarthoef en Sneeuwvacht een halve cirkel maken en ze galoppeerden in de tegenovergestelde richting verder, hun belagers tegemoet. Duizend ridders op de andere rivieroever keken verbaasd naar de twee paarden met ieder drie berijders op de rug en naar de lichtbruine hond, die hen aan de overkant van de rivier passeerden. Duizend ridders hielden hun paard in. Duizend ridders draaiden hun paard om. Duizend ridders vloekten en tierden tegen elkaar omdat ze elkaar in de weg liepen. Duizend paarden hinnikten en steigerden. Duizend ridders vielen van hun paard en moesten er weer op klimmen. De chaos en verwarring in de menigte ridders van de koning duurde lang genoeg om Zwarthoef en Sneeuwvacht een voorsprong te geven, maar al snel zetten de duizend ridders opnieuw de achtervolging in op de andere rivieroever.
“Ze komen achter ons aan!” riep Ralph, die achterop Sneeuwvacht over zijn schouder schuin achterom keek naar de overkant van de rivier.
“Ze zijn ook voor ons!” riep Walter, die voorop het witte paard naar een klein stofwolkje in de verte wees, dat hen aan de overkant van de rivier tegemoet snelde. Het kleine stofwolkje werd groter, maar niet veel groter. Het kleine stofwolkje hield stil. Het waren Bertrand, Gerbrand en Roland, de ridders van de Groene Tak, die achter de duizend ridders van de koning aan renden om ze alsnog tot een veldslag te dwingen.
“Hallo!” riep Roland.
“Hallo!” riep Bertrand.
“We komen naar jullie toe!” riep Gerbrand en hij liep het snel stromende water van de rivier in. Roland en Bertrand kwamen achter hem aan.
“Jullie verdrinken dadelijk!” riep Asra bezorgd.
“Nee hoor, het is hier ondiep!” riep Gerbrand terwijl het water tot zijn middel kwam.
“Er is hier een doorwaadbare plaats!” riep Roland.
“Dat kun je zien, omdat de rivier hier een stuk breder is maar toch sneller stroomt!” riep Bertrand.
De drie nobele ridders waren al aan de overkant. Ze schudden het water uit hun harnassen en maakten daarna een beleefde buiging, waarbij er nog meer water uit de kieren van hun harnassen stroomde.
“Wij achtervolgen de ridders van de koning,” zei Roland.
“En de ridders van de koning achtervolgen ons!” riep Perko vertwijfeld. De duizend ridders op de andere oever kwamen snel dichterbij en waren niet ver meer van de plek, waar Roland, Bertrand en Gerbrand de rivier waren overgestoken.
“Ze hebben gezien dat hier een voorde is!” jammerde Perko. “We zijn verloren!”
“Wanhoop niet!” riepen de ridders van de Groene Tak in koor. “Niemand zal ons passeren!” Ze staken heldhaftig hun zwaarden in de lucht. “Wij zijn de dappere ridders van de Groene Tak! Wij zijn geen lafaards! Wij versagen nooit!”
“Nutteloos,” zei Asra. “Jullie worden onder de voet gelopen en dat levert ons maar een paar tellen voorsprong op.”
“Ze heeft gelijk,” klonk de stem van Roland.
“Verzet is zinloos,” klonk de stem van Gerbrand.
“Liever laf en levend dan dapper en dood,” klonk de stem van Bertrand.
De drie ridders van de Groene Tak keken elkaar verbaasd aan. Geen van drieën had iets gezegd, maar de woorden hadden hun redelijk in de oren geklonken. Uiterst redelijk. Voordat ze beseften, dat Perko hun stemmen had nagebootst, riep Wibald “Ik weet waar de rivier verder stroomt, achter de rotswand!”
“Naar de rotswand, naar de rand van de wereld!” riep Isumbras en hij liet Zwarthoef terug galopperen naar het meer, in de richting van de ondergaande zon. Sneeuwvacht galoppeerde er achter aan, gevolgd door Woef. “Liever laf en levend dan dapper en dood!” riepen de drie nobele ridders van de Groene Tak en zij renden achter het zwarte paard en het witte paard en de lichtbruine hond aan, juist op het moment dat de duizend ruiters aan de overkant van de rivier bij de voorde stil hielden. Duizend ruiters wilden tegelijkertijd de rivier oversteken. Duizend ridders vloekten en tierden tegen elkaar omdat ze elkaar in de weg liepen. Duizend paarden hinnikten en steigerden. Duizend ridders vielen van hun paard in het ondiepe water bij de oever. Duizend ruiters moesten op de oever klimmen en hun paard weer vinden. Dit gaf de helden van dit verhaal opnieuw een grote voorsprong. Zo groot was de voorsprong zelfs, dat, toen de laatste ridder de rivier over was gestoken, onze helden reeds de plek bij het einde van het meer hadden bereikt, waar de helling iets minder steil was en waar een smal, vaag pad omhoog slingerde. Woef liep met zijn neus snuffelend over de grond en vond feilloos het pad. In de schemering klommen twee paarden, zes berijders, drie ridders te voet en één lichtbruine hond slingerend langs de rotswand omhoog.
“Er moet een ondergrondse rivier uit het meer onder de rotswand doorstromen,” zei Wibald. “Ik kwam op het idee door de opmerking van Walter, dat als het rivierwater het meer nergens uitstroomt, het meer steeds groter moet worden totdat het alles overstroomt. Ik had aan de oever van het meer gezien, dat het waterniveau juist iets gezakt was.”
“Zie je wel dat ik slimmer ben dan jullie denken,” zei Walter trots.
Asra, Wibald en Ralph lachten. Woef blafte vrolijk mee.
“Laten we eerst afwachten of we daadwerkelijk de rivier vinden aan de andere kant van deze rotsen,” zei Isumbras streng.
“En niet voor die tijd ingehaald worden door de ridders van de koning,” zei Perko angstig.
Ze hadden geluk. In de toenemende duisternis van de schemering galoppeerden de duizend ridders het smalle pad voorbij. Het was al bijna donker en ze hadden geen hond bij zich om hen het pad te wijzen. De duizend ridders reden het hele meer rond en langs de andere oever van de rivier weer terug, stroomopwaarts. Pas toen ze in het licht van de opkomende maan de voorde herkenden, beseften ze dat hun prooi ontsnapt was. Diezelfde heldere maan hielp onze helden om het smalle pad over de rotsen te volgen, totdat ze in de ochtendschemering aan de andere kant van de rotswand afdaalden. Beneden gekomen hoorden ze stromend water kabbelen. De rivier kwam door een boogvormige grot naar buiten en slingerde zich in de eerste zonnestralen als een zilveren lint door uitgestrekte, omlaag glooiende graslanden. Een zacht zeebriesje woei hen in het gezicht. Meeuwen cirkelden boven hun hoofden. Overal huppelden vette konijnen, die zich tegoed deden aan het malse gras. Ook Zwarthoef en Sneeuwvacht begonnen te grazen. “Woef!” zei Woef en hij rende achter de vette konijnen aan. In korte tijd had hij er tien gevangen, waarvan hij één verscheurde en naar binnen slokte. De andere negen gaf hij aan de mensen, voor ieder één. Verbaasd keek hij toe hoe de mensen niet meteen hun tanden in het nog warme vlees zetten. Ondraaglijke honger knaagde aan ieders maag, maar niemand wilde het bloeddorstige voorbeeld van Woef volgen.
“We hebben nu geen tijd om het vlees te braden,” zei Isumbras. “Ook zie ik nergens brandhout voor een vuurtje.”
“Ridders Isumbras heeft gelijk,” zei Roland.
“Maar wanneer eten we dan eindelijk weer eens wat?” vroeg Walter chagrijnig. De anderen dachten hetzelfde, maar hielden hun mond.
“De rand van de wereld kan nu niet ver meer zijn,” zei ridder Isumbras. Hij wees over de omlaag glooiende grasvelden naar de verre horizon. “Daar bouwen we een kasteel en in ons kasteel kunnen we ons eten toebereiden terwijl we de komst van de vijand afwachten.” Hij stopte de konijnen in een zadeltas. Zwarthoef en Sneeuwvacht mochten nog even rusten en grazen, daarna draafden zij over de omlaag glooiende grasvelden langs de rivier naar de rand van de wereld.


14. Het kasteel aan de rand van de wereld


Ondanks het feit dat ze voor het eerst in hun leven de zee zagen, waren ze weinig onder de indruk. Hoe kon het ook anders. Ze hadden de rand van de wereld verwacht, waar de rivier met oorverdovend gedonder in een oneindig diepe afgrond stortte. In plaats daarvan stroomde de rivier in een bedding van grote keien naar een enorm breed strand, waar het water in enkeldiepe stroompjes uiteenwaaierde om zich tenslotte kalm te voegen bij de vlakke, nauwelijks golvende watermassa, die zich uitstrekte zover het oog reikte. Het was eb en windstil. Bij vloed en storm was er geen strand en sloegen de golven van de zee over de grote keien op de oever van de rivier, die in een nevel van schuim en zeewater verdween.
“Is dit nu de rand van de wereld?” zei Walter teleurgesteld. De anderen dachten hetzelfde, maar hielden hun mond.
“We moeten het er maar mee doen,” zei ridder Isumbras. “Hier bouw ik mijn kasteel.” Hij rolde het touwladdertje uit en klom van Zwarthoef omlaag. Eenmaal op de grond beland, begon hij keien op een hoop te stapelen. Iedereen hielp hem, behalve Asra, die aangespoelde takken verzamelde als brandstof voor een kookvuur. Ze waren te hongerig om lang door te werken en ze hielden op toen de hoop keien net boven de rug van Zwarthoef uitkwam. Ridder Isumbras haalde uit een zadeltas een banier, waarop zijn wapen geborduurd was, een zwart paard op een gele achtergrond. Hij bond de banier aan een lange tak, die Asra gevonden had. Ralph beklom de steenhoop en plantte de vlag op de top. De bouw van het kasteel van ridder Isumbras was voltooid. Eindelijk konden ze zich om hun hongerige magen bekommeren! Ridder Isumbras stak met behulp van een tondeldoos het kookvuur aan. Ze vilden en braadden de konijnen, niet alleen die uit de zadeltas, maar ook die Woef ondertussen nieuw had gevangen. De hond vulde zijn neusgaten met de geur van gebraden konijn en deed zich alvast tegoed aan rauw vlees. Het geduld van de mensen werd beloond. Vol overgave verorberden ze het gare knaagdierenvlees. Hierna zaten ze tevreden met hun rug tegen de hoop keien. De zon stond hoog aan de hemel en het was warm. Een nauwelijks merkbaar zeebriesje streelde hun gezichten maar bracht geen verkoeling. De banier boven hun hoofden hing er slapjes bij.
“Liever laf en levend dan dapper en dood, dat wordt ons nieuwe devies,” zei ridder Roland. De andere twee ridders van de Groene Tak mompelden instemmend. Daarna vielen hun ogen dicht. Ridder Isumbras, Perko, Asra, Wibald, Ralph en Walter snurkten al. De inspanningen en het gebrek aan slaap van de afgelopen dagen eisten hun tol van onze helden. De ridders van de Groene Tak hadden bovendien de hele nacht doorgelopen, terwijl de anderen op de rug van hun paarden zo nu en dan in slaap waren gedommeld. Ralph en Walter, die op de rug van Sneeuwvacht het meest van allen hadden geslapen, werden als eerste wakker en liepen het strand op voor een wandeling.

Het was ongeveer rond dit tijdstip, dat de duizend ridders van de koning het steile pad over de rotsen hadden gevonden. In een lange optocht gingen de duizend ridders achter elkaar over het smalle pad en de eerste ridder was reeds aangekomen bij de grot waaruit de onderaardse rivier naar buiten kwam, terwijl de laatste ridder de klim nog moest beginnen. Toen tenslotte ook deze laatste ridder was gearriveerd, galoppeerden de duizend ridders van de koning in brede formatie over de omlaag glooiende grasvelden de ondergaande zon tegemoet. Na een wilde rit naderden ze de monding van de rivier. De vloed was opgekomen, het strand was overspoeld en het zeewater klotste zachtjes tegen de grote keien. Eén van de duizend ridders wees op de steenhoop met de banier van ridder Isumbras. Zij vormden een halve cirkel en gaven hun paard de sporen. Met getrokken zwaarden reden de duizend ridders voorwaarts. De aanval op het kasteel van ridder Isumbras was begonnen. De strijd was snel beslecht. Er waren geen verdedigers. Nergens waren ridder Isumbras, Perko en hun reisgezellen te bekennen.
“Ze zijn over de rand van de wereld gevallen!” riep een ridder.
De duizend ridders keken naar de ondergaande zon, die roodgekleurd in de zee zonk. Ze huiverden. Ze waren bang om zelf van de rand van de wereld te vallen. Een ridder klom op de steenhoop en nam de banier van ridder Isumbras mee, als bewijs voor de koningin dat de tempelschenners over de rand van de wereld waren gevallen, samen met de andere vijanden. Daarna keerden de duizend ridders opgelucht terug naar het kasteel van de koning. Ze bleven liever niet langer bij de gevaarlijke rand van de wereld. Dat was ook nergens voor nodig. Hun missie was geslaagd. Bovendien mochten de ridders hun belangrijke rol in de economie van het koninkrijk niet vergeten. Als er nog langer geen roversbuit meer in beslag werd genomen, dan kon de winstverwachting, die de koning had uitgesproken tijdens zijn jaarlijkse rede, in gevaar komen. Dat wilde natuurlijk niemand van de duizend ridders.


15. Het elfenschip


Ralph en Walter hadden niet lang over het strand gewandeld, toen ze in de verte iets groots midden op de brede zandvlakte zagen liggen. Nieuwsgierig renden ze ernaar toe. Zoiets hadden Ralph en Walter nog nooit gezien. Het leek wel een langwerpig, houten huis op zijn kop, met de wanden omhoog en het gewelfde dak omlaag. De lange nok van het dak rustte op het zand, maar boog aan de voorkant en achterkant omhoog tot ver boven de spits ernaartoe lopende planken van de zijwanden. Uit de zijwanden staken lange stokken, die in het zand rustten en er voor zorgden dat het omgekeerde huis niet omviel. Ralph en Walter hoorden betoverend mooi gezang en nadat ze dichterbij waren gekomen, zagen ze mannen in sierlijke gewaden en met lang blond haar bovenop het omgekeerde huis staan. De mannen zagen Ralph en Walter en hielden op met zingen. Ze hieven bij wijze van groet hun handen omhoog met de palm naar voren.
“Gegroet, gij lieden,” zei de langste van de mannen, die een rijk versierde zilveren band rond zijn voorhoofd droeg.
“Wie zijn jullie?” vroeg Ralph enigszins argwanend.
“Wij zijn elfen van over het grote water,” antwoordde de lange man. “Mijn naam is Alainhir. Ik ben de kapitein van deze boot.”
“Is dat een boot?” vroeg Walter ongelovig.
“Dat is toch veel te groot voor een boot,” zei Ralph. “Dat blijft toch nooit drijven!”
De lange mannen bovenop het omgekeerde huis lachten.
“Jullie hebben verstand van boten?” vroeg Alainhir vriendelijk.
“Wij zijn in de boot van de oude Elmar de rivier afgevaren,” snoefde Walter.
“Hoe groot was die boot?” vroeg Alainhir.
“Zo groot ongeveer,” antwoordde Walter en hij paste zes voet af op het strand.
Boven hem klonk weer luid gelach, niet spottend, maar welwillend en geamuseerd. Ralph en Walter voelde zich eerder aangemoedigd dan beledigd.
“Als dat een boot is, hoe krijgen jullie die dan naar het water gedragen?” vroeg Ralph uitdagend. “Die boot van jullie is veel te zwaar!”
“We hoeven de boot niet naar het water te dragen,” antwoordde Alainhir. “Het water komt vanzelf naar de boot toe.”
“Dat geloof ik niet!” riep Walter.
“Ik ook niet!” riep Ralph.
Ze hadden die dag voor het eerst de zee gezien en wisten niets van eb en vloed.
“Je hoeven het ook niet te geloven,” lachte Alainhir. “Jullie kunnen dadelijk met eigen ogen zien hoe het water omhoog komt.”
“Dadelijk zijn we weer weg!” zei Walter, die liever niet bleef wachten op water dat vanzelf omhoog kwam.
“We moeten weer gaan!” zei Ralph, die popelde om het nieuws van hun vreemde ontmoeting aan Asra en Wibald te vertellen. Ralph trok Walter mee en de twee jonge mannen rende snel terug naar de steenhoop waarboven de banier van ridder Isumbras prijkte. Daar sliep iedereen nog.
“Wakker worden, wakker worden!” riep Ralph.
“Wat is er?” vroeg Wibald, terwijl hij de slaap uit zijn ogen wreef.
Ook de anderen deden hun ogen open.
“We hebben daar een omgekeerd huis gezien,” vertelde Ralph opgewonden en hij wees over het strand. “Er wonen elven in, die zeggen dat ze over het grote water zijn gekomen.”
“Van over het grote water?” zei Isumbras verbaasd. “Daar wil ik meer van weten. Als die elven, of hoe die mensen ook heten, van over het grote water komen, dan is dit niet de rand van de wereld. Dan is mijn zoektocht nog niet voltooid!”
Hij stond op en liep snel naar Zwarthoef. Langs het touwladdertje klom hij omhoog. Op het grote zwarte paard reed hij het strand op. De anderen kwamen achter hem aan. Perko zat op de rug van Sneeuwvacht. Ralph, Walter, Asra, Wibald en de drie ridders van de Groene Tak gingen te voet. Woef rende blaffend vooruit.
De elven op het drooggevallen schip wachtten hen op met de handen vriendelijk in de lucht gestoken.
“Gegroet, gij lieden,” zei Alainhir. “Jullie zijn net op tijd. Kom snel aan boord allemaal, voordat het wassende water jullie meesleurt de diepte in.” Alainhir wees op de vloedlijn, die nog maar enkele meters van het schip verwijderd was. De elven schoven een lange loopplank uit, die breed genoeg was voor de paarden. Terwijl onze helden aarzelden of ze op de uitnodiging van Alainhir in moesten gaan, steeg het water razendsnel. Een golf omspoelde hun voeten en trok eraan met een sterke zeewaartse stroming. Woef rende als eerste jankend de loopplank op en iedereen volgde zijn voorbeeld.
“Welkom aan boord,” sprak Alainhir. Hij wendde zich tot Ralph en Walter. “Nu zien jullie met eigen ogen, hoe het water naar de boot toe komt en dat deze boot niet te groot is om te blijven drijven.”
Het stijgende water tilde de boot wiebelend van het strand. Alle elfen, behalve Alainhir, pakten een uiteinde van de lange stokken, die het schip op het strand gestut hadden. Met deze riemen roeiden de elven het schip snel en krachtig van de kust af, het grote water op.
“Waar gaan we naar toe?” vroeg Perko zenuwachtig. Hij had nooit gevaren, net als de meesten van onze helden, behalve natuurlijk Ralph en Walter, die zelfverzekerd als ervaren zeelieden over het water naar de zich gestaag verwijderende kustlijn keken. Zwarthoef en Sneeuwvacht waren opvallend kalm, nadat Alainhir zacht iets in hun paardenoren had gefluisterd.
“We varen terug naar Elfenland,” zei Alainhir. “Wij nemen jullie mee als bewijs dat we onbekende kusten hebben ontdekt. Wij zijn ontdekkingsreizigers.”
“Ik ben ook een ontdekkingsreiziger,” zei Isumbras. “Ik ben op zoek naar de rand van de wereld.”
“Daar kan je lang naar blijven zoeken,” lachte Alainhir. “De rand van de wereld bestaat niet. Nog niet zo lang geleden geloofden we er zelf ook in en daarom durfden we het grote water niet over te varen. Magnes en Alumin vertelden ons, dat we niet bang hoeven te zijn voor de rand van de wereld. En zij hadden gelijk. Wij zijn veilig het grote water over gevaren.”
“Wie zijn Magnes en Alumin?” vroeg Isumbras nieuwsgierig.
“Twee wijze tovenaars,” antwoordde Alainhin. “Ze kunnen de mooiste lichtflitsen maken en ze turen iedere nacht vanuit hun toren naar de sterren.”
“Kan ik hen ontmoeten?” vroeg Isumbras. “Om ze te vragen over de rand van de wereld?”
“In Elfenland zijn jullie vrij om te gaan waar jullie willen,” antwoordde Alainhir.
De kustlijn was uit het zicht verdwenen en zo ver het oog reikte was water. De elfen bewogen de riemen precies in de maat en roeiden het elfenschip naar de ondergaande zon.
 
Zo kwam het dat toen de duizend ridders van de koning het kasteel van ridder Isumbras bestormden, zij er enkel de achtergelaten banier bovenop de steenhoop vonden.


16. Magnes en Alumin


Hoewel het onze helden nooit gevraagd was of ze mee wilden varen naar Elfenland en ze dit eerder noodgedwongen dan vrijwillig deden, voelden zij zich niet als gevangenen op het elfenschip. Kapitein Alainhir was een goed gastheer. Elfendrank vloeide rijkelijk en elfenspijs was er in overvloed. Ook het weer was vriendelijk. Overdag scheen de zon. ‘s Nachts fonkelden ontelbare sterren aan een windstille, wolkenloze hemel en hun schittering weerspiegelde in een vlakke zee. De elfenroeiers zongen met warme, betoverende stemmen melodieuze liederen over het schone Elfenland en dit gezang ontstak in de harten van onze helden een vurig verlangen om Elfenland met eigen ogen te aanschouwen. Daar kwam bij ridder Isumbras nog de wens bij om aan de tovenaars Magnes en Alumin hun wijze oordeel omtrent de rand van de wereld vragen.
De drie ridders van de Groene Tak ontpopten zich aan boord als ware levensgenieters. Neergevleid op zachte kussens en steunend op hun linker elleboog, bedienden zij zich met hun rechter hand van de elfenspijs en elfendrank. Tussendoor riepen ze in koor hun nieuwe motto “Liever laf en levend dan dapper en dood!”
Na vijf dagen varen wees Alainhir naar de vage contour van bergen aan de verre horizon en nog dezelfde dag voeren zij de beschutte haven van Elfenstad binnen. Een grote menigte elfen stond op de kade, nieuwsgierig naar de tocht van het elfenschip.
“Nieuw land over zee!” riep Alainhir vanaf de voorplecht naar de menigte. “Een triomf voor de elfen!” Terwijl de elfenroeiers het schip aanmeerden, juichte de menigte Alainhir toe. Trots stapte Alainhir over de brede loopplank aan land. Onze helden voerde hij als trofee achter zich aan. De elfen op de kade keken verbaasd naar het grote zwarte paard en het witte paard en de harnassen van de ridders. Op hun beurt keken onze helden hun ogen uit in de sierlijke Elfenstad. De gevel van ieder huis was rijk versierd met elegant beeldhouwwerk in felle kleuren. Bonte vlaggen wapperden overal. Alle elfen waren mooi, zowel de vrouwen als de mannen. Alainhir werd bij alle voorname elfenfamilies uitgenodigd om tijdens het diner te vertellen over het door hem ontdekte land. De eerste keren nam hij al onze helden mee, maar Asra was al snel niet meer welkom. De elfenvrouwen waren namelijk erg jaloers, jaloers op de schoonheid van Asra en jaloers op de bewonderende blikken die de elfenmannen op Asra wierpen. Toen Asra niet meer welkom was, wilden Wibald, Ralph en Walter ook niet meer mee. Al snel voegde ridder Isumbras zich bij hen. Hij was het zat om steeds uitgelachen te worden, wanneer hij vertelde dat hij op zoek was naar de rand van de wereld. Ook Woef ging niet meer mee met Alainhir, deels uit trouw voor Asra, deels omdat hij doodsbenauwd was voor de gevlekte panters, die de voorname elfenfamilies als huisdier hielden. Gerbrand, Roland, Bertrand en Perko bleven Alainhir vergezellen bij ieder banket. De drie ridders van de Groene Tak zagen geen enkele reden om al het lekkere eten aan hun neus voorbij te lagen gaan. Perko genoot er van om het middelpunt van de vrolijke belangstelling te zijn als hij de stem van ridder Isumbras nadeed en quasi plechtig vertelde dat hij op zoek was naar de rand van de wereld. Zo gingen de dagen in Elfenstad voorbij, vol roem en lekker eten voor Gerbrand, Roland, Bertrand en Perko, maar in toenemende mate monotoon voor onze andere helden.
“Ik wil die Magnes en Alumin wel eens spreken,” bromde Isumbras. “Die twee tovenaars hebben hier iedereen wijs gemaakt dat de rand van de wereld niet bestaat. Daarom word ik hier overal uitgelachen.”
“Mogen wij met u mee?” vroeg Ralph. “We vervelen ons in de Elfenstad.”
“Ja, alstublieft!” vroegen Walter, Wibald en Asra in koor.
Zij mochten mee. Aan Alainhir vroegen ze waar de toren van de tovenaars was.
“Hoog in de bergen,” antwoordde Alainhir en hij wees hen een klein uitsteeksel aan op een verre bergtop. “Maar jullie kunnen er niet naartoe. De poort van de stad blijft gesloten. Jullie mogen de stad niet verlaten!”
“Waarom?” vroeg Walter teleurgesteld. “Aan boord zei u nog, dat we mochten gaan en staan waar wij wilden.”
“Helaas, maar het is voor jullie eigen veiligheid,” antwoordde Alainhir. “De tovenaars wonen in het grensgebied met Dwergenland. Er dreigt oorlog tussen de elfen en de dwergen. Als de bergelfen de grens niet bewaakten, dan was de stad allang onder de voet gelopen door die onbeschaafde, barbaarse dwergen.” Alainhir vertelde er niet bij, dat de oorlogsdreiging er al jaren was en dat hij aan boord van het elfenschip gelogen had om ridder Isumbras rustig te houden.
Die avond, bij zonsondergang, arriveerde een regiment bergelfen in de stad om de verdediging van Elfenstad te versterken. Het regiment bestond uit vijf bataljons, die ieder weer in vier compagnieën verdeeld waren. Twee aan twee marcheerden de soldaten door de stadspoort, met de boog over de schouder, de pijlenkoker op de rug en een lang mes aan de gordel. Een fakkeldrager liep voor iedere compagnie en een vaandeldrager voor ieder bataljon. Heel de stad was uitgelopen om de bergelfen te verwelkomen. De dapperen onder de bewoners van de stad hadden zich buiten de stadspoort gewaagd om hier reeds een erehaag te vormen. Natuurlijk stonden al onze helden daarbij, ook Perko en de drie ridders van de Groene Tak. Er was op dat moment toch nergens een banket in Elfenstad. Om over de menigte heen te kunnen kijken, zaten Isumbras en Perko op Zwarthoef en Sneeuwvacht. Vlak voordat de laatste compagnie in de schemering door de poort de stad in was gegaan, rook en zag Woef een haas. De hond rende achter het atletische knaagdier aan. Onze helden bleven kijken naar de wedloop om leven en dood. Steeds weer als Woef vlakbij de haas was, dan sloeg de haas een loodrechte hoek, waarna de hond uit de bocht vloog en opnieuw een grote achterstand had in te halen.
“Lekker, gebraden haas,” zei Perko lachend.
“Ik hoop dat de haas wint,” zei Asra. “Er is genoeg avondeten in Elfenstad.”
Op dat moment sloot de stadspoort zich met een luide knal achter de laatste compagnie bergelfen. De bewoners van de stad die buiten de stadsmuur stonden, waren daarvoor al gelijk met de laatste fakkeldrager mee naar binnen gegaan.
“We zijn buitengesloten,” zei Wibald. “Er is verder niemand meer buiten de poort.”
“Daar gaat ons avondeten,” zei Perko.
“Behalve als Woef de haas vangt,” zei Ralph.
“Eén haas voor zijn negenen, dat is wel wat karig,” zei Gerbrard, die er aan gewend was geraakt om in zijn eentje een halve haas te verorberen.
Het werd nog kariger. Woef kwam hijgend teruggelopen, zonder haas. De haas had de wedloop gewonnen.
“Laten we roepen, zodat de poortwachters ons binnenlaten,” zei Walter.
“Sstt!” siste Isumbras. “Dit is onze kans om naar de tovenaars te gaan!”
“Zouden ze avondeten voor ons hebben?” vroeg Perko.
“Ongetwijfeld,” zei ridder Isumbras. “En anders toveren ze het wel.”
En zo gingen al onze helden op pad, de bergen in, naar de toren van Magnes en Alumin. Asra, Wibald zaten zoals gebruikelijk bij Isumbras op Zwarthoef. Walter, Perko en Ralph bereden Sneeuwvacht. Roland, Bertrand, Gerbrand en Woef liepen er op eigen kracht achteraan. De toren hoog op de berg stak in de verte duidelijk af tegen de nachtelijke hemel en het was niet moeilijk om de weg te vinden. Rond middernacht klopten ze aan bij de tovenaars.
“Wat moeten jullie?” klonk het ontstemd van boven af de toren. “We verrichten net uiterst belangwekkende waarnemingen.”
“We willen graag avondeten,” antwoordde Perko. Gerbrand, Roland en Bertrand mompelden instemmend.
“Wie zijn jullie dat jullie ons durven te storen?” klonk een andere, nog bozere stem van boven.
“Wij komen van over het grote water,” zei Asra snel. “We zijn meegevaren met Alainhin.” Ze hoopte dat dit de interesse van de tovenaars zou wekken. Dit plannetje slaagde.
“We hebben over jullie gehoord,” klonk het nu vriendelijk van boven. “We willen jullie graag ontmoeten. Wacht even. We doen zo de deur open.”
Onze helden moesten nog even geduld hebben, want het was een hoge toren, die de tovenaars moesten afdalen. Niet veel later zaten ze allemaal rond een lange houten tafel een late maaltijd de eten. Tot teleurstelling van Ralph en Walter hadden de tovenaars de broden, kazen en kannen met wijn niet tevoorschijn getoverd, maar gewoon uit de voorraadkast gepakt. Walter was zo teleurgesteld, dat hij er uit flapte “Zijn jullie wel echte tovenaars, jullie hebben niet eens een baard!”
“Natuurlijk hebben wij geen baard,” zei de tovenaar die zich als Magnes had voorgesteld.
“Wij zijn geen dwergen!” zei de andere tovenaar, die dus Alumin heette.
“Ik zal je eens laten zien dat we tovenaars zijn,” zei Alumin en hij gooide wat poeder in de vlam van een kaars. Meteen daarop werd iedereen verblind door een felle, witte lichtflits, behalve de tovenaars. Die wisten wat er ging gebeuren en hadden snel hun ogen dicht gedaan. Magnes gooide nu op zijn beurt wat poeder in het haardvuur. De haard braakte een oogverblindende, ietwat gelige lichtflits uit. De twee tovenaars bulderden van het lachen.
“Deze flitspoeders hebben wij uitgevonden,” zei Magnes trots.
“Mijn poeder heb ik Magnesium genoemd, naar mijn grote vriend Magnes,” zei Alumin.
“En mijn poeder heet Aluminium, ter ere van Alumin,” zei Magnes.
De twee tovenaars knikten vriendelijk naar elkaar. Hierna ondervroegen de tovenaars onze helden over het land waar zij vandaan kwamen. Het ene moment luisterden Magnes en Alumin serieus toe, om vervolgens zonder waarschuwing weer wat flitspoeder tot ontploffing te brengen. Flits! Iedere keer weer schrokken onze helden. Flits! De tovenaars bulderden van de lach.
“Ik ben op zoek naar de rand van de wereld,” zei Isumbras tot slot.
“De rand van de wereld bestaat niet,” zei Magnes.
“Als de rand van de wereld niet bestaat, waar stroomt al het water in de rivieren dan naartoe?” vroeg Wibald.
“Het water stroomt voortdurend rond de wereld,” antwoordde Alumin. “De wereld is namelijk rond!”
Flits!
“Ik geloof niet dat de wereld rond is,” zei Magnes, toen iedereen van de schrik van de lichtflits bekomen was. “Als de wereld rond is, dan kom je op een gegeven moment weer dichter bij je vertrekpunt, terwijl je nog steeds dezelfde kant op reist als toen je de reis begon. Dat is absurd. De wereld is oneindig groot, net als het heelal.”
“Het heelal is oneindig groot, daar ben ik het mee eens,” zei Alumin.
Flits! Flits!
“Dus u bedoelt, dat als de wereld rond is, je vanzelf weer thuiskomt als je maar lang genoeg doorreist?” vroeg Asra.
“Precies,” zei Magnes. “En dat is nog nooit iemand gelukt en daarom is de wereld niet rond maar oneindig groot.”
“Dat het nog niemand gelukt is, bewijst niets,” zei Alumin vol vuur. “Niemand is ver genoeg gereisd, omdat die stomme elfen en dwergen tot voorkort nog bang waren voor de rand van de wereld.”
“Wij hebben ver gereisd,” zei Wibald. “Maar wij zijn nog niet thuis.”
“Ik wil graag naar huis,”zei Ralph.
“Ik ook,” zei Walter.
“Dan moeten jullie nog wat verder reizen,” zei Alumin.
“Of we nemen dezelfde weg terug,” zei Asra.
“De weg terug naar huis is misschien wel langer dan de weg heen naar huis,” zei Alumin.
“Als de wereld rond is,” zei Magnes. Flits!
“De wereld is rond!” riep Alumin.
Flits!
“De wereld is oneindig groot!” riep Magnes.
Flits!
Flits!
Flits!
De twee tovenaars vielen van hun stoelen en rolden over de grond van het lachen, en zij waren de rest van de nacht niet meer in staat om een zinnig woord uit te brengen. In de kannen had een krachtige wijn gezeten, die weldra ook zijn uitwerking niet miste op onze helden. Iedereen viel met zijn hoofd op tafel in slaap. Luid gesnurk vulde de toren. Buiten graasden Zwarthoef en Sneeuwvacht in het maanlicht. Woef, die na de eerste lichtflitsen van de tovenaars jankend met de staart tussen zijn benen naar buiten was gerend, sloop voorzichtig door de openstaande deur naar binnen en sprong op de tafel. Zachtjes scharrelde hij tussen de slapende hoofden en deed zich te goed aan de etensresten. Eindelijk was het rustig binnen en kon ook hij eten!


17. Door Dwergenland


Iedereen in de tovenaarstoren werd gewekt door een luid gebons op de openstaande deur.
“Binnen!” riep Alumin slaperig.
“We zijn al binnen,” antwoordde een dwerg. De dwerg was klein van stuk, maar breed geschouderd. Hij zag er pienter en kordaat uit. Zijn lange baard was gevlochten en aan zijn gordel hingen een vervaarlijk uitziende hamer en een vlijmscherpe sikkel. Naast hem stond een bergelf, de boog over zijn schouder, de pijlenkoker op zijn rug en een lang mes aan de gordel.
“Wij vorderen deze toren,” zei de bergelf.
“Moeten jullie niet met elkaar vechten?” vroeg Magnes gapend.
“Die tijd is voorbij,” zei de dwerg. “De bergelfen en de dwergen hebben een verbond gesloten.”
“We trekken nu samen ten strijde tegen de decadente stadselfen,” zei de boself.
“We blijven niet langer meer ploeteren in de mijnen en op de akkers, terwijl de rijke stadselfen de winst opstrijken,” zei de dwerg.
“We zijn het zat om het gevaarlijke werk op te moeten knappen, terwijl de stadselfen veilig achter de stadsmuren hun luxe leventje leiden,” zei de bergelf. “De dwergen zijn onze zusters en broeders, we willen niet langer meer met ze vechten. Samen trekken we ten strijden tegen onze onderdrukkers. Helaas staan nog niet alle bergelfen aan onze kant, maar dat zal niet lang meer duren. Gisteravond is er nog een regiment naar de stad vertrokken dat loyaal is aan de stadselfen. Als onze spionnen ze over kunnen halen om aan onze kant te vechten, dan hebben we hulp van binnenuit en dan zal de strijd snel in ons voordeel beslist zijn. En anders zullen we ze een hoge prijs laten betalen.”
“Jullie mogen meenemen wat jullie willen, maar jullie mogen hier niet blijven,” zei de dwerg. “We maken van deze toren ons hoofdkwartier voor de strijd tegen de stad. Het uitzicht is precies wat we zoeken.”
De twee tovenaars reageerden laconiek.
“We bemoeien ons niet met politiek,” zei Magnes.
“Als jullie de toren nodig hebben voor strijd tegen de stad, dan gaan wij wel even ergens anders wonen,” zei Alumin.
De tovenaars begonnen allerlei spullen bij elkaar te zoeken en in zakken te stoppen. Onze helden hielpen de zakken naar buiten te dragen en op Zwarthoef en Sneeuwvacht te laden. Buiten stonden horden bergelfen met pijl en boog en lange messen en drommen dwergen, die allen bewapend waren met hamer en sikkel.
“Waar gaan we naartoe?” vroeg Asra.
“Jullie mogen niet naar de stad,” zei de aanvoerder van de dwergen. “We willen niet dat jullie ons aanvalsplan verraden. Als jullie naar de stad gaan, dan moeten wij jullie gevangen nemen en in de boeien naar Dwergenland voeren. Als jullie vrijwillig naar Dwergenland gaan, dan geef ik jullie een vrijgeleide mee, die er voor zal zorgen dat jullie overal in Dwergenland gastvrij ontvangen worden.”
“Dan gaan we naar Dwergenland,” zei Magnes.
“Misschien vinden we daar de rand van de wereld,” zei Isumbras.
“Reken daar maar niet op,” zei Alumin.
Zo gingen onze helden op weg naar Dwergenland. Hun gezelschap was inmiddels gegroeid tot veertien: Isumbras, Zwarthoef, Asra, Wibald , Perko, Ralph, Walter, Sneeuwvacht, Roland, Bertrand, Gerbrand, Magnes, Alumin en niet te vergeten Woef. Omdat Zwarthoef en Sneeuwvacht zwaar beladen waren met de zakken van de tovenaars, werden ze enkel door Isumbras en Perko bereden. Alle anderen gingen te voet en aangezien de twee tovenaars het tempo bepaalden, kwamen ze maar langzaam vooruit. Zo trokken ze over de heuvelruggen en door de dalen van Dwergenland. In ieder dal werden ze eerst door de dwergen vol argwaan bekeken, totdat ze de vrijgeleide van de dwergenaanvoerder lieten zien. Daarna kregen ze een overdadige maaltijd aangeboden. Tijdens het gastmaal konden Magnes en Alumin het nooit nalaten om een paar flitsen te vooroorzaken. Dit verhoogde feestvreugde van de bulderende tovenaars en van Woef. De hond was er niet meer bang voor, hij had geleerd dat er tijdens de flits altijd wel een paar dwergen van schrik hun eten op de grond lieten vallen. De dwergen echter zagen in ieder dal opnieuw de lol niet van de flitsen in en zo was het reisgezelschap ondanks de vrijgeleide keer op keer genoodzaakt om de volgende dag het dal te verlaten en verder te trekken, dieper Dwergenland in. Tenslotte werden ze bij hun zoveelste min of meer gedwongen vertrek gewaarschuwd, dat achter de volgende heuvelrug geen dwergen meer woonden, dat Dwergenland daar ophield. Onze helden konden niets anders doen dan de heuvelrug over gaan. Ze kwamen in een dicht met mensen bevolkt dal, dat aan de voet van hoge bergen lag. De mensen waren er onvriendelijk en zeiden tegen onze helden dat ze maar beter direct door konden reizen voordat de winter inviel en de passen over de bergen dicht sneeuwden. De mensen in het dichtbevolkte dal zaten er niet op te wachten om een winter lang elf monden extra te voeden, om maar niet te spreken van de twee grote paarden en de hond, die overal eten uit de keukens stal. Onze helden kregen wat proviand mee, niet teveel, en ze begonnen de beklimming van de woeste bergrug. Woef rende achter hen aan met een sliert worstjes in zijn bek. Verder trokken zij over de bergkam. Hier lag aan het einde van de zomer nog sneeuw. Ze baanden zich een weg door de sneeuwvelden. De twee tovenaars moesten vaak uitrusten vanwege de ijle lucht. Tijdens de rustpauzes gooiden Asra, Wibald, Ralph, Walter, Perko en de drie ridders van de Groene Tak sneeuwballen naar elkaar. Woef sprong ernaar en probeerde ze uit de lucht te happen. Na drie dagen kwamen ze aan de andere kant van de bergrug. Ze zagen een lieflijk land met hellingen, die zacht glooiend omlaag golfden naar een rivier. De hellingen waren bezaaid met hutjes. Niet ver van de rivieroever stond een grote houten zaal. Aan de overkant van de rivier lag een bos tot aan de horizon.
“Dat zijn de Glooiende Hellingen!” riep Asra.
“Daar is de Stroom!” riep Wibald en hij wees naar de rivier.
“En daarachter ligt het Groene Woud!” riep Ralph.
“We zijn weer thuis!” riep Walter en hij sprong van blijdschap in de lucht.
“Zie je wel dat de wereld rond is,” zei Alumin triomfantelijk.
“Niet noodzakelijk,” zei Magnes, “Ook op een oneindig grote wereld is het mogelijk om in een rondje te reizen.”
“Of de wereld nu rond is of oneindig groot, de rand van de wereld zijn we niet tegengekomen,” zei Isumbras. “Toch is de reis niet voor niets geweest. Ralph, Walter, Wibald en Asra zijn thuis!”
Lachend keek de oude ridder hoe de jongelui uitgelaten van blijdschap de helling af huppelden. Woef rende er luid blaffend omheen.



Wordt vervolgd.



www.jogledor.nl
© 2015 Jogledor, P.D. de Jong 'Ariesz.'; alle rechten voorbehouden, all rights reserved