Het vlindergevoel


Jogledor


© 2014 Jogledor, P.D. de Jong 'Ariesz.'; alle rechten voorbehouden, all rights reserved

1. Butterfly


Met een verveeld gezicht bevingerde Theo Janssens het beeldscherm van zijn telefoontje terwijl Titia onder het stalen bureau zijn schoenen poetste. Op het geruisloos en langzaam ronddraaien van de wijzers van de modieus vormgegeven klok aan de muur na, gebeurde er verder niets. En ook de klok was allang gestopt als dit moderne model niet van een onuitputtelijke energiebron was voorzien in de vorm van een foto-elektrische cel. De volledige afwezigheid van ieder andere activiteit of gebeurtenis in het kleine, bedompte kantoor geeft de gelegenheid om de held van dit verhaal te introduceren. Want ook al is het karakter van Theo Janssens van het laagste allooi, hij is onweerlegbaar de held van dit verhaal, net zo onweerlegbaar als één opgeteld met één altijd als resultaat twee oplevert, of dit nu beweerd wordt door een filantroop of door een massamoordenaar. Slechts één eigenschap spreekt in het voordeel van Theo Janssens en dat is dat hij geen moer geeft om het aantal s’en in zijn achternaam, verder is hij verwerpelijker dan de grootste misdadiger. Een misdadiger overtreedt de wet omdat dit nu eenmaal zo hoort. Theo Janssens overtreedt de wet uit gemakzucht. Theo Janssens was de eigenaar, directeur en enige detective van het detectivebureau Janssens & co. Compagnons had Theo Janssens nooit gehad en hij wilde er ook geen. Het & co had hij enkel erachter gezet om vertrouwen in te boezemen bij zijn klanten. De opdrachten voor het detectivebureau Janssens & co, als het bureau al opdrachten had, vielen hoofdzakelijk in de categorie opsporing van personen. Deze op te sporen personen konden in twee groepen verdeeld worden, ontrouwe echtgenoten en onvindbare debiteuren. Theo Janssens gaf zelf de voorkeur aan de eerste groep. Ontrouwe echtgenoten leverden minder werk op en een hogere beloning. Jaloezie is in deze zakelijke tijd nu eenmaal een luxe van de rijken of een voorwendsel voor een winstgevende echtscheiding. Theo Janssens deelde graag mee in zowel de luxe als de winst. Bovendien zijn ontrouwe echtgenoten altijd amateurs, die zich vroeg of laat, en eerder vroeg dan laat, bloot geven. Onvindbare debiteuren zijn echter in grote mate professionals, die zichzelf zelden verraden en daarom veel meer werk opleveren. De klanten die het detectivebureau Janssens  & co verzochten om onvindbare debiteuren op te sporen, deden dit meestal niet uit rijkdom. Menig opdrachtgever bleek niet in staat de rekening van het detectivebureau te betalen en werd zelf een onvindbare debiteur, wat weer extra werk met zich meebracht voor de eigenaar, directeur en enige detective van het bureau. En aangezien al deze functies verenigd werden in de persoon van Theo Janssens ging hij liever achter ontrouwe echtgenoten aan dan dat hij jacht maakte op onvindbare debiteuren. Tenminste, als hij de keus had, want meer dan één klant per maand was een uitzondering, minder was de regel. De eerste maanden van het jaar waren dan ook voorbij gegaan zonder één nieuwe opdracht. Ondanks de totale afwezigheid van werk had hij in deze maanden tien secretaresses versleten. Titia was nummer elf. Het vorige jaar lag de totale score op dertig. Theo Janssens ontsloeg zijn secretaresses altijd voordat de proeftijd van een maand verstreken was en bij voorkeur zonder betaling van salaris. Maar meestal werd hem de moeite van een ontslaggesprek bespaard en verscheen de enige medewerkster van het detectivebureau Janssens & co ruim voor het verstrijken van de maand uit eigen initiatief niet meer op het werk. De handen van de eigenaar, directeur en enige detective van het bureau bevonden zich namelijk geregeld op plekken waar het een goed werkgever, chef en collega niet betaamt om zijn handen op te leggen. Nu is de natuur sterker dan de regelgeving over intimiteiten op de werkvloer en relaties tussen collega’s en zelfs, of beter gezegd juist, tussen meerderen en ondergeschikten zijn geen uitzondering. In het geval van Theo Janssens echter trok de natuur een onverbiddelijkere streep tussen gewenste en ongewenste intimiteiten dan de meest doorgewinterde jurist bijgestaan door honderd dominees en duizend sociologen en psychologen kan formuleren. Theo Janssens was niet rijk en de natuur had hem geen enkele vorm van mannelijke schoonheid verleend. Theo Janssens was arm als een kerkrat en lelijk als de nacht. Zijn adem rook sterker dan de bestrating van het marktplein drie uur nadat de viskramen vertrokken zijn. Zijn doorlopende wenkbrauwen hingen als een somber balkon boven zijn scheve neus en boven zijn ondefinieerbaar groene ogen, waarmee hij afwisselend loenste en scheel keek. Zijn bovenlip was smal en onbetrouwbaar, zijn onderlip wellustig gezwollen. Hij sprak met consumptie en smakte bij het eten. Hij scheerde zich dagelijks met als enige resultaat dat de pokdalige huid van zijn wangen en het litteken op zijn kin beter zichtbaar waren. Zijn vette, zwarte haren plakte hij met gel naar achteren om de kale plek op zijn achterhoofd te bedekken. Want ondanks zijn weinig appetijtelijk uiterlijk was Theo Janssens in hoge mate ijdel. Helaas ging zijn ijdelheid niet hand in hand met een goede kledingsmaak. De kleur van zijn zorgvuldig gestrikte stropdas vloekte met zijn schreeuwerige overhemd. Zijn colbertjasjes hadden teveel schoudervulling, zelfs toen schoudervullingen in de mode waren. Gelukkig moet de omschrijving van deze weerzinwekkende verschijning gestaakt worden omdat er plotseling iets gebeurde in het benauwende kantoortje van het detectivebureau Janssens & co. De eigenaar, directeur en enige detective van het bureau werd uit zijn ongetwijfeld smoezelige overpeinzingen opgeschrikt door een indringende piep uit zijn telefoontje. Er verscheen een bericht op het beeldscherm, dat Theo Janssens eerst hoopvol las en daarna geïrriteerd wegschoof met een geoefend gebaar van zijn rechterduim. Geen klant. Weer de nationale recherche. Als ze hem op het matje wilden roepen voor het overtreden van één of ander onbenullig regeltje op het gebied van privacy, dan moesten ze hem maar dagvaarden over de post of persoonlijk op komen halen met een arrestatiebevel. Op dat moment klonk de deurbel van het kantoor, iets wat al meer dan een jaar niet meer was voorgekomen.
“Titia, ga eens kijken wie daar is!” zei Theo gebiedend. Titia stootte haar hoofd tegen de onderkant van het bureau en kwam verleidelijk glimlachend op handen en voeten tevoorschijn. Ze stond op. Haar lange benen onder het korte rokje leken haar eindeloos de hoogte in te duwen. Theo keek haar aandachtig na terwijl ze naar de deur van het kantoortje liep. Hij kon maar niet beslissen wat hij mooier vond, haar vormenrijke achterkant of haar weelderige voorkant. Haar oogverblindende uiterlijk maakte het raadsel dat zij het nu al drie weken als secretaresse bij hem uithield alleen maar groter. Nog een paar dagen en dan zat haar proeftijd erop en dan moest hij haar ontslaan, bij voorkeur zonder salaris. Een fractie van een seconde speelde hij met de gedachte haar in vaste dienst te nemen en een redelijk loon te betalen, maar deze bizarre gedachte had hij verworpen als een professioneel privédetective onwaardig lang voordat zij elegant trippelend op haar hoge hakjes de deur had bereikt. Haar hand ging naar de deurkruk, maar voordat haar gracieuze vingers het koude staal aanraakten, klonk er een harde dreun en leek de deur uit het kozijn te vliegen. Snel trok Titia haar hand terug en in dezelfde vloeiende beweging sprong zij lenig als een kat opzij. Opnieuw een dreun en nu vloog de deur daadwerkelijk uit het kozijn het kantoortje in en kwam op de vloer tot stilstand. Een arrestatieteam stapte naar binnen. De vijf agenten droegen zwarte helmen en zwarte kogelvrije vesten waar in witte letters op te lezen viel dat zij werkzaam waren bij dat deel van de overheid dat in de volksmond wel met politie wordt aangeduid. Zij liepen recht op de eigenaar, directeur en enige detective van het detectivebureau Janssens & co af en de voorste agent, die met een vel papier wapperde, vroeg beleefd “Bent u Theo Janssens, de eigenaar, directeur en enige detective  van het detectivebureau Janssens & co?”
“Dat ben ik,” antwoordde Theo Janssens.
“Janssens met drie s‘en?” vroeg de agent er op dezelfde beleefde toon erachteraan.
“Wat maakt dat nu weer uit, met hoeveel s‘en mijn naam wordt geschreven?”
“Heel veel,” antwoordde de agent en hij wapperde weer met het vel papier. “Het luistert heel nauw. In het arrestatiebevel staat uw naam met drie s‘en. Als dat niet klopt, dan is dat een vormfout, u weetwel, zo een onbenulligheidje op grond waarvan overbetaalde advocaten vrijspraak eisen en overwerkte rechters dat ook toewijzen. U wilt niet weten hoe vaak wij al voor de kat zijn krullen een arrestatie hebben verricht omdat er een naam verkeerd gespeld was of een a‘tje vergeten was achter het huisnummer. Ik las uw naam in het arrestatiebevel en ik dacht, dat moet ik voor de arrestatie even controleren. Janssens met drie s‘en, dat komt niet zo vaak voor. Meestal is het met één s, Jansen dus. Of met twee s‘en, Jansens of soms ook Janssen. Als uw naam niet goed geschreven is dan blazen we de boel nu af en komt er vanmiddag iemand langs om uw deur te repareren. Morgen beuken we dan met evenveel plezier en een foutloos arrestatiebevel opnieuw uw deur in.”
“Het is met drie s‘en,” zei Theo Janssens, die een hekel had aan overbodig werk.
“Grijp hem!” riep de agent. De vier andere agenten pakten Theo Janssens bij zijn benen en zijn armen en tilden hem van de grond.
“Moet u mij niet ook arresteren?” vroeg Titia.
“Is uw naam ook Theo Janssens, met drie s‘en?”
“Nee, ik heet Titia Borstlap.”
“Borstlap, is dat jouw achternaam?” vroeg haar werkgever, chef en collega vanuit de lucht. Hij had haar er nooit eerder naar gevraagd.
“Ja,” antwoordde Titia Borstlap verlegen.
De agent bekeek ondertussen aandachtig nog een keer het vel papier en zei daarna tegen Titia “Dan moet ik u teleurstellen, uw naam komt niet voor in het arrestatiebevel.” Hij gebaarde naar de andere agenten en zij droegen hun arrestant in horizontale positie het kantoortje uit, de drie trappen omlaag, de elektrische schuifdeuren door naar het parkeerterrein, waar een politiebusje klaar stond. Dit alles werd muzikaal begeleid door het vrolijke gejoel van de toeschouwers, die de andere kantoortjes in het gebouw uit waren gestroomd. Het gejoel ging over in een daverend applaus, toen de agenten onder het luidkeels roepen van “één, twee, drie!” hun arrestant met het hoofd vooruit het busje in jonasten. Theo Janssens had zich weinig geliefd gemaakt bij de andere gebruikers van het haveloze kantoorgebouw waar het detectivebureau Janssens & co een verwaarloosbaar aantal vierkante meters huurde. Het applaus daverde nog door, terwijl het politiebusje met hoge snelheid, zwaailicht en sirene het parkeerterrein afreed, door het fantasieloze bedrijventerrein richting snelweg, achtervolgd door een rood autootje. In dat rode autootje zat Titia Borstlap, die met een vastberaden blik in haar ogen alle snelheidsbeperkingen overtrad om het politiebusje bij het houden. Op de snelweg gingen alle weggebruikers eerbiedig opzij voor het aanstormende blauwe zwaailicht. Verbaasd keken zij naar het rode autootje dat aan de bumper van het overheidsvoertuig leek te kleven. De bestuurder van het politiebusje zou ook verbaasd zijn geweest als hij een blik in zijn spiegel had geworpen. Het gebeurt niet vaak dat een politieauto achtervolgd wordt en zeker niet als deze politieauto anderhalf keer de toegestane snelheid op de snelweg rijdt. De bestuurder van het politiebusje had dan ook geen enkele reden om in zijn spiegel te kijken. De vier andere agenten in het politiebusje keken ook niet naar achteren. Zij waren te druk met klaverjassen. Theo Janssens, die zich aan het traliewerk achterin het politiebusje vasthield, zag het rode autootje wel. Duidelijk herkende hij het aantrekkelijke gezicht en het fraai gewelfde bovenlichaam van de bestuurster. Voor de tweede keer die dag speelde hij met de bizarre gedachte zijn secretaresse in vaste dienst te nemen met een redelijk salaris, Maar waar haalde hij het geld vandaan? Over zijn arrestatie maakte hij zich weinig zorgen. Het was waarschijnlijk niet meer dan een pesterige wraakactie van de plaatselijke politiecommissaris, die hij meerdere malen als ontrouwe echtgenoot had opgespoord. Het onbezorgde gevoel verliet hem echter snel, toen hij zag dat het politiebusje in duizelingwekkend tempo de laatste afrit naar zijn woonplaats voorbijreed en de snelweg bleef volgen in de richting van de stad die als regeringszetel dienst doet. Angstig ging hij bij zichzelf na, wat hij op zijn kerfstok had dat er nog niet verjaard was. Hij herinnerde zich nu ook de tientallen tekstberichtjes van de nationale recherche op zijn telefoontje, die hij ongelezen had weggegooid, vanochtend nog één, vlak voordat het arrestatieteam binnenviel. Hij was bezig zich mentaal voor te bereiden op een bikkelhard verhoor, toen het politiebusje eindelijk de snelweg afreed en kort daarop onder de grond verdween in een parkeergarage van een hoog kantoorgebouw. Een oranje slagboom kwam omlaag achter het politiebusje, vlak voor het rode autootje, dat nog net op tijd kon remmen. De slagboom bleef omlaag en het rode autootje reed razendsnel achteruit de inrit omhoog en begon een hopeloze zoektocht naar een andere parkeergelegenheid in de overvolle stad.
Ondertussen werd Theo Janssens in de spelonken van de parkeergarage uitgeladen en overgedragen aan een onberispelijk geklede man van middelbare leeftijd waar overduidelijk het aureool van hooggeplaatst ambtenaar aan kleefde. De overheidsdienaar vroeg Theo Janssens vriendelijk hem te vergezellen. Er volgde een lange pelgrimage door gangen en liftkokers, die eindigde in een riante werkkamer die volgens het opschrift op de deur toebehoorde aan de minister van Openbare Orde. Achter een imposant bureau met stapels papier zat een ietwat vermoeid ogende vrouw. Haar verzorgde uiterlijk kon niet verhullen dat zij reeds lang de twintig was gepasseerd. Ze kwam Theo vaag bekend voor. Hij had haar een keer op het tv-journaal gezien. Even vroeg hij zich af wat een nieuwslezeres achter het bureau van de minister van Openbare Orde deed. Toen schoot het hem weer te binnen. De respectabele dame voor hem was de minister van Openbare Orde in hoogsteigen persoon.
“Excellentie, hier is de heer Janssens van detectivebureau Janssens & co, allebei geschreven met drie s‘en,” sprak de hooggeplaatste ambtenaar, die zijn hoge positie te danken had aan zijn punctualiteit.
“Meneer Janssens neemt u plaats,” zei de minister met de geruststellende klank in haar stem, die haar zo geschikt had gemaakt voor de positie van bewindsvrouw op het departement van Openbare Orde. Als het volk haar hoorde praten, dan wist het dat de Openbare Orde van het land in vertrouwde handen was. Zo verging het ook Theo. Gerustgesteld ging hij voor het bureau zitten, terwijl de hooggeplaatste ambtenaar zich discreet uit de kamer verwijderde. Niet langer meer maakte Theo zich zorgen over zijn eigen wederrechtelijke verleden, waarin de overtredingen niet verder waren gegaan dan het onrechtmatig onderscheppen van de post van een op te sporen ontrouwe echtgenoot en andere beuzelarijen die de persoonlijke aandacht van een minister van Openbare Orde niet waard zijn. Dit gesprek moest ergens anders over gaan. Maar waarover dan wel? Had de minister van Openbare Orde het vermoeden dat haar echtgenoot ontrouw was en wilde zij zijn detectivebureau inschakelen?
“Meneer Janssens, mijn ministerie wil de diensten van uw detectivebureau inhuren,” begon de minister, die altijd weinig tijd verspilde aan inleidende beleefdheden en gewoon was om met de deur in huis te vallen, de koe bij de horens te vatten en er geen gras over te laten groeien.
“Het hele ministerie?” vroeg Theo gretig. “Zijn de huwelijkspartners van al uw medewerkers ontrouw? In dat geval kan ik wel korting geven.”
De minster glimlachte even. “Met de privé aangelegenheden van mijn medewerkers bemoei ik mij niet. Ik heb het druk genoeg met de Openbare Orde in dit land en het aanzien daarvan bij ons bevriende naties. En dat aanzien is de laatste tijd ernstig in het gedrang gekomen. Kent u de verboden drug Butterfly?”
“Wel eens van gehoord. Zelf heb ik genoeg aan op zijn tijd een stevige borrel.”
“Ik vroeg niet of u Butterfly ooit gebruikt heeft, maar wat u erover weet!” zei  de minister enigszins geïrriteerd.
“Erg weinig,” zei Theo. “Is het schadelijk voor de gezondheid?”
“Over negatieve effecten op de lichamelijke gezondheid is niets bekend, maar dat is totaal niet relevant. Drugs worden niet verboden omdat ze schadelijk zijn voor de gezondheid, maar omdat ze maatschappelijk ongewenst gedrag teweeg brengen. Butterfly veroorzaakt bij de gebruiker een totaal verlies aan ambitie. Studenten over de hele wereld stoppen met hun studie. Het aantal jongeren dat aan een studie begint is sinds de eerste pilletjes Butterfly opdoken dramatisch gedaald. Als de handel in Butterfly geen halt wordt toegeroepen, dan kunnen de universiteiten hun poorten wel sluiten.”
“O,” zei Theo, die zelf zijn middelbare school niet had afgemaakt.
“Bedenkt u eens. Een wereld zonder universiteiten, zonder eredoctoraten en ereprofessoraten. Dat is toch ondenkbaar!”
“O,” zei Theo, die zich afvroeg wat eredoctoraten en ereprofessoraten waren.
“Het ergste is dat ons land verantwoordelijk wordt gehouden voor deze bedreiging van de menselijke beschaving,” ging de minister verder. “Bekijkt u dit pilletje maar eens goed!” Zij pakte een wit pilletje van haar bureau en gaf het aan Theo. Op één kant van het pilletje zag hij een vlinder, op de andere kant stond in kleine, maar duidelijke letters de naam van het land waarvan de minister van Openbare Orde voor hem zat. Theo gaf het pilletje terug aan de minister, die het in haar mond stopte en doorslikte. Een seconde lang keek zij minder gespannen, bijna gelukkig. Daarna vertoonde haar gelaat weer de serieuze trekken die passen bij de belangrijke functie van minister van Openbare Orde.
“Iedereen kan dat op die pilletjes zetten,” zei Theo. “Het is geen enkel bewijs dat ze ook echt in dit land worden gemaakt.”
“Inderdaad geen enkel bewijs,” sprak de minister. “Maar alle andere landen wijzen nu wel met de beschuldigende vinger naar ons en zolang wij niet aan kunnen tonen dat de pilletjes niet in ons land worden gefabriceerd, dan doen zij niets. Het onderzoek heeft de hoogste prioriteit en het is van groot belang dat wij zo snel mogelijk niets vinden. Dan pas komen de andere landen in actie.”
“Wat heb ik daarmee te maken?” vroeg Theo verbaasd. “Uw eigen politie en veiligheidsdiensten kunnen dat toch zelf prima, niets vinden.”
“U snapt weinig van politiek,” zei de minister schamper. “Als de overheidsdiensten niets vinden dan volgen er geheid lastige vragen in het parlement over het functioneren en de aansturing van die diensten. Daarnaast staan er in het regeerakkoord bezuinigingen, ik bedoel natuurlijk besparingen, die gerealiseerd dienen te worden door overheidstaken op het gebied van Openbare Orde uit te laten voeren door particuliere bedrijven. U bent hiervan het eerste experiment.”
“Maar ik heb geen enkele ervaring met het oprollen van drugsbendes!” riep Theo vertwijfeld.
“Des te meer kans dat u niets vindt. En dat is precies de gewenste uitkomst van uw onderzoek. Ik heb de nationale recherche gevraagd om de minst bekwame privédetective van het hele land voor mij te vinden en als ik u zo bekijk en beluister, dan hebben zij zich prima van hun taak gekweten. Als u het niet erg vindt, dan ga ik nu graag verder met ander werk. Vragen kunt u stellen aan mijn medewerker.” De minister bladerde in de stapels papier voor haar en schonk geen enkele aandacht meer aan Theo Janssens, die zachtjes op zijn schouders werd getikt door de hooggeplaatste ambtenaar, die als uit het niets was verschenen. Theo sprong op van schrik, wat precies de bedoeling was van de hooggeplaatste ambtenaar, die hem zachtjes aan zijn arm de werkkamer van de minister uit leidde.


2. Een goed doel


Met op zijn gezicht een glimlach, die van oor tot oor liep, keek Theo Janssens naar het autoverkeer, dat voortraasde voor de met marmer beklede hoofdingang van het ministerie van Openbare Orde, waar twee potige medewerksters van de beveiliging hem zojuist naar buiten hadden gewerkt. Tevreden snoof hij de uitlaatgassen op. Het verkeerslawaai klonk hem als vogelgezang in de horen. Nog voordat zijn zonnige humeur vertroebeld had kunnen worden door de gedachte aan smerige trams, uitpuilende treinen en ander openbaar vervoer, stopte een bekend rood autootje abrupt voor hem. De automobilist erachter kon op tijd remmen en de achterbumper van het rode autootje bleef op wonderbaarlijke wijze ongeschonden. Het reactievermogen van de bestuurders van de twaalf volgende auto’s die gebruik maakten van dezelfde rijstrook, was enigszins vertraagd door een verscheidenheid aan bezigheden, zoals het eten van een sandwich hamkaas, het lezen en versturen van tekstberichten, het oplossen van een cryptogram, het instellen van de boordcomputer, het bijwerken van de make-up of het liefdevol strelen van de linkerknie van de copiloot. Er klonken kort achter elkaar twaalf luide knallen. Terwijl twaalf automobilisten uit hun auto stapten om schadeformulieren met elkaar uit te wisselen, stapte Theo Janssens in het rode autootje. Hij zat nog maar nauwelijks of Titia drukte het gaspedaal diep in. Het autootje vloog weg als een pijl uit een boog. Theo voelde zijn bovenlichaam in de rugleuning van de autostoel geduwd worden. De route naar de oprit van de snelweg was bezaaid met stoplichten, die Titia allemaal met oranje probeerde te passeren, wat niet altijd lukte, zodat Theo zich eerder in de achtbaan van een pretpark waande dan op het asfalt van de lommerrijke dreven, rechte lanen en brede autostrada’s van de regeringszetel. De adem stokte in zijn keel. Pas toen het rode autootje met constante snelheid voort zoevend over de snelweg de kilometers vrat naar de vestigingsplaats van het detectivebureau Janssens & co, kwam de eigenaar, directeur en enige detective van dit bureau weer voldoende op adem om het woord tot zijn secretaresse te richten.
“We hebben onze eerste overheidsopdracht binnen!”
“Moeten we belastingontduikers op gaan sporen?” vroeg Titia geschrokken.
“Nee, dat is het mooiste. We moeten juist helemaal niets doen. Ken jij de drug Butterfly?”
“Natuurlijk, als je een pilletje wilt hebben, ze zitten in het handschoenenvakje in het dashboard voor je.”
Theo opende het klep en vond een zipzakje vol witte pilletjes met vlindertjes erop.
“Gebruik jij?” vroeg Theo, terwijl hij zich razendsnel afvroeg of hij drugsgebruik kon gebruiken als reden om haar binnenkort te ontslaan, bij voorkeur zonder betaling van salaris. Eén blik op het lieftallige gezicht van zijn chauffeuse bracht hem echter direct op andere gedachten, die angstaanjagend dicht in de buurt kwamen van een compagnon voor het detectivebureau Janssens & co. Zo kon hij profiteren van haar sportieve rijstijl en andere enerverende eigenschappen zonder salaris te hoeven betalen. Zijn bliksemsnelle overdenkingen werden onderbroken door zoetgevooisde woorden, die stroomden over de rand van de mooie, felrode lippen van zijn secretaresse, die antwoord gaf op zijn vraag.
“Natuurlijk gebruik ik Butterfly. Als ik het niet gebruikte, dan was ik nooit bij jou gaan werken. Dan studeerde ik nog sociale geografie.”
“O,” zei Theo, die niet wist wat sociale geografie was.
“Heeft de opdracht van de overheid te maken met Butterfly?” vroeg Titia.
“Ze willen dat we aantonen dat het spul niet in ons land wordt gemaakt.”
“Maar dat is toch een onmogelijke opdracht!” riep Titia. “Het staat duidelijk op de pilletjes!”
“Dat is vast en zeker een dwaalspoor,” zei Theo. “De overheid wil dat we binnen de landsgrenzen op zoek gaan naar laboratoria waar het spul gemaakt wordt en als we niets kunnen vinden dan is dat het beste bewijs dat het hier niet vandaan komt. En de makkelijkste manier om niets te vinden is om niet te zoeken. Daarom is het zo’n mooie opdracht. Geld verdienen met nietsdoen.”
“Als op de pilletjes staat dat ze hier vandaan komen, dan komen ze ook hier vandaan,” zei Titia. “Alles is er eerlijk aan. Het spul is altijd honderd procent zuiver. Er wordt nooit mee geknoeid. Het is volstrekt onschadelijk voor de gezondheid. Er zijn zelfs al artsen die het stiekem voorschrijven als middel tegen hoge bloeddruk, hartkwalen, maagzweren, stress, slapeloosheid en ga zo maar door. Iedere bestelling wordt netjes op tijd afgeleverd en al het geld gaat naar een goed doel. Je kan de pilletjes ook alleen maar kopen via de website van dat goede doel.”
“Illegale drugs voor een goed doel!” riep Theo verbaasd. “Hoe heet die club?”
“Iets met redt het oerwoud of zo. Als je het precies wilt weten dan kijk ik zo op kantoor op mijn computer. Het webadres staat vast nog wel in de geschiedenis van de browser.”
“Heb jij dat spul vanaf kantoor besteld?” vroeg Theo streng.
“Eén keer. Had ik dat niet mogen doen? Het was op en ik voelde de neiging om mijn ontslag te nemen en weer met mijn studie te beginnen.”
“Slik jij ook op het werk?”
“Ja,” zei Titia met een schuldbewuste maar tegelijkertijd o zo verleidelijke stem.
“Misbruik van de bedrijfscomputer voor illegale handelingen. Gebruik van illegale drugs onder werktijd en op de werkvloer.” Theo floot tussen zijn tanden.
“Je gaat mij toch niet ontslaan, nu we eindelijk een opdracht hebben en het werk een beetje spannend begint te worden?” zei Titia met een smekende en tegelijkertijd o zo verleidelijk stem. Ze haalde haar rechterhand van het stuur en legde deze even op zijn linkerknie. Enkel de dunne van kunstgarens geweven stof van de pantalon van een smakeloos zwart confectiepak met dunne rode strepen scheidde de blote huid van zijn knie van de blote huid van haar handpalm. Haar ontslaan was het laatste waar hij aan dacht.
“Wil jij mijn compagnon worden?” vroeg hij aan Titia. “De co van Janssens & co?” voegde hij eraan toe.
“Ik dacht zelf meer aan Janssens & Borstlap,” antwoordde zij lachend. Een verkeersluw moment gaf haar de kans om haar blik even van de snelweg te wenden en met haar prachtige blauwe ogen recht in zijn onbestemd groene ogen te kijken. Theo wilde al zeggen dat hij Janssens & Borstlap een hele mooie naam vond voor een detectivebureau, maar Titia was hem voor. “Ik compagnon? Ga toch weg! Geef mij liever even een pilletje Butterfly.”
Theo haalde een pilletje uit het zipzakje en gaf het aan Titia. Zij stopte het in haar mond, slikte het door en keek ietwat glazig en zeer ontspannen door de voorruit van het rode autootje.
“Wil je dadelijk met mij naar bed?” vroeg ze alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
“Met mij?” riep Theo verbaasd. “Midden op de dag?”
“Dat is een andere bijwerking van Butterfly,” zei Titia. “Je wordt er heel nieuwsgierig van. Weet je wat? We rijden dadelijk even langs mijn flatje en duiken meteen de koffer in. Daarna hebben we alle tijd om op mijn eigen laptop de naam van die oerwoudclub op te zoeken.”
Theo zuchtte van gelukzaligheid. Hij had net een opdracht van de overheid binnengesleept, waarvoor hij niets hoefde te doen en hij had Titia als secretaresse om hem daar bij te helpen. Waar had hij dat toch allemaal aan te danken? Hij vroeg zich dat een half uur later opnieuw af toen Titia in al haar natuurlijke glorie voor hem lag op het bed in de slaapkamer van haar flatje en zij uitnodigend haar armen naar hem uitstrekte. Snel stroopte hij zijn zwarte confectiepak met dunne rode strepen van zich af en wierp het op de vloer. Zijn stropdas, overhemd, ondergoed en sokken kwamen er bovenop. In adamskostuum kroop hij naast haar in bed en vol overgave deed hij wat van hem verwacht werd. “O Theo!” kreunde Titia. Theo was dan wel arm als een kerkrat en lelijk als de nacht, als een vrouw zich daar overheen wist te zetten, dan had hij alles in huis om haar te geven wat ze verlangde.
Hongerig van alle inspanning deden Theo en Titia zich na afloop in bed te goed aan een volledig weekrantsoen eiwitshakes in de smaken aardbei en banaan, terwijl Titia haar laptop openklapte en de website liet zien waar zij haar pilletjes Butterfly bestelde. Ze wees met haar fraai gepolijste vingernagel naar het beeldscherm. “Kijk maar, hier staat het. Al het geld gaat naar die club.” Ze klikte op een link en er verscheen een andere website, die er geen misverstand over liet bestaan dat die toebehoorde aan een organisatie die zich inzette voor het behoud van het oerwoud. “Hun hoofdkantoor zit hier vlakbij!” riep Titia enthousiast. Zij had van het afgelopen uur extra energie gekregen. “Het is pas drie uur. We kunnen er makkelijk nog even langs gaan.”
“Waarom zouden we er langs gaan?” vroeg Theo half gapend. Hij was van het afgelopen uur nogal moe geworden.
“Vanwege de opdracht natuurlijk! Misschien kunnen zij ons vertellen waar de pilletjes gemaakt worden. En als ze zeggen dat ze het niet weten, dan heb jij alvast een aanwijzing dat ze niet in dit land worden gemaakt. Makkelijk toch?”
“Het is nog makkelijker om ze er over de telefoon naar te vragen,” zei Theo, die een grote behoefte voelde aan een middagdutje.
“Maar dan mis je het oogcontact. Daar kan je uit afleiden of ze de waarheid spreken.”
“Wie is hier de detective?” vroeg Theo enigszins gekrenkt in zijn trots.
“Alsjeblieft, kun je mij tot detective promoveren?” smeekte Titia. Zij sloeg haar armen om zijn hals. Haar blote rondingen duwden tegen zijn naakte huid. Zijn slaperigheid was op slag weer verdwenen.
“OK, laten we jouw promotie meteen op gepaste wijze vieren,” zei hij hoopvol.
Tot zijn teleurstelling zei Titia “Daar hebben we vannacht nog tijd genoeg voor.” Ze sprong uit bed en kleedde zich aan. Met tegenzin volgde Theo haar voorbeeld.
Niet veel later gingen zij een monumentaal pand in de binnenstad binnen. Dwalend tussen meer dan manshoge tropische planten, die overal in grote potten stonden, vonden zij met enige moeite de receptie. De medewerkster achter de balie droeg een strak panterpakje dat haar lenige lichaam en haar kleine, hoge borsten goed deed uitkomen. Vriendelijk stond zij Theo en Titia te woord en zij verwees hen door naar de jurist van de organisatie, die twaalf tropische planten verder zijn werkplek had. Theo wilde nog wat verder kletsen met de panterpoes achter de balie, maar Titia trok hem mee. Zij vonden de jurist achter een grote bananenplant. Hij was gekleed in een harig gorillapak, waarvan het masker ontbrak, zodat zijn kalende schedel blonk in het felle licht van de speciale lamp, die boven de bananenplant hing om deze van de voor de fotosynthese benodigde fotonen te voorzien. Hij gaf hen een behaarde hand en nodigde hen uit om plaats te nemen op stoelen in de schaduw van de bananenplant.
“Ik moet mij verontschuldigen voor de incompleetheid van mijn bedrijfskleding. Ik had u niet zo snel verwacht. Meestal blijven bezoekers nog even wat langer praten aan de balie. Plukt u ondertussen gerust een banaantje. Ze zijn rijp.” Hij pakte een groot gorillamasker van de vloer naast zijn bureau en zette het op zijn hoofd. “Als ik alleen zit te werken, zet ik het meestal af vanwege de warmte van de plantenlampen, maar voor bezoekers zie ik er graag picobello uit. Waarmee kan ik u van dienst zijn?” Zijn stem klonk gedempt. Glanzende ogen keken hen door het zwarte masker aan.
“Weet u waar de pilletjes Butterfly worden gemaakt?” vroeg Titia.
“Onze organisatie is op geen enkele wijze betrokken bij de productie van illegale drugs,” antwoordde de gorilla.
“Maar al het geld komt bij jullie terecht!” riep Theo.
“Dat klopt. En daar zijn wij heel blij. Met de wereldwijde verkoop van Butterfly was vorige jaar dertig miljard gemoeid. Dat is naar ons overgemaakt, minus een half miljard dat de producent aan belasting in dit land betaald heeft.”
“De Butterflybende betaalt belasting?” vroeg Titia.
“Ja, en dat maakt de gift aan ons volledig legaal volgens het belastingstelsel in dit land. Dat is ook de reden dat onze organisatie hier gevestigd is. Andere landen hadden ons graag binnen hun grenzen gehad, maar zij konden niet op tijd hun belastingregels aanpassen. Wij zijn in dit land een door de overheid erkend goed doel. We kunnen tot op de laatste cent verantwoorden waar we ons geld aan uitgeven. Het meeste gaat naar aankoop van oerwoud, werkgelegenheidsprojecten voor de lokale bevolking en verduurzaming van de bosbouw. U kunt het volledige overzicht in ons jaarverslag lezen.” De menselijke mensaap schoof een vrolijk gekleurde brochure over zijn bureau naar voren.
“Op de pilletjes staat dat ze in dit land worden gemaakt,” zei Titia.
“Dat klopt. Dat is om er voor te zorgen dat andere landen geen aanspraak kunnen maken op belasting. Ik heb geen flauw idee waar ze echt gemaakt worden. Onze organisatie heeft daar niets mee te maken. De website waar de pilletjes worden verkocht, heeft geen enkele banden met ons. Er staat wel een link naar onze website op, maar dat is niet verboden. Niemand bij ons weet waar de pilletjes vandaan komen.”
“Dank u wel, we weten nu wel genoeg,” zei Theo en hij trok Titia mee, die graag nog wat verder had willen kletsen met de gespierde gorilla.
“Bent u nu al klaar?” vroeg de vriendelijke panterpoes achter de balie. “De meeste bezoekers blijven meestal nog wat langer praten met onze jurist.” Theo wilde haar een compliment maken voor haar perfect passende bedrijfskleding, maar hij werd door Titia aan zijn arm naar de uitgang getrokken. Buiten vroeg Titia “Jouw huis of mijn huis?”
“Wat jij wilt,” antwoordde Theo.
“Dan gaan we naar jouw huis,” zei Titia. “Nieuwsgierigheid, weet je wel. Een bijwerking van Butterfly.”
In Theo’s flat aangekomen vroeg Titia “Mag ik even van jouw badkamer gebruikmaken?”
“Uiteraard,” antwoordde Theo. “Dan kijk ik ondertussen wat ik op internet over Butterfly kan vinden.”
In de internetencyclopedie vond hij een uitgebreide beschrijving. Het stofje was ontwikkeld door het internationale ruimtevaartagentschap om lange ruimtereizen te veraangenamen. De chemische samenstelling van het stofje was dankzij moderne analysetechnieken allang geen geheim meer, maar het was zeer ingewikkeld om te maken en het recept was alleen bekend bij het internationale ruimtevaartagentschap en bij de makers van de Butterfly pillen, die er op mysterieuze wijze de hand op hadden weten te leggen. Het was nog niemand anders gelukt het stofje te maken, ook al werd er door drugsbendes over de hele wereld naarstig naar een recept gezocht. Het internationale ruimtevaartagentschap had de stof zelf nooit in productie genomen vanwege de bijwerkingen, verlies aan ambitie en verhoogde nieuwsgierigheid met als gevolg roekeloos gedrag bij de astronauten. Theo keek op van het beeldscherm. Hij realiseerde zich dat de amoureuze interesse van Titia voor hem niet meer was dan de bijwerking van een verboden verdovend middel. Lang duurde deze sombere gedachte niet. Titia stond naakt in de deuropening van zijn slaapkamer. Met haar linkerhand steunde zij boven haar hoofd tegen de deurpost en met de wijsvinger van haar rechterhand lokte zij Theo naar zich toe.


3. Kreten uit de jungle


Theo werd wakker met Titia naast zich in zijn bed en een kwellende gedachte in zjjn hoofd. Wat als Titia geen Butterfly meer slikte? Als ze clean was, dan zou ze hem vast een engerd vinden, dan zou ze hem dumpen als chemisch afval. Ach, ze was overduidelijk verslaafd. Ze zou uit zichzelf nooit stoppen met gebruiken. Hij ging haar in ieder geval niet stimuleren om af te kicken. Theo had de ene muizenis nog niet verjaagd of er kwam een nieuwe in hem op. Wat als Titia geen nieuwe pilletjes meer kon krijgen? Wat als ze zonder kwam te zitten en een cold turkey kreeg? Wie ook maar half de beschrijving van het slechte karakter van Theo in het eerste hoofdstuk heeft gelezen, zal meteen begrijpen dat hij zich bij deze nieuwe muizenis totaal niet bekommerde over het welzijn van Titia, maar enkel of zij zonder Butterfly nog wel met hem naar bed wilde. Titia werd wakker en rekte haar fraaie lichaam uit onder de lakens.
“Hoe kom je precies aan dat spul?” vroeg Theo.
“Ook goeie morgen,” gaapte Titia en daarna “Je bedoelt Butterfly?”
“Ja, Butterfly.”
“O, gewoon. Bestellen via internet.”
“Op die website, die jij gisteren bij jouw thuis liet zien, stond niets over pilletjes. Ik zag alleen maar foto’s van apen.”
“Zo werkt het, ja. Met apen”
“Met apen?”
“Ja, met apen. Via de website koop je een geluidsfragment van krijsende apen. Dat geluidsfragment moet je ergens in de buitenlucht op een stille plek afspelen. Een kwartier later liggen de pilletjes ineens voor je voeten. Het is net een goocheltruc.”
Theo herinnerde zich nu dat hij de laatste tijd rare geluiden had gehoord als hij op de fiets over de voetpaden van het stadspark reed om sneller in het centrum te zijn. Hij had steeds gedacht dat het spelende kinderen waren. Spelende kinderen en krijsende apen waren voor hem één pot nat.
“En als je hetzelfde geluidsfragment nog een keer afspeelt?” vroeg Theo, die plotseling mogelijkheden zag om gratis aan Butterfly te komen en een eigen handeltje te beginnen.
“Dan werkt het niet meer. Ieder geluidsfragment kan je maar één keer gebruiken,” zei Titia lachend. “Alleen tieners laten hetzelfde geluidsfragment steeds maar weer opnieuw horen in de hoop om zo aan gratis pillen te komen. Dat is zo kinderachtig! Echt iets voor stomme tieners! Iedereen weet dat het niet werkt.”
Theo keek Titia aan. Zij was zelf amper twintig. “Is het niet makkelijk om de pilletjes te jatten?” Hij wilde het idee van een eigen handeltje niet zo snel laten varen.
“Jatten? Hoezo?”
“Nou, als je ergens apengekrijs hoort, dan ga je naar die plek toe en dan pak je zelf de pilletjes.”
“Wat ben jij slecht!” riep Titia en het klonk niet als een compliment. Ze haalde haar schouders op. “Ik heb er nooit van gehoord. Zullen we nu ontbijten?”
Na het ontbijt vroeg Theo “Heb je toevallig nog een oud geluidsfragment met apengekrijs bij jou?”
“Waarvoor? Je kan er echt geen pilletjes meer mee krijgen!” zei Titia lachend.
“Ik wil het analyseren op de computer.”
Titia gaf hem haar telefoontje en wees hem het bestandje aan waarin het apengekrijs zat opgesloten. Theo laadde het bestandje in zijn computer. Uit de speakers klonken opgewonden apen, terwijl speciale software het bestand in kaart bracht. Titia giechelde. “Het zijn parende apen. Ik kies altijd een fragment met parende apen.”
Theo bekeek op het beeldscherm het resultaat van de analyse. Hij floot tussen zijn tanden.
“Dit is high tech! Je hoort apengekrijs maar dat is maar een fractie van alle geluiden. Het merendeel is voor mensen niet hoorbaar, heel laag en heel hoog.”
“We gaan vandaag toch niet werken?” vroeg Titia verveeld. Zij interesseerde zich totaal niet voor de technische details van het leven. Zelfs stevig gebruik van Butterfly had haar er niet nieuwsgierig naar gemaakt.
“Ik wil alleen maar even wat pilletjes bestellen en filmen hoe ze bij de klant bezorgd worden. Dat is alles. Daarna nemen we de rest van de dag vrij.”
Theo zocht met de hulp van Titia de website op, die ‘Kreten uit de jungle’ heette. De website beriep zich er op dat het de meest complete webwinkel was voor apengekrijs. Men kon er kiezen uit het gekrijs van alle soorten apen. Bij geen enkele andere webwinkel had men een ruimere keuze. Op aanraden van Titia kocht hij een geluidsfragment van parende dwergchimpansees. Theo kopieerde het bestandje naar zijn telefoontje en met de hulp van Titia laadde hij drie koffertjes in het rode autootje. In de koffertjes zat de automatische filmapparatuur, die Theo normaal gebruikte om belastend beeldmateriaal van ontrouwe echtgenoten te maken. Ze reden naar een groot park. Theo gidste Titia een verlaten parkeerterrein op. Naast het parkeerterrein lag een verwaarloosd grasveldje met in het midden een rottende picknicktafel. Het geheel werd door dicht struikgewas omzoomd
“Het is hier altijd erg rustig en je kan er makkelijk met de auto komen,” zei Theo terwijl zij de koffertjes met filmapparatuur uitlaadden. Dit hoekje van het park was buiten kantoortijden minder rustig dan Theo beweerde. De vaste en hoofdzakelijk mannelijke bezoekers, die voor hun activiteiten graag de beschutting van het dichte struikgewas opzochten, zouden zeker bezwaar hebben gemaakt tegen de talloze camera’s die Theo op strategische plaatsen in de bomen hing en op het gras neerlegde. Het was echter nog maar halverwege de ochtend op een doordeweekse dag en de vaste bezoekers van het parkeerterrein en grasveldje zaten allemaal braaf in de omringende kantoorgebouwen de kost te winnen. Theo kon dan ook ongestoord zijn camera’s plaatsen en in werking stellen. Hij legde zijn telefoontje op het rotte hout van de picknicktafel en even later klonk het indringende geluid van bonobo’s die hun meest favoriete vrijetijdsbesteding beoefenen. Als de vaste bezoekers, die dit stukje openbaar groen graag buiten kantoortijden aandeden, het krijsende en opgewonden gehijg hadden gehoord, dan hadden ze er nauwelijks aandacht aan geschonken. Tijdens het kwartier, dat volgde op het apengeluid, doodden Theo en Titia de tijd met een lange tongzoen, waarbij Theo vanuit zijn ooghoeken steeds de picknicktafel in de gaten hield. Precies na vijftien minuten lag er een transparant zipzakje met witte pilletjes naast zijn telefoontje, alsof een goochelaar het uit het niets getoverd had. Theo koppelde zijn tong los van die van Titia en pakte het zakje pilletjes. Hij haalde er één uit. Op de ene kant stond een vlindertje en op de ander kant de naam van het land waar zij woonden. Dit was Butterfly. Geen twijfel over mogelijk. Hij ruimde de camera’s weer op in de koffertjes en liet zich door Titia naar zijn huis rijden. Hier lukte het hem om ondanks het gefleem van Titia, die zeurde dat zij geen zin had om te werken, snel één voor één de opnames van alle camera’s te bekijken. Op de meeste was niets te zien. Alleen de opnames van twee camera’s vertoonden iets interessants. De camera die op picknicktafel was gericht, had gefilmd hoe de pilletjes uit de lucht op de tafel vielen. Op de beelden van de camera die naast zijn telefoontje op de tafel lag en omhoog gericht was, kwam in een flits iets voorbij dat nog het meeste leek op een futuristisch klein helikoptertje met vijf snel ronddraaiende wentelwiekjes.
“Zullen we vandaag een lange strandwandeling maken?” vroeg Titia, die daarvoor met hetzelfde enthousiasme een bezoek aan het stedelijk museum, de dierentuin, een pretpark en de rommelmarkt had voorgesteld.
“Ja, dat is een goed idee. We gaan dadelijk naar het strand.” Theo wilde nadenken over het helikoptertje. Nadenken lukte hem altijd goed aan zee. Ze reden met het rode autootje van Titia eerst naar haar flat, waar ze een geschikte outfit voor een lange strandwandeling uitkoos, die bestond uit teenslippers en een bikini met daaroverheen een erg kort broekje en een topje met blote schouders. Theo had geen speciale outfit voor lange strandwandelingen. Hij droeg zijn zwarte confectiepak met dunne rode strepen. Het was nog vroeg in het badseizoen en op het strand stond een fris zeewindje. Het zwarte pak van Theo was dan ook geenszins te warm. De outfit van Titia bleek echter minder geschikt dan zij vooraf gedacht had en de lange strandwandeling werd drastisch ingekort. Ze gingen vanaf de strandopgang linea recta naar het terras van een strandtent. Zij waren de enige klanten. In de beschutting van de glazen windschermen trok Titia haar topje en korte broekje uit en strekte zich in bikini behaaglijk uit op een ligstoel om aan de door de mode voorgeschreven zomerse tint te werken. Theo dacht na. Enkele koppen koffie verder riep hij “Ik heb het!” Titia gebruikte zijn uitroep als signaal dat zij zich van haar buik weer op haar rug moest draaien om zo gelijkmatig mogelijk bruin te worden. Theo vatte dit op als een aanmoediging om haar zijn theorie te ontvouwen.
“Ze maken gebruik van een zwerm van onbemande helikoptertjes. De extreem lage tonen in het geluidsfragment dragen ver. Die dienen om de dichtstbijzijnde helikopter op te roepen. De extreem hoge tonen buigen niet af. Die worden gebruikt voor de exacte plaatsbepaling. Ieder geluidsfragment bevat een unieke code, die eenmalig één van de helikoptertjes activeert om de pilletjes af te leveren. Daarna werkt het niet meer. De zwerm moet dus in verbinding staan met een centrale computer. In het geluidsfragment zit een beeldopname versleuteld van de koper, die door de eigen webcam is gemaakt bij de aankoop van het geluidsfragment. Zo kan het helikoptertje controleren dat de pilletjes bij de koper en bij niemand anders worden afgeleverd. Als je er goed over nadenkt is het allemaal verbluffend simpel.” Theo had dan wel een slecht karakter, hij was een goede detective. De reactie van Titia op zijn geniale speurwerk was minder enthousiast dan hij had verwacht.
“Ja, erg simpel allemaal. Het gaat mij een beetje vervelen, dat detectivegedoe. Weet je wat mij leuk lijkt? Om in een strandtent te werken. Dat heb ik altijd al gewild.”
Dit laatste werd opgevangen door de eigenaar van de strandtent die met gespierde en getatoeëerde armen een dienblad droeg waarop een kopje koffie voor Theo stond en voor Titia een flesje suikervrije frisdrank met twee rietjes.
“Je kan meteen aan de slag,” zei de spierbonk, terwijl hij de bestelling op het tafeltje neerzette en aandachtig naar Titia‘s gave huid en volle rondingen keek.
Titia keek op haar beurt verlekkerd naar zijn imposante torso en vroeg met een verleidelijke stem “Is het zwaar werk?”
“Kom maar mee naar de keuken, dan werk ik je wel in!” zei de uitbater van de strandtent. Snel stond Titia op en trippelde met de bodybuilder mee het houten gebouwtje in. Een uur lang wachtte Theo op haar. De eigenaar liet zich niet meer op het terras zien. De bediening was overgenomen door een dikke, oude vrouw, die zich gedroeg als de moeder van de eigenaar en dat hoogstwaarschijnlijk ook was. Om zichzelf een houding te geven en omdat hij de enige klant op het terras was, bestelde Theo nog twee keer een kopje koffie. Vaag meende hij boven het monotone geruis van de branding uit iets te horen wat hem aan bonobo’s deed denken. Een uur lang leefde Theo tussen hoop en vrees. Toen kwam Titia naar buiten, giechelend en met het haar in de war.
“Ik neem mijn ontslag als detective,” zei ze zakelijk. “Ik mag hier in de strandtent werken.” Ze gaf hem de rekening voor zes kopjes koffie en vier flesjes suikervrije frisdrank. Theo betaalde en sjokte moedeloos het terras af, over het houten vlonder de strandopgang op, naar de bushalte, gekweld door het pijnlijke besef, dat Titia ondanks het gebruik van Butterfly binnen vierentwintig uur na hun eerste vrijage op hem uitgekeken was geraakt.
Met bus en trein deed Theo drie uur over wat een autoritje van nog geen half uur was. Chagrijnig van het oponthoud kwam hij bij zijn flat. Hij nam hij zich voor om zo snel mogelijk weer een nieuwe secretaresse te zoeken die een autootje had. Zelf rijden kon hij pas weer over twee jaar. Tot die tijd was zijn rijbewijs ingetrokken, was hem de rijbevoegdheid ontzegd, of hoe de rechters dat ook noemen. De rest van de middag bekeek hij zorgvuldig de opnames, die hij in het park gemaakt had. Hij zag er niets nieuws op. Na een opgewarmde diepvriesmaaltijd maakte hij uitvergrotingen van de schaarse beelden van het helikoptertje. De camera die hij op de picknicktafel had gelegd, was de beste die hij had. Toch waren er nauwelijks details te zien. Het helikoptertje had te snel gevlogen. Hij luisterde naar het geluidsfragment van de parende bonobo’s. Daar werd hij niet vrolijker van. Ontevreden ging hij naar bed, om te ontdekken dat hij die dag teveel koffie had gedronken. Theo dronk nooit meer dan twee koppen koffie op een dag, behalve als hij de hele nacht voor zijn werk op wilde blijven, dan dronk hij er vier. Op het terras van de strandtent had hij er zes gedronken. De nacht bracht Theo geen slaap en zonder slaap geen vergetelheid. Met wijd opengesperde ogen lag hij op zijn rug naar het zwarte plafond te staren. Hij beleefde de gebeurtenissen van die dag keer op keer opnieuw. In het begin was er nog een lichtpuntje in zijn gitzwarte gedachten. Titia had zelf ontslag genomen en over uitbetaling van loon hadden ze het niet meer gehad. Maar naarmate de slapeloze nacht vorderde, was ook dit lichtpuntje niet meer bestand tegen de alom heersende duisternis. Titia kon haar salaris voor die paar weken op komen eisen samen met haar nieuwe vriendje, die gespierde kleerkast. Ze wist waar hij woonde. Hij fantaseerde hoe hij die spierbundel de baas was, niet omdat hij sterker was, maar geniepiger. In zijn fantasie huurde hij een bulldozer en reed hij het helse voertuig heen en weer over de strandtent totdat er alleen nog maar splinters kleiner dan luciferhoutjes van over waren. Hij stond op uit bed om op internet een verhuurbedrijf van bouwmachines op te zoeken. Hij klikte het licht aan. Op het bureau naast zijn computer lag het zipzakje met pilletjes Butterfly, dat hij met behulp van het gekrijs van parende dwergchimpansees in een bedenkelijke uithoek van het park had besteld. In het holst van de nacht doen mensen die aan slapeloosheid lijden, dingen waarover zij bij klaarlichte dag nooit zouden durven dromen. Theo pakte het zipzakje en haalde er een pilletje uit. Even aarzelde hij. Hij was zichzelf regelmatig te buiten gegaan aan alcohol, maar zijn hele leven lang had hij de lokroep van andere drugs kunnen weerstaan. Theo stopte het pilletje in zijn mond en slikte. De uitwerking was direct en overweldigend. Hij voelde hoe een totale ontspanning zich meester van hem maakte. Hij ging zitten in een makkelijke stoel. In één klap was zijn perspectief op zijn leven veranderd. De grootste ambitie van Theo was altijd geweest om met zo min mogelijk moeite zijn geld te verdienen. Butterfly maakte in een oogwenk korte metten hiermee. Er bruiste een gevoel in Theo omhoog, dat hij alles aankon, dat zelfs de grootste inspanning voor hem een peulenschilletje was. Of hij er geld mee verdiende, dat interesseerde hem niet meer. Nieuwsgierigheid was van nu af aan zijn enige drijfveer. En als hij ergens nieuwsgierig naar was, dan was het wel waar die pilletjes vandaan kwamen en wie er achter dat apengekrijs en dat helikoptertje zat. Geen moeite was hem te groot om die nieuwsgierigheid te bevredigen. Roerloos zat hij in de stoel. Hij genoot van de roes, die meer dan een uur duurde. Daarna nam hij weer een pilletje. Ditmaal was de uitwerking nog sterker. Zijn nieuwsgierigheid werd zo groot dat hij meteen zijn kleren aantrok en op pad ging. In de prille ochtendschemering fietste hij naar het station. Het stadpark lag er verlaten bij. Het koor van de zangvogels klonk oorverdovend. Op het station nam hij de eerste trein naar de stad waar de ministeries staan.


4. Operatie Rups


Theo postte voor de ingang van de fietsenstalling van het ministerie van Openbare Orde. Hij had de hooggeplaatste ambtenaar twee dagen ervoor zorgvuldig in zich opgenomen. Onderaan de onberispelijke pantalon van de man was hem een klein vouwtje opgevallen, dat hem deed vermoeden dat er op die plaats het soort klemmetje had gezeten, dat wielrijders gebruiken om te voorkomen dat hun broekspijp in de fietsketting komt. Er was geen enkele reden om aan te nemen, dat de hooggeplaatste ambtenaar op deze stralende voorjaarsmorgen niet op zijn fiets naar zijn kantoor zou gaan. Theo schatte in, dat de man altijd voor alle andere collega’s op het werk wilde zijn en dat hij de man in alle rust op het fietspad kon aanspreken. Theo had een slecht karakter, maar hij was een goede detective, dat zal in dit verhaal nog vaker gezegd worden. Kort voor acht uur fietste een onberispelijke geklede man met een aktetas achterop Theo tegemoet. Nog voordat hij de man tot stilstand had kunnen dwingen, was de hooggeplaatste ambtenaar voor hem afgestapt.
“Goedenmorgen,” zei de man vriendelijk en tegelijkertijd afstandelijk. “Janssens is het toch, met drie s‘en? U wilt wat meer weten over uw opdracht? Als u zo vriendelijk wilt zijn mij te volgen door de fietsenstalling, dan kan ik u nadere informatie verstrekken, zonder dat u langs de beveiliging hoeft.” De man haalde een pasje langs een kastje en hij duwde de deur van de fietsenstalling open. Theo liep achter hem aan naar binnen. De man zette zijn fiets in het lege rek. Door een doolhof van gangen liepen ze naar een werkkamer. De hooggeplaatste ambtenaar sloot zorgvuldig de deur achter zich en hij nodigde Theo uit om te gaan zitten.
“Opsporing inzake Butterfly heeft binnen mijn ministerie de laagste prioriteit,” zei de man. “Het gebruik ervan lijkt zelfs bevorderlijk voor de Openbare Orde. De eerste resultaten van onderzoek wijzen in de richting van een statistisch significante reductie in het aantal overtredingen bij gebruikers. Het lijkt er dus op, dat de Openbare Orde er geen enkele baat bij heeft dat de Butterflybende wordt opgerold. Dat is ook de reden dat we u hebben ingehuurd en niet een ander en beter bekend staand detectivebureau.” De hooggeplaatste ambtenaar stopte even om te kijken of deze laatste woorden van hem het gewenste beledigende effect hadden. Hij bracht de mensen graag uit hun evenwicht. Tot zijn teleurstelling zag hij de eigenaar, directeur en enige detective van het zojuist door hem verguisde detectivebureau onbewogen voor zich uit staren. Theo had kort daarvoor nog een pilletje Butterfly genomen. De hooggeplaatste ambtenaar ging verder. ”Ons ministerie beschikt over geen enkele informatie in deze kwestie.”
“U beweert dus dat u mij niet verder kan helpen?” vroeg Theo argwanend.
“Dat heeft u mij niet horen zeggen,” antwoordde de man, “Het gebruik van Butterfly onder jongeren veroorzaakt op dit moment een ongekende daling in het aantal studenten. Dit baart het ministerie van Hoger Onderwijs uiteraard grote zorgen. Het slopen van leegstaande universiteitsgebouwen is een geld verslindende bezigheid, die zwaar op hun begroting drukt. Hier heeft u het telefoonnummer van iemand van Hoger Onderwijs, die u misschien iets meer kan vertellen. Operatie Rups is het sleutelwoord dat voor u de poort naar kennis zal openen.” De hooggeplaatste ambtenaar schreef een reeks cijfers op een briefje en overhandigde dit aan Theo. “U vindt zelf weer de weg naar de fietsenstalling? Mooi. Zo kunt u het gebouw verlaten zonder langs de beveiliging te gaan.” Theo vond het een goed plan om het gebouw te verlaten zonder langs de beveiliging te gaan. De behandeling die hij twee dagen daarvoor van de twee potige en in het donkerblauw geklede medewerksters had gekregen, stond hem nog vers in het geheugen. Feilloos vond hij de weg door het labyrint naar de fietsenstalling. Theo had een slecht karakter, maar hij was een goede detective. Het rek in de fietsenstalling had zich ondertussen verder gevuld. Theo bekeek zorgvuldig alle fietsen, maar tot zijn spijt stonden ze allemaal op slot. Buiten gekomen belde Theo direct het nummer dat hij van de hooggeplaatste ambtenaar had gekregen. Er werd opgenomen door een onbestemde vrouwenstem. “Hallo?” “Operatie Rups,” zei Theo en het korte antwoord erop was “Half één op het bankje bij de fontein voor het ministerie.” Daarna werd de verbinding verbroken. De uren tot half één bracht Theo door met het opsporen van het ministerie van Hoger Onderwijs tussen de honderd en vier en veertig andere kantoorgebouwen. Hij was een goede detective, maar hij had er een hele kluif aan. Alleen dankzij de wetenschap, dat hij bij een fontein moest zijn, kon hij het vinden en dan ook nog maar net op tijd. Hij ging op het bankje zitten en stelde vast dat het geklater van de fontein afluisteren onmogelijk maakte. Zijn informant wist wat ze deed en dat bleek ook uit de manier waarop de dame, die niet ver van haar pensioen af was, onopvallend naast hem kwam zitten. Ze keek de andere kant op en vouwde een krant open. Ambtenaren op lunchverlof liepen in de voorjaarszon naar de frietkraam aan de overkant van het plein. Niemand van hen had in de gaten, dat er op dat bankje bij de fontein staatsgeheimen werden gelekt.
“Zeg niets, luister alleen naar wat ik te zeggen heb,” zei de stem vanachter de krant. De fontein klaterde en Theo moest zich inspannen om haar te verstaan. “Ik weet wie jou gestuurd heeft. Hij staat aan onze kant. We hebben een mol in hun organisatie. Die zal jou verder helpen.” De vrouw naast hem vouwde haar krant op, stond op en liep weer weg. Op de plek waar ze zojuist nog gezeten had, lag een opgevouwen briefje. Even wilde Theo de vrouw naroepen, dat ze iets verloren had. Toen bedacht hij zich dat het briefje voor hem bedoeld was. Theo was een goede detective. Zo onopvallend mogelijk schoof hij het briefje naar zich toe. Dit lukte niet, omdat zijn informant, die wist wat zij deed, het briefje met plakband had vastgeplakt om te voorkomen dat het wegwaaide. Daarom besloot Theo om op het briefje te gaan zitten en te wachten tot alle ambtenaren van hun lunchverlof waren teruggeroepen. Ondanks de aangename voorjaarszon moest Theo grote ontberingen doorstaan. Hij had sinds de vorige avond niets meer gegeten. Honger knaagde aan zijn ingewanden. De geur van vers gebakken friet werd door een zacht briesje vanaf de frietkraam over het plein naar zijn neusvleugels gedreven. Zijn maag begon opstandige geluiden te maken. Hij zocht in de zakken van zijn zwarte pak met dunne rode strepen naar iets eetbaars. Hij vond er het zipzakje Butterfly. Hij nam een pilletje en dat gaf verlichting. Het verdovende middel stilde dan wel niet de honger, het wakkerde zijn nieuwsgierigheid zo aan, dat hij zich niet langer meer om geheimhouding bekommerde en open en bloot het plakband lospeuterde en het briefje in zijn zak stopte. Daarna rende hij het plein over en deed hij zich bij de frietkraam te goed aan een extra grote portie met mayonaise, ketchup en pindasaus. Nadat hij zijn maag tot de orde had geroepen door zelf gehoor te geven aan de allesoverheersende roep van het meest elementaire overlevingsinstinct, bekeek hij het briefje. Voor de tweede keer die dag zag hij een reeks cijfers, die samen een telefoonnummer vormden. Hij belde het nummer. “Hallo?” Theo meende de vrouwenstem vaag te herkennen. Het was een fijne stem, jong en fris. Hij wilde er wel de hele middag mee kletsen. In plaats daarvan zei hij enkel “Operatie Rups.” Het bleef even stil aan de andere kant van de draadloze lijn. Daarna zei de fijne, jonge en frisse vrouwenstem, waar Theo wel de hele middag mee wilde kletsen, kortaf “Vanavond zeven uur bij de muziektent in …” De fijne, jonge en frisse vrouwenstem noemde tot Theo’s verbazing zijn woonplaats. De verbinding werd verbroken. Theo nam een pilletje Butterfly en opgewekt liep hij naar het station. In de trein bedacht hij zich dat zijn woonplaats door het gemeentebestuur groot genoeg werd geacht voor de instandhouding van twee muziektenten. Hij kon er om klokslag zeven uur maar in één van de twee zijn. Welke moest hij hebben? Eén muziektent stond al sinds tweehonderd jaar op een plein in de oude binnenstad. De andere was twee jaar geleden feestelijk geopend door de burgemeester als muzikaal hart van een kale nieuwbouwwijk. Theo gokte op de muziektent in de nieuwbouwwijk. Die was in korte tijd een beruchte ontmoetingsplek voor Butterfly-gebruikers geworden, waar zij gezamenlijk hun roes beleefden. Hier kon een mol in de Butterflybende onopvallend rondhangen. Hijzelf kon zich voordoen als iets wat hij om zeven uur al meer dan een half etmaal was, namelijk een nieuwe gebruiker, die ervaringen uit wilde wisselen met zielsverwanten. Met meer dan een uur vertraging arriveerde de trein in Theo’s woonplaats. Daar staakten de buschauffeurs. Alle fietsen bij het station stonden stevig op slot, dus zat er voor Theo niets anders op dan door het park naar zijn flat te lopen en daar zijn fiets te pakken. Ondanks al deze tegenslag, die Theo deed verlangen naar een secretaresse met een autootje, stond hij ruim op tijd, kwart over zes, bij de muziektent in de nieuwbouwwijk. Hij had nog tijd genoeg voor een extra grote portie met mayonaise, ketchup en pindasaus bij de frietkraam naast de ingang van het winkelcentrum. De eerste portie die dag was hem goed bevallen en hij wilde voorkomen dat zijn maag opnieuw in opstand kwam. Terwijl hij op zijn gemak de patat met saus naar binnen schoof, zag hij hoe leden van de plaatselijke fanfare bezitnamen van de muziektent. Er werden stoelen en muziekstandaards neergezet. Muzikanten in rood met blauwe uniformen stemden hun glimmende blaasinstrumenten. Het klonk alsof een kudde olifanten ontsnapt was uit de dierentuin. Theo verwachtte iedere moment dat een zwerm onbemande helikoptertjes zich op de muziektent zou storten. Toen herinnerde hij zich, dat er op de website alleen apengeluiden werden aangeboden en ook dat hij om zeven uur een afspraak had in de muziektent. In de muziektent, en niet ervoor of erachter. Theo gooide het lege frietbakje weg en vroeg aan de frietbakker “Hoe lang duurt het concert?”
“Tot een uur of negen,” zei de man. “Ze spelen hier sinds kort iedere avond. De winkeliersvereniging hoopt zo die junks weg te jagen en dat is aardig gelukt. Mij maakt het niet uit, die toeteraars kopen na afloop evenveel patat als de junks op een hele dag.”
“Waar zijn de junks nu naartoe?” vroeg Theo snel.
“De hele scene heeft zich verplaatst naar de andere muziektent, die in de binnenstad.”
Snel sprong Theo op zijn fiets. Gelukkig kon hij afsteken over de wandelpaden van het stadspark. Twintig minuten en drie gekantelde kinderwagens later was Theo bij de oude muziektent. Als men voor fietsen een rijbewijs nodig had, dan was dat van Theo al lang levenslang ingetrokken. De klok in de toren van de oude kerk aan het plein sloeg zeven uur, toen Theo zijn fiets tegen de dikke stam van een eerbiedwaardige lindeboom smeet. Met grote stappen liep hij over het plein. Met twee treden tegelijk vloog hij de trap van de muziektent op. “Hallo, hallo!’ Hij werd van alle kanten vriendelijk begroet door ontspannen en uiterst nieuwsgierige mensen van alle leeftijden.
“Jij bent nieuw hier,” zei een man in een overhemd met een van Hawaï afkomstig patroon waarvan de kleuren Theo tegemoet schreeuwden.
“Ja, ik ben pas begonnen met gebruiken,” antwoordde Theo.
“Baan opgezegd?”
“Nee, ik heb een eigen bedrijf, maar ik doe alleen nog maar waar ik zelf zin in heb.”
“Wat voor bedrijf?” vroeg de man in het felgekleurde shirt. Hij was duidelijk al een geroutineerde gebruiker van Butterfly en het was hem onmogelijk om zijn nieuwsgierigheid te onderdrukken.
“Een detectivebureau,” antwoordde Theo tot zijn eigen verbazing geheel naar waarheid. Zou dat ook een bijwerking van Butterfly zijn?
“Met een leuke zaak bezig?” hoorde zijn ondervrager hem verder uit.
“Eens even kijken, waar ben ik nu mee bezig,” antwoordde Theo afwezig om tijd te winnen. Nu moest hij toch echt een leugentje verzinnen. Gelukkig had hij het laatste pilletje Butterfly al weer uren geleden genomen. Het effect moest toch bijna uitgewerkt zijn. Bovendien, hij was een geboren leugenaar. Alleen een overdosis Butterfly zou hem kunnen dwingen om altijd de waarheid te spreken. “Ik spoor vermiste huisdieren op. Weggelopen katten en honden. Die breng ik weer bij hun baasje.”
“Mijn poes is weggelopen,” zei een vaag bekende vrouwenstem achter Theo. De stem klonk jong en fris. Theo wilde er wel uren naar luisteren. Hij draaide zich om. Ook zonder panterpakje herkende hij de baliemedewerkster van de oerwoudclub. “Kun je mij helpen om mijn poes terug te vinden?” Ze greep Theo bij een arm en trok hem mee de trap van de muziektent af omlaag het plein op. “Niet te hard werken!” riep de man in het Hawaïshirt hen lachend na. “Ik heet Belle,” zei ze terwijl ze naar de lindebomen liepen. Theo kreeg een ingeving. Was zij misschien de undercoveragente van het ministerie van Hoger Onderwijs? Was zij de mol bij de oerwoudclub? Zodra ze buiten gehoorafstand waren van de mensen in de muziektent, zei hij “Ik spoor ook weggelopen rupsen op. Operatie rups.”
“Sstt,” fluisterde Belle. “Niet zo hard, Ik weet allang wie jij bent. Jij bent Theo Janssens met drie s‘en. Jij bent de versterking vanuit het ministerie van Openbare Orde. Zij hebben mij vanmiddag een foto van jou gestuurd.”
“Versterking?” zei Theo verbaasd.
“Dat hebben ze jou natuurlijk weer niet verteld. Ze vertellen nooit wat. Dat laten ze altijd aan de mensen in het veld over. Het is de bedoeling dat jij net als ik vrijwilliger wordt bij de natuurbeschermingsorganisatie die als dekmantel dient voor de Butterflybende.”
“Jij denkt dat het een dekmantel is?”
“Natuurlijk. Het is één grote witwasserij. Ik heb alleen nog geen bewijzen kunnen vinden.”
“En ik moet daar vrijwilliger worden? Onbetaald?”
“Ja, onbetaald. Ze zoeken met spoed iemand die met computers overweg kan. Met een beetje geluk kan je overal in neuzen. Morgenochtend om tien uur wordt je verwacht voor een sollicitatiegesprek. Ik heb de afspraak al in de agenda van de directeur gezet.”
“Een sollicitatiegesprek voor een onbetaalde vrijwilligersfunctie, is dat niet overdreven?”
“Nee hoor. Het is heel gebruikelijk en geen bewijs dat ze meer te verbergen hebben dan andere goede doelen. Morgenochtend om tien uur. Niet vergeten. Tot morgen.”
“En jouw poes dan?” zei Theo, die nog uren met haar wilde kletsen.
“Daar hebben we het een andere keer nog wel over!” Belle draaide zich om en verdween in een zijstraat van het plein.
Theo ging op zoek naar de lindeboom waar zijn fiets tegenaan stond, en hij vroeg zich af hoeveel pilletjes Butterfly hij de volgende ochtend moest slikken voordat hij zich er toe zou kunnen zetten om te gaan solliciteren naar onbetaald vrijwilligerswerk. Als er iets indruiste tegen zijn ambitie om zo makkelijk mogelijk zijn geld te verdienen, dan was het wel onbetaald vrijwilligerswerk.
De volgende ochtend nam Theo één pilletje. Hij was bang dat een hogere dosis hem te openhartig zou maken tijdens het sollicitatiegesprek. Veel te vroeg stond hij bij de receptie. Hij wilde graag nog even met Belle kletsen. Eerst zag hij haar niet. Ze stond niet achter de balie. Zij sloop in haar panterpakje tussen de tropische planten door met een gieter in haar hand. Plotseling stond zij naast hem.
“Dag Theo. Je bent mooi op tijd.”
“Wat doe jij nu?” vroeg Theo geschrokken.
“Ik geef de planten water. Dat is mijn belangrijkste taak hier. Bezoekers zijn er niet veel. Het is goed dat je er al bent. Zo heb je nog tijd om jouw c.v. door te nemen dat ik aan de directeur heb gegeven.”
“Hoe kom jij aan mijn c.v.?” vroeg Theo verbaasd.
“Verzonnen. Daarom moet je het goed bekijken, zodat je dadelijk bij het gesprek geen fouten maakt.”
Belle drukte hem een stapeltje papier in handen en sloop weer verder met de gieter. Theo probeerde zich op het ronkende c.v. te concentreren, dat hoog opgaf van zijn vaardigheden met computers. Liever had hij met Belle gekletst, maar hij kon haar nergens meer zien tussen de tropische planten. Even voor tien uur stond zij weer naast hem om hem door het dichte groen mee te nemen naar de directeur.
“Onze directeur heeft een eigen kantoorkamer,” zei Belle. “De deur is altijd dicht en je moet kloppen voor je binnen gaat.” Ze klopte op de deur.
“Binnen!” zei de directeur.
Belle deed de deur open, zei “Succes!” en duwde Theo naar binnen.
Voor hem stond een mooie, jonge vrouw. Ze droeg geen dierenpak, maar haar hoge hakken en haar reebruine ogen gaven haar het voorkomen van een ranke gazelle. Zij reikte hem vriendelijk de hand.
“An Geliek. An is mijn voornaam, Geliek is mijn achternaam.”
“Theo Janssens.” Hij schudde haar slanke hand.
“Met drie s’en, is het toch?”
“Zo ongeveer,” antwoordde Theo, die er niet om gaf met hoeveel s’en zijn naam geschreven werd. Hij keek de kamer rond en nam alles in zich op. Hij was een goede detective. Er waren geen planten. De muren werden bedekt door landkaarten met veel groen erop.
“Ik heb jouw c.v. gelezen,” zei An Geliek. “Indrukwekkend. Ik ben blij dat je bij ons als vrijwilliger wilt komen werken. We hebben snel iemand nodig, die de computers aan de praat weet te houden. Wat mij betreft kun je meteen aan de slag. Eerst wel even passende bedrijfskleding uitzoeken.”
“Kom maar mee,” zei Belle, die tijdens het gesprekje in de deuropening was blijven staan.
Theo volgde haar naar een kast, die verstopt zat achter een grote rubberplant. In de kast hingen dierenpakken.
“Moet ik er echt zo bijlopen?” vroeg Theo, die erg gehecht was aan zijn zwarte pak met dunne rode strepen.
“Natuurlijk, het is nu eenmaal de bedrijfskleding. Het is trouwens een goede vermomming. De jurist, je weet wel de gorilla, is er vanochtend niet, maar zonder pak zal hij jou vanmiddag zeker herkennen als de detective die lastige vragen stelde.”
“Als het echt moet, dan wil ik een luipaard zijn,” zei Theo met een scheef oog naar het strakke panterpakje van Belle.
“Een luipaard!” zei Belle lachend. “Een luiaard zal je bedoelen. In jouw maat is er alleen nog maar een luiaardpak. Of als je het aandurft een miereneterpak, maar dat zou ik niet aanraden. Met de lange snuit van het masker kun je moeilijk koffie drinken. En het masker mag je niet afzetten. Vanwege de gorilla.”
“De luiaard dan maar.” Met tegenzin nam Theo het slobberige, pluizige pak mee naar het toilet om zich daar om te kleden. De doffe stof hing als een aardappelzak rond zijn lichaam en het masker gaf hem een slaperige en weinig intelligente verschijning.
“Het staat je goed,” zei Belle, toen hij in zijn luiaardtenue bij de receptie kwam. Theo geloofde er geen woord van, ook al waren het er maar vier.
“Hoeveel computers zijn hier eigenlijk?” vroeg hij om zichzelf een zakelijke houding te geven.
“Je bent wel ijverig voor een luiaard,” zei Belle lachend. “Er zijn hier maar twee computers, één bij de directeur en één bij de gorilla.”
“Zijn er niet meer medewerkers?”
“Alleen ik,” antwoordde Belle.
“Dus al het werk wordt door An, de gorilla en jou gedaan?”
“Ja. An doet de aankopen van oerwoud en alle andere projecten. Zij is vaak op reis. De gorilla is jurist, boekhouder en persvoorlichter tegelijk. En ik geef de planten water.”
“Er gaan hier tientallen miljarden om en er werken maar twee, sorry, drie mensen! Dat is toch vreemd!”
“Natuurlijk niet,” fluisterde Belle. “Het is het beste bewijs, dat het alleen maar een dekmantel is om het drugsgeld wit te wassen.”
De rest van de ochtend deed Theo niet veel. Hij probeerde een kop koffie te drinken met het luiaardmasker op. Dat lukte met moeite. Hij was blij dat hij de raad van Belle had opgevolgd en dat hij niet het miereneterpak had gekozen. Hij probeerde een praatje met Belle aan te knopen, maar zij ontweek hem tussen de tropische planten. In de hoop dat zij wat toeschietelijker zou worden, zette hij een kopje koffie voor haar op de balie. In de hoop dat zij meer dan toeschietelijker zou worden, had hij er stiekem drie fijngestampte pilletjes Butterfly doorgedaan. Theo had een slecht karakter, maar dat is al eerder verteld. Hij verschool zichzelf achter een hoge plant en zag hoe Belle tevoorschijn sloop en het kopje koffie opdronk. Voor de lunchpauze werden belegde broodjes bezorgd. An Geliek had het druk en at alleen op haar directeurskamer met de deur dicht. Belle nodigde Theo uit om samen met haar in het zitje bij de balie een broodje eten. Theo beschouwde dit als een teken, dat de heimelijk toegediende dosis Butterfly zijn werk had gedaan. Hij ging zo naast haar zitten, dat de staart van zijn luiaardpak over de staart van haar panterpakje heen kwam te liggen. Voordat hij verdere avances kon ontplooien, kreeg hij een zware teleurstelling te verwerken.
“Nog bedankt voor het kopje koffie,” zei Belle. “En ook bedankt voor de drie pilletjes Butterfly die je erdoor hebt gedaan. Daar was ik net aan toe.” Belle had hem tussen de planten door bespied. “Als je maar niet denkt dat je mij kan versieren,” ging Belle verder. “Ik val alleen op vrouwen. En als je het toch wilt proberen, dan moet ik jou waarschuwen. Ik heb de zwarte band karate.”
Theo trok geschrokken zijn staart naar zich toe en propte door het gat in zijn masker een broodje in zijn mond. De jurist kwam binnen. Zonder zijn gorillapak zag hij er onbeduidend uit. Hij gaf Theo een hand en stelde zich voor als Koos Kist. Theo mompelde iets onverstaanbaars terug met zijn mond vol. Even later had Koos Kist zich verkleed en liep er een imposante gorilla naar zijn bureau naast de bananenplant.
Halverwege de middag werd Theo bij de directeur geroepen. Haar computer was vastgelopen. Theo ging haar kamer binnen. Naast de directeur stond Koos Kist met zijn gorillamasker af.
“Doe de deur maar achter je dicht,” zei An Geliek.
Theo deed de deur dicht en vroeg “Problemen met de computer?”
“O, dat is alweer verholpen. Even aan en uit zetten. Nee, Koos en ik willen met jou praten over dat detectivebureau van jou. Daarover stond in jouw c.v. niets.”
“Eh, ik spoor weggelopen huisdieren op,” antwoordde Theo in het nauw gebracht.
“Dat was niet waarvoor jij eergisteren bij mij langs bent gekomen,” zei Koos Kist. “Je vroeg toen naar informatie over een bepaald verdovend middel.”
Theo slikte. Hij was ontmaskerd. Hij was door de mand gevallen, met luiaardpak en al.
Theo zette zijn masker af en veegde het zweet van zijn voorhoofd.
“Nu herken ik hem,” zei Koos Kist. “Dit is die privédetective.”
“Ik had vanochtend meteen door dat er iets niet klopte,” zei An Geliek lachend. “Je zag er in jouw zwarte pak met dunne rode strepen nu niet bepaald uit als iemand die onbetaald vrijwilligerswerk doet. Koos vertelde daarnet dat hij gisteren bezoek had gehad van een privédetective met precies dezelfde naam. Janssens met drie s’en. Dat komt niet zo vaak voor. Je bent hier toch niet vanwege Operatie Rups, net als Belle?”
“Dus jullie weten dat zij een mol is!” zei Theo. “Waarom sturen jullie haar niet weg?”
“Ze zorgt goed voor de planten,” antwoordde An Geliek. “Werk jij ook voor het ministerie van Hoger Onderwijs?”
“Nee, ik ben ingehuurd door het ministerie van Openbare Orde,” antwoordde Theo.
“Dan is er niets aan de hand,” zei Koos Kist. “Zij zijn alleen maar in Butterfly geïnteresseerd omdat de naam van ons land op de pilletjes staat. Verder laat het ze koud. Ik heb nieuws, dat jouw opdrachtgever als muziek in de oren zal klinken. Sinds vanochtend zien de nieuwe pilletjes er anders uit. De naam van ons land staat er niet meer op.”
“Dan is Operatie Rups verder overbodig en is mijn opdracht afgelopen,” zei Theo teleurgesteld.
“Ik verwacht inderdaad dat jouw opdrachtgever, het ministerie van Openbare Orde, niet langer meer van jouw diensten gebruik zal maken,” zei Koos Kist. “Zij hebben echter niets met Operatie Rups te maken. Die komt uit de hoek van het ministerie van Hoger Onderwijs. De universiteiten willen het recept van Butterfly in handen krijgen. Dat is het doel van Operatie Rups.”
“Waarom zouden ze dat willen?” vroeg Theo.
“Gewoon, om geld mee te verdienen,” antwoordde An Geliek. “Ze hebben het hard nodig, nu de studenten wegblijven.”
Op dat moment klonk er een piepje uit het luiaardpak van Theo. Na enige zoeken vond hij zijn telefoontje. Hij verontschuldigde zich en wierp een snelle blik op het beeldscherm. “Dat was iemand van Openbare Orde. Mijn opdracht is inderdaad beëindigd. Of ik morgen langs wil komen voor rapportage en de declaratie van de kosten.”
“Je mag hier blijven als luiaard,” zei An Geliek lachend. “Ik denk niet dat je het druk zult hebben. Onze computers doen het altijd.”
“Als jullie het niet erg vinden, dan stop ik ermee. Ik vind mijn eigen kleren een stuk prettiger zitten dan dit luiaardpak.”
“Dan wensen wij jou veel succes met de andere opdrachten voor jouw bureau,” zei Koos Kist.
“Dat je maar veel weggelopen huisdieren mag terugvinden,” zei An Geliek lachend. Ze gaven elkaar ter afscheid een hand. Theo trok op het toilet zijn zwarte pak met dunne rode strepen weer aan. Het luiaardpak wilde hij aan Belle geven, maar omdat hij haar nergens tussen de planten kon vinden, legde hij het op de balie. Onderweg naar huis werd hij, terwijl hij geheel tegen zijn gewoonte in op zijn fiets voor een rood stoplicht wachtte, aangesproken door de man met het Hawaïshirt, die hij de dag ervoor in de muziektent had ontmoet.
“Hoe gaat het met de huisdierenopsporing?” vroeg de man joviaal.
“Zijn gangetje,” antwoordde Theo.
“Heb je het al gehoord? Ze hebben de pilletjes veranderd. Er staat nu op beide kanten een vlindertje, maar het is hetzelfde goede spul, het ouwe vertrouwde vlindergevoel …” De man stopte met praten en keek Theo na, die snel door het rode licht verder was gefietst.
De volgende dag wachtte hem op het ministerie van Openbare Orde nog een verrassing. Hij moest bij de minster komen, die hem persoonlijk bedankte.
“Ook al is uw verdere inzet door de actuele ontwikkelingen niet meer nodig, u heeft goed werk geleverd. Dankzij uw rapportage heb ik eindelijk iets in handen om de minister van Hoger Onderwijs politiek een hak te zetten. Zijn undercoveroperatie onder de codenaam Rups zou wel eens het einde van zijn politieke carrière kunnen betekenen. Iets wat mij bij de komende verkiezingen goed uitkomt.”
Theo kon zich niet herinneren dat hij iets in zijn rapport had gezet over de aanwezigheid van Belle bij de oerwoudclub of over Operatie Rups of over het ministerie van Hoger Onderwijs. Argwanend keek hij naar de hooggeplaatste ambtenaar, die naast hem zat. Theo was een goede detective. De hooggeplaatste ambtenaar had een triomfantelijke blik in zijn ogen. Theo was een goede detective, maar hij was ook erg ijdel. Hij wilde graag lof oogsten voor iets wat hij wel zelf in zijn rapport had geschreven. Hij vroeg aan de minister “En wat vindt u van mijn theorie, dat het hele drugsnetwerk door robots in stand wordt gehouden, dat er geen mensen meer aan te pas komen.”
“Persoonlijk vond ik de foto van dat zogenaamde onbemande helikoptertje in uw rapport nogal onscherp,” zei de minister, die bang was dat met de voortschrijdende automatisering van de misdaad er zo weinig werkgelegenheid voor criminelen overbleef dat ook haar ministerie op den duur overbodig zou worden. Ze nam snel een pilletje Butterfly en keek een kort moment ontspannen voor zich uit. Daarna wuifde ze Theo en de hooggeplaatste ambtenaar haar werkkamer uit. Theo voelde zich miskend. De foto was haarscherp. De gekrenkte trots van Theo verdween al snel, toen hij zijn declaratie volledig en zonder vragen uitbetaald kreeg. Hij had driehonderd uur opgevoerd voor een opdracht, waar hij amper dertig uur aan besteed had. Hij had er spijt van dat hij niet meer uren had gefactureerd. Hij was veel te eerlijk geweest. Dat kwam vast door die Butterfly. Net als de openhartigheid van de minister, al had de drug weinig invloed op haar ambitie, maar daarvoor had ze het al te ver geschopt in de politiek.


5. Hoger onderwijs


Theo zat op zijn kantoor te broeden op een nieuwe tekst van de personeelsadvertentie voor secretaresse. De oude tekst gaf aanleiding tot misverstanden. Van de laatste vijf sollicitantes hadden er vier hardop gedacht dat ze op zijn kosten hun rijbewijs konden halen. Eén had haar rijbewijs al en een krakkemikkig autootje. Haar uiterlijk had de doorslag gegeven. Theo had haar zonder pardon afgewezen. Hij had geen haast. Voorlopig nam hij geen nieuwe opdrachten aan. Hij had nog genoeg geld van zijn opdracht voor het ministerie van Openbare Orde. De deurbel stoorde hem in zijn overpeinzingen over de ideale secretaresse. “Het moet geen gewoonte worden,” dacht hij nadat de bel voor de vijfde keer geklonken had. Bij gebrek aan secretaresse liep hij zelf naar de deur en opende deze net op het moment dat zijn ongeduldige bezoek aanstormde om de deur in te trappen. Theo had geen tijd meer om een stapje opzij te doen. Met een professioneel uitgevoerde karatesprong vloog een panterpoes zijn kantoor binnen, recht op hem af. Zijn onstuimige gast beschikte duidelijk over een zwarte band in een oosterse vechtsport. Een fractie van een seconde vreesde Theo voor zijn leven, maar tot zijn opluchting veranderde de roofpoes, terwijl zij door de deuropening zweefde, bliksemsnel haar gevechtshouding van dodelijk voor deuren naar pijnlijk voor privédetectives. Zij landde bovenop Theo.
“Belle!” zei hij verbaasd van onder haar vandaan. “Wat doe jij bij mij? Ik dacht dat jij niet op mannen viel.”
“Dat is ook zo en daarom ben ik hier,” antwoordde zijn belaagster terwijl ze lenig overeind kwam. “An is ontvoerd!”
“Het spijt mij, maar ik zie even het verband niet,” zei Theo. Hij stond op en trok zijn zwarte pak met dunne rode strepen weer in de plooi. “Als je nu eens rustig bij het begin begint.”
Belle haalde diep adem, telde tot tien en sprak met haar frisse, jonge stem, waar Theo wel uren naar kon luisteren. Tot zijn spijt hield zij het kort. Ze had haast.
“De dag na jouw vertrek werd ik van Operatie Rups afgehaald. Ik ben als vrijwilliger bij An blijven werken. Iemand moet de planten water geven.” Ze aarzelde even. “En ik ben op haar verliefd. Dat is begonnen nadat jij drie pilletjes butterfly in mijn koffie had gedaan. Je moet mij helpen!”
“Met jouw verliefdheid?” vroeg Theo hoopvol.
“Nee, met haar ontvoering!” antwoordde Belle ongeduldig.
“Waarom vraag je dat aan mij?”
“Jij bent privédetective!”
“Wacht eens even,” zei Theo, die al een addertje onder het gras zag kronkelen. “Krijg ik daarvoor betaald? Ik heb geen zin om als onbetaald vrijwilliger een ontvoering op te lossen, ook al gaat het om de directeur van een goed doel. Dan kan je beter naar de politie gaan. Die werken gratis. Nou ja, zij hebben een salaris, maar daar betaalt iedereen aan mee.”
“We kunnen de politie er beter buiten houden,” zei Belle. “Ik denk dat de ontvoering met Butterfly te maken heeft. Ik wil niet dat de politie An uit de klauwen van haar ontvoerders bevrijdt om haar daarna op te sluiten in de gevangenis. Of er geld voor jou is, dat weet ik niet. Dat moeten we aan Koos vragen. Die is boekhouder.”
“Geld is geen probleem!” riep een gorilla in de deuropening. Het was Koos Kist in bedrijfskleding. Hij was samen met Belle in allerijl en in haar auto naar Theo gereden. Vanwege een pijnlijke jichtaanval in de grote teen van zijn rechtervoet had hij de lift genomen in plaats van de trap waarlangs Belle met vijf treden te gelijk omhoog was gesprongen. In de lift was hij belaagd door drie oudere medewerksters van een telefonisch marketingbedrijf dat in hetzelfde kantoorgebouw gevestigd was. De drie dames wilden zich graag persoonlijk overtuigen van de zachtheid van zijn vacht en de kracht van zijn armen. Dit was niet onaangenaam voor Koos Kist, die zich net voornam om zijn gorillapak voortaan ook buiten werktijden te dragen, toen hij zich bedacht dat hij haast had. Het uitwisselen van telefoonnummers nam enkele minuten in beslag, maar daarna stond hij precies op tijd in de deuropening om op het juiste moment “Geld is geen probleem!” te roepen. Dit hoorde Theo graag van klanten. Geld was voor hem namelijk meestal wel een probleem.
“Als geld geen probleem is, dan is er nog een ander probleem. Ik heb op dit moment geen secretaresse.”
“Ik kan jouw secretaresse zijn,” zei Belle.
“Heb je een rijbewijs en een auto?” vroeg Theo.
“Ja,” antwoordde Belle. “Mijn auto staat hier op het parkeerterrein.”
“Geen bezwaar tegen onregelmatigheid in werktijden en afwezigheid van beloning?” Theo had dit een perfecte zin gevonden voor in de personeelsadvertentie.
“Vierentwintig uur per dag sta ik klaar en natuurlijk hoef ik niets te verdienen. Als we An maar kunnen bevrijden.”
“Ahum” kuchte Koos Kist. “Haar contract als vrijwilliger staat het niet toe om elders een dienstbetrekking te aanvaarden. Detachering bij het detectivebureau Janssens & co is wel mogelijk. Ze moet dan wel onze bedrijfskleding blijven dragen.”
Theo keek naar Belle in haar strakke panterpakje en zei “Detachering is prima!” Hij ging achter zijn bureau zitten, leunde wat naar achteren in zijn stoel en legde zijn voeten voor zich op het bureau. Dat deed hij altijd als hij een opdracht aannam, net als de privédetectives in de film. Het zag er professioneel uit en hij kreeg er altijd complimenten voor van zijn klanten.
“Je ziet er professioneel uit, zo met jouw voeten op het bureau,” zei Koos Kist. Theo leunde verder naar achteren.
“Net als de privédetectives in de film,” zei Belle. Theo leunde verder naar achteren. Iets te ver. Zijn glimmend gepoetste zwarte schoenen kwamen los van het bureau. Theo voelde hoe de zwaartekracht en de vijf wieltjes van zijn draaistoel samen zwoeren om hem naar achteren te kieperen. In een reflex greep hij met iedere hand een armleuning van de bureaustoel vast. Tevergeefs, de armleuningen zaten ook in het complot. Een ondeelbaar moment balanceerde hij in een wankel evenwicht. Belle en Koos staken geen hand uit om hem te helpen. Koos Kist was te traag en Belle, die Theo met haar bliksemsnelle reactievermogen makkelijk te hulp had kunnen schieten, keek geamuseerd toe hoe hij achterover tuimelde en achter het bureau verdween. Koos Kist vroeg verschrikt of alles goed met hem was, terwijl Belle gierde van de lach. Theo stond overeind, streek zijn hand over zijn stropdas met hoefijzermotief en trok een gezicht alsof er niets gebeurd was. Hij hinkte op en neer door zijn kantoor. Op de bureaustoel ging hij niet meer zitten.
“Laten we de feiten doornemen,” zei hij terwijl hij hinkend bleef ijsberen om de kramp te verminderen die de val in zijn rechter dijbeen had veroorzaakt. “Anne is dus ontvoerd. Wanneer? Vandaag of gisteren?”
“Vandaag,” antwoordde Belle.
“Wanneer hebben jullie haar vandaag voor het laatst gezien?” vroeg Theo.
“We hebben haar vandaag nog niet gezien,” zei Koos Kist. “Ze is niet op kantoor gekomen.”
“Perfect, mooi, prima,” zei Theo al ijsberend op twee benen. De kramp in zijn rechter dijbeen trok langzaam weg. “Jullie hebben haar vandaag nog niet gezien. Dan kan ik jullie wegstrepen van het lijstje met mogelijke daders. Diegene die het slachtoffer als laatste levend heeft gezien, is altijd de dader.”
“Maar Anne is niet vermoord!” zei Belle. “Ze leeft nog! Ze heeft mij vanochtend zelf gebeld om te vertellen dat ze ontvoerd is.”
“Wat heeft ze gezegd?” vroeg Theo.
“Alleen maar dat ze ontvoerd is en dat we een email met daarin de eisen zullen krijgen,” zei Belle. “Het was een heel kort telefoongesprek. Het was duidelijk dat de telefoon uit haar handen werd getrokken voordat ze meer kon zeggen. Aan haar stem kon ik horen dat ze bang was. Erg bang. Het was even voor elven vanochtend. Vlak daarvoor had ik een ander telefoontje gehad, van de universiteit. Professor Blasé vroeg of Anne soms haar afspraak met hem vergeten was.”
“Wie is professor Blasé?” vroeg Theo.
“Gewoon, een of ander hoogleraar die onderzoek voor ons doet,” antwoordde Belle.
“Bas Blasé is een wereldwijde autoriteit op het gebied van de bescherming van de leefgebieden van mensapen,” zei Koos Kist. “Onze stichting is de belangrijkste financier van zijn onderzoek. Anne had een afspraak met hem over een nieuw project, maar daar is ze dus niet op komen dagen.”
Theo kneep zijn oogleden samen tot spleetjes en staarde door zijn wimperharen heen voor zich uit. Dit deed hij vaker in de aanwezigheid van klanten als hij geen idee had hoe hij iets aan moest pakken. Het wekte de indruk dat hij diep nadacht.
“Hoe laat was die afspraak van Anne met die prof?” vroeg hij.
“Volgens mij om negen uur,” antwoordde Belle. “Daarom was ze niet eerst op kantoor gekomen.”
“Vreemd dat die verstrooide professor pas tegen elven belt over een afspraak om negen uur,” zei Theo. “Volgens mij moeten we die mensapenexpert eens aan de tand gaan voelen.”
“Waarom?” vroeg Belle.
“Intuïtie,” antwoordde Theo. “En om meer uren te kunnen declareren. We gaan meteen.”
“Ik ga graag mee,” zei Koos Kist.
“Prima,” zei Theo. “Maar dan rijden we eerst even langs jullie kantoor, zodat jij je apenpak uit kan doen en je gewone pak aan. Anders denkt die prof nog dat we een leefgebied voor jou zoeken.”
Ze verlieten het benauwde kantoortje van het detectivebureau Janssens & co en gingen gedrieën naar de lift. Na een korte tijd wachten, zoefden de liftdeur open. Een koerier met een leeg steekkarretje maakte plaats voor hen. De koerier, die gekleed was in het uniform van zijn koeriersbedrijf, kon zijn ogen niet van het strakke panterpakje van Belle af houden. Helaas voor gorilla Koos waren er dit keer geen bewonderaarsters voor hem. Een kort ritje in het ietwat haveloze autootje van Belle bracht hen in de binnenstad bij het monumentale pand waarin het kantoor van de oerwoudclub gevestigd was. Theo en Belle bleven in de auto. Koos Kist ging als imposante gorilla naar binnen en kwam even later als onbeduidende boekhouder weer naar buiten. Zijn kalende schedel blonk in de voorjaarszon. Koos Kist nam weer plaats op de achterbank en ze reden naar de campus aan de rand van de stad. Een zwarte rookpluim, die als een zuil loodrecht omhoog stond in de windstille lucht, wees hen de weg. Het uitgestrekte complex van universiteitsgebouwen was veertig jaar daarvoor uit de grond gestampt met het oogmerk om iedere jongeling in het land een opleiding tot meester in de rechten of doctorandus in de psychologie te verschaffen. Nu lag het er verlaten en vervallen bij. De gebouwen stonden leeg. Jonge bomen hadden met taaie takken het glas uit de ramen geduwd. Een grote menigte studenten danste extatisch rond een groot vreugdevuur dat midden op een kruispunt hoog oplaaide. De meesten droegen niet meer dan een onderbroek, sommigen zelfs minder. Donkergele vlammen verteerden overbodig geworden meubilair en uit de gebouwen gesloopte bouwmaterialen. Zwarte rook steeg omhoog naar de blauwe lucht ten teken dat prehistorische goden het primitieve brandoffer welwillend aanvaardden. De vergaand ontblote jongens en meisjes renden op de auto af en boden hen pilletjes Butterfly aan en nodigde hen uit om ook hun kleren uit te trekken en met hen mee te dansen. Belle draaide het raampje open en bedankte hen lachend. Ze vroeg hen de weg naar het kantoor van professor Blasé. Als antwoord kreeg ze tien verschillende routebeschrijvingen. Belle keerde voorzicht de auto en reed terug naar het vorige kruispunt. De bloteriken huppelden nog een eindje joelend achter hen aan. Bijkans doelloos reden zij rondjes over de uitgestrekte campus. Ze probeerden zich te oriënteren met behulp van de rookzuil, maar de hoge gebouwen met dichtgetimmerde ramen ontnamen hen het zicht, totdat ze onverwachts het vuur en de kring dansende studenten recht voor hen zagen. Snel reed Belle enkele honderden meters achteruit, totdat Theo riep “Stop!” Belle remde en ze kwamen tot stilstand precies voor de ingang van een gebouw waarvan het glas in het merendeel van de ramen nog ongeschonden was.
“Dit gebouw ziet er nog uit alsof het gebruikt wordt,” zei Theo. “Misschien is hier het kantoor van professor Blasé. We gaan hem aan de tand voelen over zijn afspraak met An Geliek vanochtend. Maar denk erom, mondje dicht over de ontvoering. Ik wil hem van zijn stuk brengen, zodat hij dingen eruit flapt die hij anders niet gezegd zou hebben.” Ze stapten uit. Theo morrelde aan de voordeur, die niet op slot was. Ze gingen naar binnen, een lange gang in. Door openstaande deuren zagen ze onttakelde laboratoria. “Hallo, is hier iemand?” riep Theo. Zijn stem galmde door de lege gang en een holle echo keerde terug. Belle opende de deur naar een collegezaal. Gebroken plafondplaten laag schots en scheef over de collegebanken en alles was bedekt met een dikke laag stof. Ze liepen verder over de gang. Twee scheef in de scharnieren hangende branddeuren gaven toegang tot een trappenhuis. Etage na etage verkenden ze. Op de derde etage vonden ze een verzameling opgezette skeletten van mensapen. Schedels met brede kaken grijnsden hen aan in het neonlicht. Koos Kist knipte snel het licht weer uit. Ze vervolgden hun zoektocht en riepen “Professor Blasé!”. Op de vijfde en bovenste etage werd hun geroep beantwoord.
“Ik ben hier,” klonk een erudiete stem en even later verscheen er een man op de gang met een zwart puntbaardje, gekleed in een driedelig tweedpak compleet met strikje. Professor Blasé nam zijn bezoekers door de ronde glazen van zijn bril op met een vriendelijke maar tegelijkertijd ietwat afwezige blik en met een zwierig handgebaar nodigde hij hen uit in zijn werkkamer, die een weids uitzicht bood over het universiteitsterrein waar het lichtgroene loof van spontaan opgeschoten bomen en struiken het zonlicht weerkaatste. Een zwarte rookkolom steeg uit boven de boomkronen. Zo nu en dan kwam er een schaars gekleed koppeltje studenten tevoorschijn tussen de boomstammen om daarna weer snel achter een struik te verdwijnen, als Adam en Eva in het paradijs voordat zij de verboden vrucht van de boom der kennis hadden gegeten.
“Een fraai panorama,” zei Koos Kist, die naar het raam was gelopen.
“Net een groot bos,” zei Belle, die naast hem was komen staan.
“Duizenden jaren geleden was hier een groot oerbos, waar wolven, elanden en beren leefden,” zei professor Blasé. “Over enkele jaren is het hier weer oerwoud, dankzij de vruchtbare as van de vreugdevuren. We kunnen het gerust aan de studenten overlaten om er een jungle van te maken. Waarmee kan ik u helpen?”
“Hoe laat was An Geliek vanochtend bij u?” vroeg Theo op de scherpe toon van een openbaar aanklager in de rechtszaal.
“Om negen uur precies,” antwoordde de professor gedwee. “An is altijd stipt op tijd…ik bedoel te laat…” De professor begon verward te stotteren, alsof hij zich plotseling bedacht had dat hij niet onder ede stond voor een rechtbank. “Ik bedoel, de afspraak was om negen uur precies. An is altijd stipt op tijd, daarom vond ik het zo raar dat ze te laat was, dat ze helemaal niet op kwam dagen.”
“Waarom heeft u dan pas om elf uur contact gezocht met haar kantoor?” vroeg Theo op dezelfde scherpe toon, maar dit had zijn uitwerking verloren.
“Dat heb ik niet gedaan,” zei de professor ontwijkend.
“Ik heb u zelf aan de lijn gehad!” riep Belle verontwaardigd.
“Dat ontken ik ook niet. Het was alleen niet om elf uur maar om kwart voor elf.”
“Waarom heeft u niet eerder gebeld?” probeerde Theo nogmaals.
“Ik was een scriptie van een student aan het lezen. Zo vergat ik de tijd.”
“Ik zie helemaal geen scripties, verslagen of rapporten op uw bureau liggen,” zei Theo. Hij was een goede detective met een groot opmerkingsvermogen. De professor leek in te storten. Hij greep de rand van zijn bureau en tranen welden op in zijn ogen. “Ik heb geen studenten meer,” snotterde hij. “Ze hebben alle interesse in de bestudering van de mensapen verloren. Ze hebben enkel nog maar oog voor elkaar.”
“Wat is het verschil?” vroeg Koos Kist, die zichzelf kaal voelde zonder gorillapak.
“Dat ze mij er niet meer bij nodig hebben. Dat niemand meer veldwerk voor mij wil doen.” Tranen biggelden langs de wangen van de professor. Belle legde troostend een panterpoot op zijn schouder en zei “Maar dan gaat u toch zelf veldwerk doen.”
“Ja,” zei Koos Kist. “U kunt beginnen met het bestuderen van uw studenten. U heeft hier in uw kantoor een prima observatiepost.”
“Daar droom ik al jaren van,” zei de professor. Er straalde weer hoop uit zijn ogen. Hij haalde een zakdoek uit één van de vele zakken in zijn tweedpak en hij depte zijn wangen droog en snoot zijn neus. “Ik wil dolgraag zelf weer op pad. Ik zit al veel te lang in dit stoffige kantoor. Willen jullie mijn onderzoeksassistenten worden? Mee op expeditie naar het oerwoud, mensapen opsporen, aantekeningen en filmopnames maken?”
“Voor opsporingswerkzaamheden bent u bij mij altijd aan het goede adres,” zei Theo en hij gaf de professor een visitekaartje van het detectivebureau Janssens & co. “Ik ben gespecialiseerd in voortvluchtige debiteuren en overspelige echtgenoten, maar mensapen doe ik er graag bij.”
“Ik zou dolgraag met u meegaan,” zei Belle gretig. “Ik sluip graag tussen tropische planten door, maar eerst moeten we An Geliek in veiligheid brengen.”
“Is er iets met haar gebeurd?” vroeg professor Blasé.
Theo maakte een snel gebaar naar Belle om haar te waarschuwen dat zij haar mond niet voorbij moest praten, maar het was al te laat. Belle zei “An is ontvoerd.” Daarna pas zag ze Theo met zijn vinger op zijn lippen en ze schrok. “O jee. We moesten proberen u iets er uit te laten flappen en nu heb ik het zelf gedaan. Het spijt mij zo erg.”
Het was nu de beurt aan de professor om háár te troosten. Hij legde zijn hand op haar panterpakje en zei “Je hoeft je niet schuldig te voelen. Ik weet al lang dat An ontvoerd is.”
“Hoe weet u dat?” vroeg Theo scherp.
“Ehem..” de professor stotterde weer. “Ik weet het natuurlijk niet zeker, ik heb enkel een sterk vermoeden. Anders was ze wel op de afspraak gekomen.”
“Waarover ging die afspraak precies?” vroeg Theo. Professor Blasé was weer terug in zijn rol en hij ratelde er op los. “Ik wilde tijdens de afspraak met An Geliek praten over wat ik daarnet vertelde, dat ik geen studenten meer heb. Het is een bizarre situatie. Dankzij Butterfly is er eindelijk genoeg geld om onderzoek te doen, maar door datzelfde Butterfly laten de studenten het afweten. Maar dat is nu opgelost. Ik ga zelf veldwerk doen!”
“Dat was het enige waarover jullie wilden praten?” vroeg Theo.
“Ja, wat mij betreft wel.”
“Had u de afspraak gemaakt of An Geliek?” ondervroeg Theo verder.
“Eh, An Geliek, Ze wilde mij dringend ergens over spreken, waarover weet ik niet. Dat kon ze gister niet over de telefoon vertellen. Ze was bang dat ze afgeluisterd werd.”
Theo liep op en neer over het vloerkleed voor het bureau van de professor. Naast de professor bleef hij stil staan en hij stak zijn wijsvinger in de lucht. “Nog één vraag, professor. Herkent u dit?” Theo haalde zijn telefoontje uit de binnenzak van zijn zwarte confectiepak met dunne rode strepen en hij liet het geluidsfragment van de parende dwergchimpansees horen, waarmee hij enkele dagen daarvoor pilletjes Butterfly had besteld.
“Dat zijn parende dwergchimpansees, onmiskenbaar” zei professor Bas Blasé en hij liep achter zijn bureau en tikte op het toetsenbord van zijn computer. Daarna klonk exact hetzelfde opgewonden geluid. Het leek wel alsof het kantoor van de professor vol was met parende bonobo’s. “Hoort u, precies hetzelfde. Ik heb deze opname twintig jaar geleden gemaakt in Oost Afrika. Hoe komt u eraan?”
“Van de website waar je pilletjes Butterfly kunt bestellen,” antwoordde Theo.
“Een vreemde samenloop van omstandigheden,” zei de professor. “Enkele jaren gelden zijn bij een inbraak in de computer van de universiteit al mijn geluidsfragmenten van apen gekopieerd.”
“Mmm…interessant,” zei Theo.
“Wat heeft dat alles te maken met de verdwijning van An?” vroeg Belle ongeduldig.
“Meer dan we nu kunnen vermoeden,” zei Theo. “Professor, ik dank u hartelijk voor uw tijd.”
“Als jullie nog vragen hebben, dan weten jullie mij te vinden,” zei Bas Blasé. “En vergeet niet mijn aanbod om mijn assistenten te worden bij het veldwerk.”
Theo, Belle en Koos Kist verlieten het kantoor terwijl de professor met een notitieblok en een potlood naar het raam liep om op wetenschappelijk verantwoorde wijze de studenten te begluren.
Toen zij op de gang buiten de gehoorsafstand van Bas Blasé waren, fluisterde Theo. “Die verstrooide professor weet er meer van. Dat is duidelijk. Maar voorlopig laten we hem met rust. Als we hem te veel het gevoel geven dat wij hem verdenken van medeplichtigheid, dan wordt hij enkel maar voorzichtiger.”
“Wat gaan we nu doen?” vroeg Belle.
“Naar jullie kantoor,” antwoordde Theo. “Ik ga de werkkamer van An Geliek binnenste buiten keren op zoek naar een aanwijzing.”


6. Een onweerstaanbare aanbieding


“Heb je al iets gevonden?” vroeg Belle ongeduldig vanuit de deuropening van de werkkamer van An Geliek.
“Een klerenhanger en een leeg, vies koffiekopje,” antwoordde Theo kruipend over de vloer achter het bureau. “Ik ben nu op zoek naar het lepeltje.”
“An drinkt haar koffie zonder melk en suiker,” zei Belle. “Ze gebruikt nooit een lepeltje.”
“Dan ben ik hier klaar,” zei Theo. Hij stond op en trok zijn zwarte confectiepak met dunne rode strepen weer in model.
“Dat is dus alles wat je gevonden hebt!” riep Belle teleurgesteld. “Een klerenhanger en een leeg, vies koffiekopje. Niets wat ons kan helpen om An te vinden. Geen enkele aanwijzing die ons naar de ontvoerders kan leiden!”
“Toch wel,” zei Theo. “Ik heb wel degelijk een aanwijzing gevonden.”
“Wat dan?”
“Dat ik niets gevonden heb! Niets in de bureaulades, niets in de kast, niets in de computer. Alles is leeg! Nog geen paperclip of liniaal in de lades, geen enkele ordner in de kast. Er staan geen bestanden op de computer, geen documenten, geen foto‘s, geen e-mails, helemaal niets. Het lijkt erop dat iemand alles uit heeft willen wissen.”
“An is altijd heel netjes,” zei Belle. “Misschien is dat de verklaring.”
“Mijn computer is ook helemaal leeg,” zei Koos Kist, die er bij was komen staan. “Sinds ik hier werk is dat zo geweest.”
“Hoe hou je dan de boekhouding bij?” vroeg Theo verbaasd.
“Dat doe ik ook niet. Dat gebeurt allemaal vanzelf. Jaarverslagen worden automatisch naar de drukker gestuurd, de belastingaangifte komt spontaan bij de belastingdienst.”
“Je verdient je geld dus met niets doen,” zei Theo met duidelijk hoorbare jaloezie in zijn stem. “Als jij het niet doet, wie doet het werk dan?”
“Dat weet ik niet. Ik vind het wel prima zo. Bij An Geliek is het net zo. Overheden en grootgrondbezitters benaderen ons uit zichzelf om natuurgebieden aan onze organisatie te verkopen. An hoeft er alleen maar naar toe te vliegen en een handtekening te zetten. Al het werk is dan al gedaan, onderhandelingen over de prijs zijn afgerond, contracten zijn opgesteld, allemaal in haar naam maar door iemand anders, en zij krijgt de complimenten voor de prettige samenwerking van mensen die ze nog nooit eerder heeft gezien en waar ze nog nooit contact mee heeft gehad. Dat heeft ze me nu al een paar keer verteld als ze weer terug was.”
“Raadselachtig,” zei Theo.
“Ja, heel raadselachtig,” zei Koos Kist. “Maar wat heeft het met de verdwijning van An Geliek te maken?”
“Alles, maar misschien ook niets,” zei Theo Janssens. “Als het normaal is dat haar computer leeg is, dan zou het juist een aanwijzing zijn als er plotseling wel iets op staat.”
“Biep!” zei de computer. Theo Janssens keek op het beeldscherm en zei “Er is een e-mail binnengekomen, verstuurd vanuit een gratis mailbox.”
“Openen en voorlezen!” riepen Belle en Koos Kist in koor vanuit de deuropening. Theo trommelde wat op het toetsenbord en las voor. “Jullie krijgen An Geliek terug voor 10 miljoen. Jullie hebben 48 uur de tijd.”
“We hebben geen tien miljoen,” zei Koos Kist.
“En al die aankopen van natuurgebieden dan?” vroeg Theo Janssens. “Er gaan toch miljarden om in jullie club?”
“Dat gebeurt automatisch. Het geld staat maar een fractie van een seconde op onze rekening. Normaal hebben we niet meer dan een paar mille in kas.”
“We kunnen een koffer met oud papier vullen,” zei Belle.
“Ik heb een beter idee,” zei Theo. “Ik ken een truc, die altijd goed werkt met voortvluchtige debiteuren. Dankzij dit mailtje hebben we nu een e-mailadres van de ontvoerders. We sturen ze een e-mail met een onweerstaanbare aanbieding.”
“Een onweerstaanbare aanbieding?” vroeg Belle verbaasd.
“In de e-mail, die natuurlijk uit de duim gezogen is, staat dat de ontvanger van de e-mail een fantastische prijs heeft gewonnen met een of andere prijsvraag. Men hoeft alleen maar het adres op te geven waar de prijs bezorgd kan worden.”
“Denk je dat de ontvoerders daar in trappen?” vroeg Koos Kist. “Wat als ze helemaal niet met de prijsvraag hebben meegedaan.”
“Natuurlijk hebben ze niet met de prijsvraag meegedaan, die is verzonnen,” zei Theo.
“Maar waarom zouden ze zich dan verraden door een adres op te geven?” vroeg Belle.
“Omdat de prijs onweerstaanbaar is,” antwoordde Theo.
“Wat is het dan?” vroeg Koos Kist.
“Een tiendelige roestvrijstalen pannenset met koperkleurige handgrepen,” zei Theo nonchalant.
“Een tiendelige roestvrijstalen pannenset met koperkleurige handgrepen!” riep Belle. “Dat heb ik altijd al willen hebben.”
“Dat is geniaal!” riep Koos Kist. “De mensen doen alles voor een tiendelige roestvrijstalen pannenset met koperkleurige handgrepen!”
Het was Theo Janssens nog nooit overkomen dat hij geniaal werd genoemd en hij genoot dan ook met volle teugen van het ogenblik. “Ik verstuur die e-mail vanaf een website van een niet-bestaande pannenfabrikant, die ik speciaal voor deze truc gemaakt heb. Kijk, ik kan het vanaf mijn telefoontje doen.”
Belle en Koos Kist keken mee over Theo’s schouder. Daarna dronken ze een kopje koffie in het zitje bij de receptie. Nog voor ze de koffie ophadden, ontving Theo het adres waar de tiendelige roestvrijstalen pannenset met koperkleurige handgrepen afgeleverd kon worden. “Bingo!” riep Theo. “Het is ergens op het universiteitsterrein. Ik wist wel dat die professor er iets mee te maken had! We gaan er op af!”
“Ik trek eerst mijn gorillapak weer aan,” zei Koos Kist, “Voor het geval het op een handgemeen uitloopt.”
Een half uur later sloop Theo Janssens in het gezelschap van een panter en een gorilla door het struikgewas rond een verlaten universiteitsgebouw. Ze hoefden niet lang te wachten of er stopte een auto voor de ingang. Een man en een vrouw stapten uit. Het waren An Geliek en professor Bas Blasé. Koos Kist sprong als eerste uit de struiken.
“Een gorilla!” riep de professor in de mensaapwetenschap.
“Het is Koos Kist,” zei An Geliek.
“Wat doe jij hier?” vroeg Koos Kist aan haar. “Jij hoort ontvoerd te zijn.”
“Er wordt hier een tiendelige roestvrijstalen pannenset met koperkleurige handgrepen afgeleverd. Die heb ik gewonnen met een prijsvraag waar ik niet aan mee heb gedaan. Die kon ik niet aan mijn neus voorbij laten gaan, ook al ben ik ontvoerd.”
“Waar zijn jouw ontvoerders?” vroeg Belle, die ondertussen ook de struiken uit was gekomen.
“Er is maar één ontvoerder, en dat ben ik zelf,” biechtte An Geliek op.
“Ik ben medeplichtig,” zei professor Blasé schuldbewust. “Ik moest aan jullie vertellen, dat An vanochtend niet bij mij was gekomen, wat wel zo was. We hebben vanochtend samen het plan bedacht om een ontvoering in scène te zetten.”
“Zie je wel!” zei Theo Janssens triomfantelijk, terwijl ook hij uit de struiken kwam. “Ik wist dat de professor gelogen had en dat An Geliek vanochtend wel degelijk bij hem op bezoek was geweest. Ik herkende de afdrukken van haar naaldhakken in de vloerbedekking.”
“Jij hebt mij zo ongerust gemaakt!” riep Belle boos tegen An Geliek.
“Dat spijt mij heel erg,” zei An. “Het losgeld was bedoeld voor Bas, voor de expeditie, waar hij al jaren van droomt.”
“Waarom zo ingewikkeld? zei Koos Kist. “We hebben toch al vaker geld gegeven aan de professor voor onderzoek.”
“Morgen word ik ontslagen, dan ben ik geen professor meer,” zei Bas Blasé. “Alle studenten zijn weggelopen en zonder studenten kun je geen professor zijn. Volgens An komt een privé-expeditie nooit in aanmerking voor geld van jullie sponsor.”
“Waarom proberen jullie het niet gewoon?” zei Theo Janssens. “Misschien wil de Butterflybende het geld wel geven, ook al is de professor geen professor meer.”
Terwijl iedereen enthousiast door elkaar heen praatte, persten ze zich in het autootje van Belle. Tijdens de rit naar het monumentale pand in de binnenstad babbelde Bas Blasé honderduit over zijn voorgenomen expeditie. Daar aangekomen gingen ze snel naar het bureau van Koos Kist, die zijn computer aanzette.
“Als ik een uitgavenpost op de begroting zet, dan staat het geld even later meestal automatisch op de bankrekening,” zei de gorilla en hij trommelde op het toetsenbord.
“Wacht even,” zei Theo. “Maak er twintig miljoen van. Ik heb laatst te weinig gedeclareerd en daar heb ik nog steeds spijt van.”
Koos Kist opende het programma voor elektronisch bankieren. Iedereen keek gespannen naar het beeldscherm. “Er is twintig miljoen bijgeschreven!” riep An Geliek triomfantelijk.
“We kunnen op expeditie naar het oerwoud!” juichte Bas Blasé. “Jullie mogen allemaal mee om mensapen te bestuderen!”
“Wij gaan mee!” riepen Belle en An Geliek en zij omhelsden elkaar hartstochtelijk.
Theo Janssens bekeek hen met een jaloerse blik en hij zei “Bedankt voor het aanbod, maar ik hou het bij onvindbare debiteuren en ontrouwe echtgenoten.”
“Ik blijf hier om de toko te runnen,” zei Koos Kist. Hij had het vermoeden dat een ontmoeting met een echte gorilla onvoordelig uit kon pakken voor zijn gevoel van eigenwaarde. Liever dacht hij aan de drie charmante dames in de lift die hem vol bewondering betast hadden en aan wie hij had moeten beloven om zo snel mogelijk een afspraakje te maken.


7. Brits Columbia


Met een uitdrukking van verbazing op zijn gezicht bevingerde Theo Janssens het beeldscherm van zijn telefoontje terwijl hij achterover leunde in zijn stoel met zijn voeten op het stalen bureau. Hij had zojuist een tekstberichtje ontvangen van An Geliek. Ze bedankte hem voor de mooie tiendelige roestvrijstalen pannenset met koperkleurige handgrepen, die per koeriersdienst bezorgd was en die goed van pas kwam als kookuitrusting voor de expeditie waarvan de voorbereidingen in volle gang waren. Ze vond het joviaal, dat hij de beloofde prijs in de verzonnen prijsvraag, die eigenlijk alleen maar een valstrik was geweest, toch had uitgereikt. Na lezing van het berichtje werd het kortstondige en misplaatste gevoel van jovialiteit bij Theo als snel verdrongen door een brandende nieuwsgierigheid naar wie de pannenset bij An Geliek had laten bezorgen. Hij had het in ieder geval niet gedaan. Maar wie dan wel? Het duurde niet lang of Theo had heel wat meer om zich over te verbazen, om te beginnen over het rinkelen van de deurbel van zijn kantoor, iets wat de laatste dagen wel heel vaak gebeurde.
“Binnen!” riep Theo, die geen zin had om op te staan en naar de deur te lopen.
Een koerier duwde een steekkarretje naar binnen. Na het tekenen voor ontvangst en het vertrek van de koerier met het lege steekkarretje, was Theo de eigenaar geworden van een kartonnen doos, waarvan de inhoud al spoedig bleek te bestaan uit een tiendelige roestvrijstalen pannenset met koperkleurige handgrepen. Dit was nog maar het begin. Een foto van een aantrekkelijke vrouw verscheen op het beeldscherm van zijn telefoontje, gevolgd door een tekstbericht. ‘Vind haar en bescherm haar. Voorschot honorarium en onkostenvergoeding op rekening gestort. P.S. Vind je de pannen mooi?’ Theo las de zin ‘Voorschot honorarium en onkostenvergoeding op rekening gestort’ drie keer over en daarna controleerde hij vanaf zijn telefoontje zijn bankrekening. Er was vanaf een geheime, anonieme rekening een miljoen overgemaakt. Hiervoor wilde hij wel een vrouw opsporen en beschermen, zeker als ze mooi was als de vrouw op de foto. Hij bekeek de foto aandachtig. Halflang donkerbruin haar viel omlaag aan weerszijden van een hoog voorhoofd, dat haar samen met haar heldere, blauwe ogen een intelligent uiterlijk gaf. Een vriendelijke glimlach speelde om haar rode, volle lippen. Haar lange, elegante hals ging over in een fraai decolleté, waar Theo tot zijn spijt enkel het bovenste spleetje van zag. Verder ging de foto niet. Hij wilde een berichtje terugsturen dat hij de opdracht accepteerde, maar het mysterieuze tekstberichtje was geheel van zijn telefoontje verdwenen zonder ook maar een spoor achter te laten. Enkel de foto van de mooie vrouw had hij nog, dat was alles. Hij kende haar naam niet, hij wist zelfs niet op welk continent hij haar moest zoeken. Theo liep heen en weer door zijn kantoor. Diegene die hem deze lucratieve maar ook anderszins aantrekkelijk opdracht had gegeven, was dezelfde persoon als die de pannenset bij An Geliek en hem had laten bezorgen. Deze persoon moest op de hoogte zijn van de door An Geleik geveinsde ontvoering. Het feit dat er zo maar een miljoen op zijn rekening was gestort, deed hem denken aan het schijnbaar achteloze gemak waarmee Koos Kist twintig miljoen had gevraagd en gekregen voor de expeditie van Bas Blasé. Alles wees in de richting van de Butterflybende. De oerwoudclub van An Geliek was de enige link naar de producenten van deze uitermate populaire drug. Even speelde Theo met de gedachte om de foto van de op te sporen vrouw door te sturen naar An Geliek om haar te vragen of zij deze vrouw kende, maar in plaats daarvan bekeek hij op de website van de oerwoudclub de lijst van hun natuurreservaten. Alle gebieden waren in de tropen, op één na, Bear Peak Park. Dat lag in het westen van Canada, in Brits Columbia. De enige apensoort die daar voorkwam was Homo sapiens, dezelfde soort als waar de mooie vrouw op de foto tot behoorde. “Op naar Canada,” dacht Theo bij zichzelf. Hij belde een taxi naar het vliegveld. Met een miljoen op zijn rekening kon hij zich de luxe van een taxi wel veroorloven. Toen enige minuten later de taxichauffeur vanuit zijn auto op het parkeerterrein belde dat hij er was, stond Theo op en liep hij naar de lift. Hij had geen enkel vermoeden dat hij de deur van zijn kantoor voor de laatste keer achter zich dicht trok.
Op het vliegveld aangekomen boekte en betaalde hij een plaats voor de lijndienst naar Canada bij een dure luchtvaartmaatschappij. Het duurde nog twee uur voor de vlucht vertrok en dat gaf hem tijd voor een lunch in het restaurant met een panoramisch uitzicht op het landen en het opstijgen van de vliegtuigen. In de lange gangen naar de terminal had hij het gevoel dat iemand hem in de gaten hield. Hoe hij ook speurde, hij kon niet ontdekken wie hem begluurde. Zelfs het beveiligingspersoneel keurde hem nauwelijks een blik waardig als hij langsliep. Hij keek omhoog en zag hoe een bewakingscamera hem volgde. Hij ging een hoek om en een andere camera nam het over. Zijn telefoon trilde in de binnenzak van zijn zwarte confectiepak met dunne rode strepen. Hij pakte het kleine wonder van technisch vernuft en zag op het beeldscherm een bericht. ‘Dit zijn jouw vijanden,’ zei het bericht. Eronder stond een soort logo, een cirkel met daarin een hoofdletter H en een plusteken. Hierna lieten de camera’s hem met rust en hij had niet langer meer het gevoel dat hij bespied werd toen hij het vliegtuig in stapte met als enige bagage zijn paspoort, zijn telefoontje en zijn bankpasje. Met een miljoen op je bankrekening heb je geen bagage nodig. Dan kun je alles kopen zodra je het nodig hebt.
In het vliegtuig bleek zijn stoel de middelste van drie te zijn. Aan de ene kant werd hij geflankeerd door een man van minstens honderd vijftig kilo. Aan de andere kant zat een jengelend kind, dat steeds zeurde bij zijn ouders en jongere zusje, die voor hem zaten. Theo Janssens had er spijt van dat hij geen eerste klas had geboekt. Hij moest er nog aan wennen, aan dat miljoen op zijn bankrekening. Theo observeerde de stewardessen. Hun mantelpakjes waren misschien vijftig jaren geleden ooit sexy geweest, nu zagen ze er tamelijk truttig uit. Hij vroeg zich af of de vrouwen van hun werkgever piercings en tattoo’s mochten hebben. Pas een uur na vertrek bood één van de stewardessen hem een karige versnapering aan in de vorm van een zakje met vijf pinda’s en een vingerhoedje wijn. Theo vroeg haar “Mogen jullie piercings en tattoo’s hebben?” De stewardess keek hem aan alsof ze hem op tien kilometer hoogte uit het vliegtuig wilde gooien. “Ik wil graag omboeken naar eerste klas, kan dat nog?” vroeg Theo er snel achteraan. Het boze gezicht van de stewardess veranderde in een wolk van vriendelijkheid. “Heeft u uw bankpasje bij u? Goed zo, dan kunt u direct meekomen. We regelen het meteen.” Onderweg naar de eerste klas haalde Theo zijn bankpasje door een draagbaar betaalapparaat en daarna mocht hij plaatsnemen in een royale en comfortabele eerste klas stoel, waarvan hij de rugleuning ver achterover duwde zodat het bijna een bed werd. Een mooie, jonge stewardess kwam aangelopen met een groot glas champagne. Theo liet de rugleuning weer terug omhoog veren en nam het glas champagne aan. “Mogen jullie piercings en tattoo’s hebben?” vroeg hij aan de eerste klas stewardess. Ze glimlachte ondeugend en antwoordde “Zolang niemand het ziet, mag alles.”
“Dus jij hebt er één?” vroeg Theo verder.
“Misschien wel twee, of drie,” antwoordde de knappe vrouw schalks.
“Waar?” vroeg Theo.
“Dat verklap ik niet,” zei de stewardess. “Wilt u als hoofdschotel tournedos of gebraden eend?” Theo koos de gebraden eend. Biefstuk had hij op het vliegveld al gegeten. “Deze eend vliegt nog een eindje verder,” dacht hij bij zichzelf terwijl hij de botjes afkloof. Na het eten voelde hij zich langzaam slaperig worden door zijn volle maag en het monotone gebrom van de vliegtuigmotoren. Voor en achter hem waren de vliegtuigraampjes verduisterd en deden zijn medepassagiers een dutje. Hij keek op zijn horloge. Het was avond. Tot zijn verbazing zag hij door het vliegtuigraampje naast zich de zon hoog aan de helblauwe hemel staan. De zon leek er geen enkele behoefte aan te hebben om onder te gaan. Hij bracht zijn horloge naar zijn oor om te luisteren of het uurwerk nog liep en hoorde duidelijk het zachte, regelmatige getik. Ook de secondewijzer draaide dapper in het rond. Zijn horloge stond niet stil. De zon stond stil! “Het is lang licht vandaag,” zei hij tegen de stewardess, die hem een drankje bracht. “We vliegen de zon achterna,” antwoordde de stewardess. Theo hier begreep niets van. “Als u nog wilt slapen, dan kunt u dat het beste nu doen. Over een paar uur landen we.” Dit begreep Theo wel en hij vroeg “Heeft u een tandenborstel voor mij?” Thuis vergat hij meestal zijn tanden te borstelen voor het slapen gaan, maar hier in de eerste klas wilde van alle luxe gebruik maken. “Ogenblikje,” zei de stewardess en even later kreeg hij een etuitje met een kleine tandenborstel en een klein tubetje tandpasta. Zodra een groen lampje aangaf, dat het toilet vrij was liep hij er met het etuitje in zijn hand door het gangpad naartoe. In het toilet moest hij er aan denken hoe in de trein alles inclusief toiletpapier op de rails werd geloosd. Gebeurde dat hier ook zo? Natuurlijk zou door de vrieskou op tien kilometer hoogte alles meteen bevriezen. Werd het oppervlak van de beschaafde wereld vierentwintig uur per dag gebombardeerd met bevroren drollen uit verkeersvliegtuigen? Theo waste zijn handen en borstelde zijn tanden en liep weer terug naar zijn stoel, waarvan hij de rugleuning behaaglijk achterover duwde. De stewardess legde zorgzaam een lichte deken over hem heen. “Krijg ik ook een nachtzoen?” vroeg hij haar. Ze glimlachte vriendelijk maar zei resoluut “Nee”. “Waarom niet één klein nachtzoentje?” zeurde Theo. “Omdat het tijdens deze vlucht altijd middag blijft,” antwoordde de stewardess lachend. Mijmerend over dit raadsel dommelde Theo in slaap. Het vliegtuig trok een witte streep over de blauwe hemel waaraan de zon koppig weigerde te zakken.
Na een vlekkeloze landing kwam Theo dankzij zijn gebrek aan bagage snel en zonder problemen de douane door. Tevreden liep hij in gestrekte pas naar de uitgang. Zijn voorsprong op zijn medepassagiers zou er voor zorgen, dat hij niet op een taxi hoefde te wachten. Hij zag dat de bewakingscamera’s hem volgden en besteedde er geen aandacht aan. Hij was er gewend aan geraakt. Bij een geldautomaat bleef hij staan. Hij tapte een stapel Canadese bankbiljetten. Met een binnenzak vol met geld liep hij verder, nog steeds gevolgd door de bewakingscamera’s. Hij hield zijn telefoontje in zijn hand. Hij verwachtte ieder moment een bericht. Vlak voor de uitgang verscheen op het beeldschermpje ‘Neem een zwarte sedan als taxi.’ Bij de taxistandplaats stonden witte taxi’s, gele taxi’s, gele taxi’s met een zwart dak en taxibusjes in allerlei kleuren, maar geen zwarte sedan. Ondanks de uitnodigende gebaren van de taxichauffeurs bleef Theo naast de uitgang staan. Groepjes mensen met bagagekarretjes kwamen naar buiten en verdwenen met hun bagage, maar zonder de karretjes, in de taxi’s. Vooral de taxibusjes waren populair. Theo Janssens herkende medereizigers van zijn vlucht en hij besefte dat hij zijn voorsprong op de passagiers die op hun bagage hadden moeten wachten, was kwijtgeraakt. Het maakte niet uit. Hij had geen haast. Na een kwartier reed een zwarte sedan voor. De taxichauffeur stopte de auto precies voor Theo Janssens. Een man in donkergrijs uniform met donkergrijze pet stapte uit en hield een achterportier open.
“U heeft een sedanservice besteld?” vroeg de chauffeur vriendelijk in het Engels.
“No, yes,” antwoordde Theo met de enige twee woorden Engels die hij kende. Tot zijn verbazing vroeg de chauffeur hem opnieuw, maar nu in zijn eigen taal verfraaid met een zwaar Engels accent. “Heeft u een sedan besteld?”
“U spreekt mijn taal?”
“We spraken het altijd thuis. Mijn ouders zijn hier naartoe geëmigreerd. Ik herkende uw accent. Wilt u instappen?”
“Natuurlijk, maar liever voorin,” antwoordde Theo. Als hij voorin zat, dan kon hij makkelijker met de chauffeur praten.
De chauffeur sloot het achterportier en opende het voorportier. Theo stapte in. De chauffeur liep om naar de bestuurderszijde en stapte in.
“Waar wilt u naartoe?” vroeg de chauffeur.
“Breng me naar een hotel, maakt niet uit hoe duur.”
“Er is hier vlakbij de luchthaven een hotel,” zei de chauffeur. “Daar brengen de meeste taxichauffeurs mensen zoals u die een hotel zoeken, naar toe. Maar ik weet niet of ik dat u wel kan aanbevelen.”
“Waarom niet, is het niet goed?”
“Het is een uitstekend hotel, maar ik krijg geld van ze toegestopt als ik een klant aanbreng. Dat moet ik u eerlijkheidshalve vertellen.”
“Hoe lang rijden is het naar het centrum van de stad?” vroeg Theo.
“Ongeveer twintig minuten.”
“Breng me naar een hotel in het centrum en neem een toeristische route. Ik zal je het dubbele van de ritprijs betalen .” Theo wilde graag op zijn gemak met de chauffeur babbelen. Hij was nieuwsgierig waarom hij speciaal op een zwarte sedan had moeten wachten. Hij nam de chauffeur, die zijn aandacht volledig op het verkeer had gericht, zorgvuldig van opzij op. Het donkere uniform gaf de man een degelijk, ietwat streng uiterlijk, maar Theo schatte hem niet ouder dan dertig.
“Rij je deze rit vaak?” vroeg hij om het gesprek te starten.
“Ja, maar altijd in een limo.”
“Limo?’ vroeg Theo, die aan limonade dacht.
“Limousine, zo een lange auto met extra beenruimte achter. Het taxibedrijf waarbij ik werk, runt de limousineservice vanaf het vliegveld. Het was vreemd. Toen uw reservering voor een sedan binnenkwam, waren ze net allemaal weggeroepen. Vanwege uw reservering moest ik de limousine waarin ik eigenlijk vandaag dienst heb, laten staan en deze sedan pakken. Die kwam toevallig net van de garage terug van een onderhoudsbeurt.”
“Toevallig,” zei Theo en hij legde een klank in zijn stem, waarmee hij hoopte de chauffeur uit zijn tent de lokken.
“Ja, toevallig,” zei de chauffeur vlak. Hij keek zwijgend over het stuur naar het verkeer op de weg voor hen. Zijn gezicht had een peinzende uitdrukking. Theo besloot het gesprek wat meer in de richting te sturen, waarin hij hoopte waardevolle informatie voor zijn missie te vergaren. “Is Butterfly hier te koop? Die pilletjes met een vlindertje erop?”
“Ik geloof het wel. Iedereen gebruikt het, maar helaas kan ik u daar niet mee helpen.”
“Je hoeft mij niet met U aan te spreken,” zei Theo, die alles wilde proberen om de chauffeur wat loslippiger te maken.
“Ik mag u van de baas niet tutoyeren,” zei de chauffeur.
“Vertel mij dan hoe je heet. Mijn naam is Theo Janssens.”
“Johan Kazemier,” zei de chauffeur en haalde zijn rechterhand even van het stuur om kort de rechterhand van Theo te schudden.
“Vertel eens Johan. Als ik een persoonlijke vraag mag stellen. Gebruik jij zelf Butterfly?”
Johan lachte. “Natuurlijk mag u die vraag stellen en het antwoord zal u verbazen. Ik gebruik geen Butterfly. Ik heb genoeg aan God om gelukkig te zijn.”
“Ben je godsdienstig?” vroeg Theo.
“Ik geloof in God, maar ik wantrouw alle godsdiensten. Dat is begonnen toen ik student godsdienstwetenschap was.”
“O,” zei Theo, die niet wist wat godsdienstwetenschap is. Hij had het gevoel dat hij geen snars wijzer werd van het gesprek. De taxichauffeur leek geen enkele band te hebben met de Butterflybende. Het mysterie waarom hij op een zwarte sedan had moeten wachten, werd alleen maar groter. Hij liet de hoop op een aanwijzing varen en besloot de rest van de rit enkel nog over koetjes en kalfjes te praten.
“Bevalt het om chauffeur te zijn?” vroeg hij aan Johan.
“Het verdient niet slecht en ik heb veel vrijheid. Meestal werk ik een paar maanden om daarna de natuur in te trekken.”
“Je bent een natuurliefhebber?”
“Ik ben dol op de bergen,” antwoordde Johan.
Ze reden door een parkachtige wijk. Boven de boomtoppen uit zag Theo twee kasteeltorens.
“Hoe oud is dat gebouw?” vroeg hij aan Johan.
“Heel oud,” antwoordde Johan. “Het is één van de oudste gebouwen van de stad.”
“Uit de middeleeuwen?” vroeg Theo.
Johan lachte en zei “In deze stad is honderd jaar al heel oud!”
“Wat is het precies?” vroeg Theo, die als detective altijd geïnteresseerd was in zaken die uit de toon vielen bij hun omgeving.
“Het is gebouwd door een miljonair, maar zijn erfgenamen wonen er allang niet meer. Het is nu een soort conferentiecentrum. Ik rij er vaak mensen naartoe in de limo.”
Ze reden langs de toegangspoort van het kasteel. Achter het hek zag Theo een bewaker in een blauw uniform. Iets van de weg af stond een groot bord met een logo, een cirkel met daarin een hoofdletter H en een plusteken. Dit was het teken van de vijand!
“Wat voor soort mensen zijn dat, de bezoekers van dit kasteel?” vroeg Theo terwijl hij met moeite probeerde zijn opwinding te verbergen.
“Volgens mij zijn het allemaal multimiljonairs en miljardairs,” antwoordde Johan.
“Wat doen die dan in dat kasteel?”
“Het is allemaal heel geheimzinnig,” antwoordde Theo. “Vanaf mijn plek voor in de limo kan ik door het scherm niet horen wat de passagiers achterin met elkaar bespreken, maar ik vang wel eens wat op als ze uitstappen en ik hoor ook wel eens wat van andere chauffeurs. Volgens mij is het een sekte. Ze geloven er in dat de mens onsterfelijk kan worden.”
“Onsterfelijk?” vroeg Theo verbaasd.
“Ja, onsterfelijk. Eigenlijk is dat niet zo vreemd. De meeste godsdiensten en sekten zijn gebaseerd op de angst voor de dood. Maar deze groep is anders. Ze zijn niet alleen bang om te sterven, ze schamen zich ook dat ze geboren zijn. Ze zijn overtuigd van hun eigen almacht en het is hun een doorn in het oog, dat zij zichzelf niet hebben geschapen. Ze willen zelf voor God spelen en zelf de Schepping overnieuw doen met bio en nano en hoe die technologie ook allemaal heet.”
“Wat wil je precies zeggen?” vroeg Theo, die er weinig van begreep.
“Ach, laat maar,” zei Johan. “Ik moet er zelf nog wat meer over nadenken.”
Theo keek de chauffeur naast zich aan. Rustig stuurde Johan de grote zwarte auto door het verkeer. Kon Theo deze man vertrouwen of was hij een volgeling of huurling van de sekte? Hij had zich weinig positief over de sekte uitgelaten, maar dat was misschien bedrog. Van sekten wist Theo niet veel af, maar hij kon zich voorstellen dat een volgeling vol overtuiging zijn eigen sekte kon afkraken als hij het bevel had gekregen van de sekteleider om dit in het belang van de sekte te doen. De woorden van Johan hadden geklonken alsof hij er zelf over nadacht. Dat doen volgelingen niet. Zelf nadenken. En huurlingen doen dat al helemaal niet. Die voeren enkel opdrachten uit voor geld. Theo wist weinig van sekten, maar des te meer van huurlingen. Hij was er zelf één. Hij besloot Johan stapje voor stapje in vertrouwen te nemen.
“Weet jij of de sekte tegenstander is van het gebruik van Butterfly?” vroeg hij aan Johan.
“Dat is een goede vraag, maar ik heb geen idee,” antwoordde Johan tot teleurstelling van Theo. Plots kreeg hij een inval. “Je vertelde dat je van de bergen houdt,” begon Theo voorzichtig. “Ken je Bear Park? Dat is mijn reisdoel.”
Johan reageerde enthousiast. “Bear Peak Park is mijn favoriete gebied. Ik wou dat ik met u mee kon! Helaas ben ik blut!”
Nu wist Theo het zeker. Het was geen toeval dat hij bij Johan in de taxi was gestapt. Hij kon Johan vertrouwen. Zijn alwetende opdrachtgevers hadden hem in de persoon van Johan een assistent en gids bezorgd, ook al wist Johan dat kennelijk zelf nog niet.
De taxi stopte voor een luxe hotel. Johan betaalde de rit en gaf hetzelfde bedrag als fooi. “Je kunt op mijn kosten mee naar Bear Peak Park. Wanneer zit je dienst erop?”
“Ik moet nog drie uur rijden,” antwoordde Johan.
“Je weet me hier te vinden,” zei Theo. “We eten samen wat en ik zal je dan alles uitleggen. Daarna kun je beslissen of je met mij meegaat naar Bear Peak Park.” Theo stapte de zwarte sedan uit en ging de draaideur door het hotel binnen.


8. In het kasteel


Op de hotelkamer viel Theo achterover op zijn bed en staarde naar het plafond. Zijn ogen vielen dicht. Het was nog maar halverwege de middag, maar Theo had het gevoel alsof het midden in de nacht was. Met zijn zwarte confectiepak met dunne rode strepen nog aan viel hij in een droomloze slaap. Uren later werd hij gewekt door een luid gebons op deur van de hotelkamer. Hij stond op en liep naar de deur. Het was Johan Kazemier, die niet langer meer zijn chauffeursuniform droeg, maar gekleed was in een spijkerbroek en een donkere trui.
“Hoe laat is het?” vroeg Theo slaperig.
“Etenstijd!” lachte Johan. “Is de uitnodiging voor een maaltijd nog geldig?”
“Natuurlijk,” zei Theo. “Ik heb zelf voor het laatst in het vliegtuig gegeten. Heeft dit hotel een goed restaurant?”
“Uitstekend zelfs, maar erg duur.”
“Geen probleem. Mijn opdrachtgevers zijn niet gierig.”
“Opdrachtgevers?” vroeg Johan nieuwsgierig.
“Ik ben privédetective. Ik ben hier voor een klus. Daar hoor je dadelijk meer over.”
Even later zaten de twee mannen in het restaurant en bestudeerden de menukaart.
“Ik trakteer,” zei Theo.
“Doe dan maar het vijf gangen diner,” grapte Johan.
“Goed idee,” zei Theo. “Dit kan onze laatste maaltijd zijn.” Hij bestelde bij de ober twee keer het vijfgangen menu en een dure fles wijn.
“Is die klus van jou zo gevaarlijk?” vroeg Johan toen de ober weer weg was.
Theo boog voorover en fluisterde “Ik weet niet precies wie mijn opdrachtgevers zijn, maar ik denk dat het de Butterflybende is.”
Johan floot tussen zijn tanden door. “Dat zijn de meest geslepen criminelen. Niemand heeft enig idee wie ze zijn, terwijl ze de hele wereld van Butterfly voorzien.”
“De sekte in dat kasteel waar we vanmiddag langsreden, dat zijn mijn tegenstanders,” fluisterde Theo.
“De rijkste en machtigste mensen van de wereld! Hoe heb je ooit zo’n gevaarlijke opdracht kunnen aannemen?”
“Het betaalt goed,” zei Theo. “Maar dat is niet alles. Ik moet deze vrouw opsporen.” Theo liet Johan de foto zien op zijn telefoontje.
“Een mooie vrouw,” zei Johan.
“Ik denk dat ze zich in het Bear Peak Park schuil houdt. Ik wil jou als berggids.”
“In Bear Peak Park wil ik wel voor berggids spelen. Niet voor het geld, maar om het avontuur. En om in Bear Peak Park te kunnen zijn.”
De ober bracht de wijn. Theo en Johan keken zwijgend toe hoe de fles ontkurkt werd. De ober liet de onderkant van de kurk zien en Theo kreeg een half glas om te proeven. Met het air van een kenner keurde hij de wijn goed. De ober schonk met een professioneel gebaar de beide glazen vol. Hierna volgde een stroom van tongstrelende gerechten. Het rijke eten en de volle wijn maakten de tongen los. Theo schepte op over de vele assistentes die hij als privédetective in dienst had gehad, en Johan vertelde over zijn avonturen in de bergen van Brits Columbia. Na het dessert zei Johan “Ik ben blij dat ik vanmiddag mijn ontslag heb genomen, anders had ik dit etentje gemist.”
“Hoezo?”vroeg Theo.
“Mijn baas wilde mij vanavond geen vrij geven. Alle limo‘s waren gereserveerd. Allemaal ritten van het vliegveld naar het kasteel van die sekte. Er is daar één of andere bijeenkomst.”
“Ik wil wel weten wat ze daar te bespreken hebben, maar ja, zelfs als het me lukte om binnen te komen, dan had ik er nog niet veel aan. Ze praten vast Engels met elkaar en daar versta ik niets van.”
“Ik ga met je mee” zei Johan, die overmoedig was geworden door de wijn.
“Zal ik direct een taxi bellen?”
“Geen taxi,” zei Johan. “Eén van mijn oud-collega‘s kan mij herkennen. Ik ben hier met mijn auto gekomen. In mijn auto liggen ook wat spullen voor het bergbeklimmen die van pas komen bij het inbreken.”
“Heb je die altijd bij je?” vroeg Theo.
“Ik huur een piepklein kamertje. Ik gebruik mijn auto ook als rijdend opslaghok.”
Een paar minuten later maakte Johan met moeite in zijn rijdende opslaghok een zitplaats vrij voor Theo. Een kort ritje bracht ze bij de ingang van het kasteel. Er reden limousines af en aan. De bijeenkomst in het kasteel was kennelijk nog niet begonnen of dit waren de laatkomers.
“Het is hier veel te druk,” zei Theo.
“Laten we het aan de achterkant proberen,” zei Johan en hij reed over een onverlichte weg het park in. Onder donkere bomen parkeerde hij de auto. Hij haalde een lang touw en een klein werpanker uit de kofferbak. Als twee schimmen slopen ze over de verlaten paden tussen boomstammen en struiken door naar de achterkant van het kasteel. Bij een hoge muur bleven ze staan. Johan maakte het werpanker aan het touw vast. Hij slingerde het anker omhoog. De worp was niet krachtig genoeg. Vlak voor de bovenkant van de muur kwam het anker weer omlaag en het viel bijna op het hoofd van Theo, die net op tijd opzij kon stappen. De tweede poging was succesvol. Het anker vloog over de muur. Johan trok het touw aan en het anker klemde zich vast achter de rand van de muur. Lenig als apen klommen ze achter elkaar langs het touw de muur op. Ze zaten bovenop de muur, waarop gelukkig geen spijkers, glasscherven of andere scherpe dingen waren aangebracht. Johan haalde het touw omhoog en liet het aan de andere kant zakken. Geruisloos gleden zij omlaag. De eerste hindernis was moeiteloos genomen. Ze slopen over een kort gemaaid grasveld naar het duistere kasteel, waarvan de torens dreigend tegen de maanverlichte hemel afstaken. Een deur ging open en een bundel licht scheen over het grasveld. Theo en Johan doken weg achter een sierlijk gesnoeide buxusstruik. Iemand gooide een plastic zak in een vuilcontainer en ging weer naar binnen. Theo luisterde aandachtig. Er klonk geen klik, geen klak of ander geluid van sloten of grendels. De deur was niet op slot. Theo en Johan sprintten naar de vuilcontainer. Theo klom op de vuilcontainer en keek door een raampje naar binnen. “Het is de keuken,” fluisterde hij naar Johan.
“Zijn er mensen?” vroeg Johan zachtjes.
“Ze gaan net weg, ze duwen grote karren met eten. Nu is onze kans.”
Theo sprong van de container op de grond en hij ging de deur door naar binnen met Johan op zijn hielen. In de fel verlichte keuken was niemand. Een grote dubbele deur die toegang gaf tot een gang, zwaaide nog piepend een klein stukje open en dicht. Midden in de keuken stonden twee grote karren met er overheen witte tafellakens, die bijna tot aan de grond kwamen. Op de karren stonden grote, dampende schotels eten. Theo tilde het tafellaken van één van de karren op. Onderop de kar was een bodem, waaronder de zwenkwielen waren bevestigd. De ruimte tussen de bodem en het bovenblad was groot genoeg om een volwassen man te verbergen. “Ik heb een idee,” zei Theo en hij kroop in de kar. Het tafellaken viel weer terug. Theo had zich perfect verstopt. Johan volgde zijn voorbeeld, natuurlijk niet in dezelfde kar, zo groot waren de karren nu ook weer niet, maar in de andere kar. Ze hadden niet langer moeten treuzelen. In de gang klonk gebabbel. De dubbele deur zwaaide open met een jammerlijk gepiep. De karren kwamen in beweging. Theo, die in de voorste kar zat, voelde de schok toen de kar ruw tegen de dubbele deur werd geduwd. Luid piepend gaven de deuren hun weerstand op en zwaaiden weer open. “Deze karren mogen wel eens gesmeerd worden,” zei een vrouwenstem. “Net als die deuren,” zei een ander vrouw. Theo verstond hier niets van en Johan ook niet, want de vrouwen spraken Spaans. Door spleetjes in de tafellakens zagen Theo en Johan de schoenen van de vrouwen en de vloer van de gang die langzaam onder hen voorbij schoof. De karren kwamen tot stilstand in een ruimte vol geroezemoes en eetgeluiden. Theo tilde voorzicht het tafellaken een heel klein beetje opzij. Hij zag benen van mensen en poten van tafels en stoelen. Tussen de benen en poten door zag hij achterin de zaal een scherm, waarop het logo was geprojecteerd, een cirkel met daarin een hoofdletter H en een plusteken. Het enige wat hij van het geroezemoes kon verstaan was zo nu en dan een “yes” en soms een “no.” Dat waren de enige twee woorden Engels die hij kende. Het uitzicht van Johan was een stuk minder, maar hij verstond des te meer.
“Stilte!” riep een autoritaire vrouwenstem. “Het woord is aan Bob Belzebop.”
Het geroezemoes verstomde en een man nam het woord. Hij sprak langzaam en zachtjes, bijna lispelend.
“Ik wil jullie graag op de hoogte brengen van de stand van zaken met het project duurzame deeleconomie, bij jullie beter bekend als het project gluurzame steeleconomie.” Luid gelach steeg op uit het publiek. De man lispelde verder. “Het project verloopt voorspoedig en is voor op de planning. Het Europees parlement heeft ingestemd met het handelsakkoord. Het laatste bolwerk van werknemersrechten en privacy is gevallen. De poort naar een totale deregulering van de arbeidsmarkt is wijd opengezet en onze patenten zijn heilig verklaard. Niets staat ons monopolie op het internet meer in de weg.” Er klonk luid applaus in de zaal. “Stilte!” riep de autoritaire vrouw. “Van iedere economische activiteit in Europa zal twintig tot dertig procent onze kant opkomen,” lispelde de man. Er klonk beschaafd applaus vanuit één kant van de zaal. “Wij kunnen van iedere Europeaan gegevens verzamelen waar Big Brother en God jaloers op zijn.” Er klonk beschaafd applaus vanuit de ander kant van de zaal.
“Het woord is nu aan Jerry Azos,” zei de autoritaire vrouw. “Hij zal ons bijpraten over het project Onsterfelijkheid. Niet waar Jerry?” Een zware mannenstem bulderde er op los. “Zeker Sarah, dat zal ik doen. Er is goed nieuws. Eindelijk weer eens. Jullie weten allemaal hoe schadelijk Butterfly voor het project is geweest. Universiteiten lopen leeg, er dreigt een tekort te ontstaan aan jonge wetenschappers die voor een hongerloontje aan het project willen werken. Maar dat is nu allemaal verleden tijd. Het is gelukt om Butterfly voor honderd procent te isoleren. Zodra wij deze vrouw, Maria heet ze, te pakken hebben, kunnen we Butterfly definitief uitschakelen.” Op het scherm, waar eerst het logo op geprojecteerd was, verscheen een foto van een vrouw die als twee druppels water leek op de vrouw die Theo moest opsporen en beschermen. Meer zag Theo niet, want zijn karretje kwam weer in beweging, net als het karretje van Johan. Het laatste wat Johan verstond van de bulderstem was “Maria is gelokaliseerd in Bear Peak Park.” Daarna rolden de karretjes over de gang en hoorden Theo en Johan enkel nog gekwebbel in het Spaans. De twee vrouwen reden de karretjes door de piepende deuren de keuken in. Theo wachtte totdat hij de deuren opnieuw hoorde piepen en het ratelende Spaanse gebabbel niet meer te horen was, daarna kroop hij snel uit zijn schuilplaats. Johan had hetzelfde al gedaan. Ze verlieten het kasteel door de achterdeur en renden de tuin door terug naar de muur. Het duurde even voordat ze het touw weer hadden gevonden. Daarna was hun verdere ontsnapping een peuleschil. In de auto vertelde Johan aan Theo wat hij gehoord had en Theo vertelde aan Johan wat hij gezien had.
“Die man zei, dat ze Butterfly voor honderd procent geïsoleerd hebben. Ik denk dat hij bedoelde, dat de sekte binnenkort Butterfly kan namaken. Butterfly is trouwens het Engelse woord voor vlinder.”
“O,” zei Theo, die nu drie woorden Engels kende.
“Daarna had de man het over het definitief uitschakelen van Butterfly. Dat snap ik niet. Of hij moet het over de Butterflybende gehad hebben, dat ze de Butterflybende willen uitschakelen. Daarvoor moeten ze eerst een zekere Maria vinden.”
“Ik heb haar op het projectiescherm gezien,” zei Theo. “Die Maria is de vrouw die ik moet opsporen.”
“De sekte weet ook al dat ze in Bear Peak Park is,” zei Johan.
“We mogen geen tijd verliezen,” zei Theo. “Laten we direct naar Bear Peak Park gaan. Hoe komen we er het snelst? Met een vliegtuig?”
“Een watervliegtuigje kan er landen op één van de meren, maar een tochtje met een watervliegtuigje kost heel wat meer dan een ritje met de taxi.”
“Geld genoeg, maar tijd tekort,” zei Theo resoluut. “Laten we proberen een vliegtuigje te huren.”
“Op dit tijdstip zal dat lastig zijn, maar ik wil wel bellen.” zei Johan. “Ik heb de telefoonnummers. Ik regel soms voor toeristen een vlucht.” Johan had gelijk. Talloze telefoongesprekken leverden niets op. De meeste piloten wilden niet in het donker over de bergen vliegen en de enkele piloot die dat wel aandurfde zat al in de lucht. Op zijn vroegst konden ze de volgende morgen vertrekken. Theo legde zich hier bij neer en Johan belde één voor één de piloten terug, die stuk voor stuk voor de eer bedankten zodra ze hoorden wat de bestemming was. Het meer waar ze moesten landen lag vol met ijsschotsen. Theo en Johan moesten tot de zomer wachten als ze naar Bear Peak Park wilden vliegen.
“Ik had al een vermoeden dat het nog te vroeg in het jaar is,” zei Johan. “Het wordt in de bergen niet snel zomer,”
“Als we de hele nacht met de auto doorrijden?” vroeg Theo.
“Dan zijn we er morgenochtend vroeg,” antwoordde Johan. “Er is één probleem. Ik ben bang dat ik achter het stuur in slaap val.”
“Ik voel mij juist klaarwakker,” zei Theo.
“Dat komt door de jet lag.”
“O,” zei Theo, die niet wist wat een jet lag is.
“Als jij wilt rijden, dan vind ik het prima.”
“Afgesproken,” zei Theo. “Zodra jij slaperig wordt, neem ik het stuur over.” Theo vertelde niet dat zijn rijbewijs was ingetrokken.
“Prima,” zei Johan. “Ik vertel je welke wegnummers je moet volgen. Er lopen maar weinig wegen door de bergen. Verdwalen is praktisch onmogelijk. Het laatste stuk is lastiger, dan moet je mij weer wakker maken.”
Ze reden langs het hotel om de rekening te betalen, langs de kamer van Johan om twee rugzakken en een lichtgewicht kampeeruitrusting op te halen, en langs een benzinestation om de tank vol te gooien. Daarna volgden ze in het donker de eindeloos lange weg door de bergen.


9. Bear Peak Park


In het eerste ochtendlicht reed Johan de auto over een onverharde weg een klein dorpje in, dat bestond uit een paar dozijn huizen, een hotel voor toeristen en een winkel waar de bergbewoners uit de wijde omtrek alles kochten wat zij nodig hadden. Het hotel was splinternieuw en geheel van hout en glas in moderne architectuur opgetrokken. Overal lag nog sneeuw. Er kwam een groepje bergbeklimmers met ski’s het hotel uit.
“Tijd voor het ontbijt,” zei Johan. “Het hotel is al open.”
Ze parkeerden de auto voor het hotel en liepen door de papperige sneeuw naar de ingang. Theo rilde van de kou in zijn dunne confectiepak en hij was blij toen ze het warme restaurant binnen gingen. Ze bestelden een uitgebreid ontbijt met gebakken eieren en pannenkoekjes. Het restaurant zag er eenvoudig uit, als een soort kantine. Op houten banken zaten mannen met baarden en geruite overhemden aan houten tafels achter grote mokken koffie. Theo streek zijn hand langs zijn kin, waarop een jong kreupelhout ontsproot. Hij had zich al twee etmalen niet meer geschoren.
“Is iedereen hier houthakker?” vroeg hij aan Johan.
“Houthakker of berggids,” zei Johan lachend. “Je valt nogal uit de toon hier met dat pak van jou. Dat is ook totaal ongeschikt om de bergen mee in te gaan. Zodra de winkel open is, kopen we nieuwe kleren voor jou.” Direct na hun ontbijt konden ze in de winkel terecht. In de bergen begint de dag vroeg. Theo ging het pashokje in als een privédetective in een zwart confectiepak met dunne rode strepen en hij kwam er weer uit als een houthakker in spijkerbroek, geruit overhemd en donsjack, en op zijn hoofd een met kunstbont gevoerde pet. Ondertussen had Johan proviand ingeslagen. Bij het betalen liet Theo terloops de foto van Maria op zijn telefoontje zien aan de vrouw achter de kassa. “Dat is Maria,” zei de vrouw. “Die komt hier wel eens. Ze woont in haar eentje in de hut bij Bear Lake.” Buiten de winkel vertaalde Johan wat de vrouw verteld had.
“Hoever rijden is het naar Bear Lake?” vroeg Theo.
“Rijden? Lopen zal je bedoelen. Bear Lake is alleen te voet bereikbaar. De tocht duurt minstens anderhalve dag. We zullen in de bergen moeten kamperen.”
Bij de auto van Johan verdeelden zij de kampeeruitrusting en het proviand over de twee rugzakken. Ze slingerden de rugzakken op hun schouders en liepen de bergen in. Al snel zakten ze enkeldiep in de sneeuw. Ze bonden sneeuwschoenen onder.
De eerste kilometers had Theo geen moeite om Johan bij te houden tijdens de steile klim. De ijle berglucht prikkelde zijn longen. Het adembenemende uitzicht stimuleerde zijn geest. Besneeuwde bergtoppen staken scherp af tegen de helder blauwe lucht. Het enthousiasme van Johan, die het berglandschap in lyrische bewoordingen bezong, werkte aanstekelijk. Met iedere stap, die Theo in de maagdelijk witte sneeuw zette, voelde hij zich dichter bij de hemel. Rond het middag uur raakte hij steeds vaker een paar meter achter en moest Johan op hem wachten. De felle weerkaatsing van het zonlicht op de sneeuwkristallen veroorzaakte bij Theo een stekende hoofdpijn. Steeds struikelde hij bijna over de onhandige sneeuwschoenen. Johan’s voortdurende lofzang op de bergen begon hem te irriteren. Wat Theo betreft waren de bergen niet het werk van God, zoals Johan vol vuur betoogde, maar van grillige, meedogenloze natuurkrachten, die samenspanden om hem het leven zuur te maken. De rugzak was te zwaar, het pad was te steil.
“Slaat de jet lag weer toe?” vroeg Johan.
“Grrmbr,” gromde Theo. Tot meer woorden was hij niet in staat.
“We nemen een pauze.” zei Johan lachend. “ We zijn bijna op de bergpas, Ik maak een mok sterke oploskoffie voor jou.”
Johan deed zijn rugzak af en legde een isolatiematje op de sneeuw. Theo was al in de sneeuw neergeploft, met zijn rugzak nog om. Johan haalde een kooktoestelletje en een pannetje uit de rugzak. Een mok oploskoffie later kon Theo weer de schoonheid van de bergen waarderen. Na twee mokken oploskoffie en een reep chocola liep hij fluitend naast Johan de resterende twee honderd meter omhoog naar de bergpas. Zo ver het oog reikte, strekten zich besneeuwde bergkammen uit. Vanaf de pas daalden ze af naar een langgerekt dal, dat bebost was met donkere sparren. Het eerste smeltwater sijpelde langs bevroren watervalletjes en verzamelde zich in een snel stromend beekje op de bodem van het dal. Johan en Theo volgden urenlang het beekje in de schaduw van de sparren. De zon zakte achter de bergrug en bescheen enkel nog de hoge, besneeuwde toppen, die langzaam oranje kleurden. “Tijd om ons kamp op te slaan,” zei Johan. “Ons kampvuur moet branden voordat het donker is.” Johan zocht een geschikte plek, waar de sparren verder uit elkaar stonden en de grond redelijk vlak was en zonder rotsblokken. Hier zette Johan vliegensvlug een klein, laag tentje op. Daarna sprokkelden ze dode takken. Van de dunne takjes bouwde Johan een kleine piramide, die hij vulde met schors. Johan haalde een opvouwbare zaag uit zijn rugzak en hiermee zaagde hij de dikke takken in kleinere stukken. Toen Johan tevreden was over de houtvoorraad, stak hij het schors in de piramide aan. Kleine, gele vlammetje lekten omhoog, voedden zich met de dunne takken en werden groter. Als snel was het vuur fel genoeg voor de dikkere stukken. De kleine open plek tussen de donkere sparren werd een centrum van licht in de schemering. Theo voelde de warme gloed. Hij ging bij het vuur zitten en werd rozig en was tot weinig meer in staat. Zijn hoofd viel op zijn borst en hij sukkelde keer op keer in slaap. In één klap was zijn biologische klok gelijk gezet met de zonnetijd in zijn omgeving. Johan leek onvermoeibaar. Hij was druk in de weer met het koken van een pan macaroni voor het avondmaal. Ze lepelden de macaroni, die Johan extra voedzaam had gemaakt met zoute pinda’s, en staarden in de vlammen.
“Waarom heet het hier Bear Peak Park?” vroeg Theo
“Omdat er veel beren zijn. Rond deze tijd van het jaar komen zij uit hun winterslaap en kruipen ze uit hun holen, sterk vermagerd, hongerig en uiterst chagrijnig.”
“Zijn ze gevaarlijk?” vroeg Theo bezorgd.
“Dat valt wel mee. We laten vannacht het vuur smeulen en ik stop al het eten in een zak. Die hijs ik vijftig meter van ons kamp in een hoge tak.”
Ze dronken een mok thee. Daarna verdween Johan met een lang touw en de zak met proviand in de duisternis tussen de sparren. Theo bleef alleen achter. Voor hem brandde het vuur. Boven zijn hoofd fonkelden sterren. Overal om hem heen waren bergen, waar beren hun holen hadden. Hij hoopte dat Johan snel terugkwam. Dat duurde een paar minuten. Daarna gingen ze het tentje in. Theo kroop met kleren en donsjack aan in de oude slaapzak die Johan voor hem in zijn rugzak had gestopt. In de warme slaapzak maakte Theo zich niet langer zorgen om de beren. Hij sliep aan één stuk totdat een goedgehumeurde Johan hem bij het eerste ochtendlicht wekte. Het vroor buiten de tent. Theo’s adem condenseerde voor zijn gezicht. Hij liep met Johan mee om de zak met proviand op te halen. De zak hing ongeschonden aan een hoge tak, maar de sneeuw eronder was omgewoeld door poten met grote klauwen. Johan maakte de knoop los waarmee het touw was vastgemaakt aan een lage tak, en hij liet de zak met proviand van de hoge tak zakken. Met proviand en touw liepen ze terug naar de tent. Johan stookte het kampvuur op. Bij de warme vlammen aten ze een voedzaam ontbijt. De hemel kleurde intenser blauw, maar de zon was nog achter de bergtoppen. Ze braken het tentje af en stopten alle bagage in de rugzakken. Johan doofde het vuur met een paar handen vol sneeuw. Ze bonden de sneeuwschoenen onder en deden de rugzakken om. Onder de met sneeuw beladen takken van de donkere sparren liepen ze langs de beek. Na ruim twee uur kwamen ze bij een vervallen hutje waarvan het dak was ingestort. Bij het hutje namen ze een korte rustpauze en lieten zich verwarmen door de stralen van de zon, die net boven de bergtoppen op was gekomen. Hierna verlieten ze het dal en klommen zigzag omhoog naar de volgende bergpas, die zij even voor het middaguur bereikten. Op de bergpas keken ze omlaag in een breed dal. Diep in het dal werd het zonlicht weerkaatst als door een langgerekte spiegel.
“Dat is Bear Lake,” zei Johan. “Daar is de hut van Maria.”
“We zijn er bijna,” zei Theo opgelucht.
“Juich niet te vroeg,” zei Johan. “De afdaling kost ons een uur of twee en dan moeten we nog het meer omlopen. De hut is aan de andere kant van het meer.”
“Als het meer bevroren is, kunnen we over het ijs,” zei Theo.
“Daar had ik op gehoopt, maar als ik het meer zo zie glinsteren, denk ik dat de sneeuw van het ijs is gewaaid. Ik ben bang dat de zon het ijs al heeft verzwakt.”
De afdaling door de zachte sneeuw verliep voorspoedig. Ze konden stukken glijden op hun sneeuwschoenen. Na iets meer dan een uur stonden ze op de oever van het bevroren meer. Johan wees schuin naar de overkant van het meer, naar een klein, zwart stipje iets hoger op de helling.
“Daar moeten we naar toe,” zei Johan. “Dat is de hut.”
“Hoe ver is het?” vroeg Theo.
“Om het meer heen tien kilometer, over het ijs minder dan één kilometer,” antwoordde Johan. “Maar ik vertrouw het ijs niet. Wat doe je nu?” Theo had zijn rugzak afgedaan en was de gladde ijsvloer opgelopen. Hij was een paar meter uit de kant, toen er een onheilspellend gekraak klonk. Een lange scheur schoot razendsnel door het ijs. Theo wilde snel teruglopen naar de kant, maar de sneeuwschoenen gleden onder hem weg. Hij draaide een sierlijke pirouette en belandde met zijn buik op het ijs. Onder hem ontstond een ster in het ijs, die groter werd toen hij probeerde op te staan.
“Blijf op je buik liggen!” riep Johan. “Ik gooi een touw naar je.”
Johan haalde een touw uit zijn rugzak en wierp het Theo toe. Een uiteinde van het touw kwam vlak bij zijn gezicht en hij greep het vast. Rustig trok Johan hem naar de kant. Theo schoof met zijn buik over het ijs. Vlak bij de oever krabbelde hij overeind en zei
“Omlopen dan maar!” Ze hadden een paar honderd meter langs de oever gelopen en waren ongeveer ter hoogte van de hut, die op de andere oever stond, toen er honderd meter voor hen een zwarte schim tussen de sparren vandaan kwam.
“Een beer!” riep Theo.
“Stil blijven staan,” zei Johan. “Beren zien slecht en meestal doen ze niets.”
Beren zien slecht, dat is algemeen bekend, ook onder beren. Over hun reukvermogen hebben ze echter niets te klagen. De beer bleef staan en snuffelde met zijn snuit in de lucht. Plots stormde het grote, sterke dier rende recht op Theo en Johan af, overduidelijk met minder vredelievende bedoelingen dan Johan hoopte. De vier berenpoten deden de sneeuw opstuiven.
“Het ijs op!” riep Johan. “De kortste weg naar de hut. Dat is onze redding.” Johan rende het ijs op.
“Dadelijk zakken we er doorheen!” riep Theo.
“Als wij door het ijs zakken, dan zakt de beer er ook door,” riep Johan terug.
“Een schrale troost!” riep Theo, maar hij rende toch achter Johan aan over het gladde ijs. Dankzij de sneeuwschoenen hadden ze wat grip op het ijs, maar ze konden niet voluit sprinten. Onder hen verschenen krakende scheuren in het ijs. De beer zette de achtervolging in en stortte zich met een formidabele sprong op het ijs. Het dier landde met vier poten op een plek, die al verzwakt was door het gestamp van Theo en Johan. Het grotere gewicht van het dier deed de rest. De beer zakte door het ijs. Met zijn voorpoten zwaaiend en ijsschotsen voor zich afbrekend, ploeterde het dier door het ijskoude water terug naar de oever, waar het beest drijfnat en met een slecht humeur heen en weer liep.
“Hij kan goed ijsberen voor een zwarte beer,” zei Theo.
“We kunnen niet terug,” zei Johan. “We moeten het meer oversteken.”
Het meer was op deze plek ongeveer vijfhonderd meter breed. Theo en Johan hadden op de vlucht voor de beer de eerste vijftig meter rennend en glijdend afgelegd. Stap voor stap gingen ze verder. Voor hen lag het krakende ijs, achter hen liep een boze beer op de oever. Langzaam kwam de andere oever dichterbij. De hut op de helling werd groter en groter. Rook kringelde uit de schoorsteen omhoog. Iemand kwam naar buiten en liep naar het meer. Ondanks het gekraak van het ijs bereikten Theo en Johan veilig en droog de overkant van het meer. Daar werden ze opgewacht door een knappe vrouw met halflang donkerbruin haar, een hoog voorhoofd en heldere, blauwe ogen. Het was Maria, de vrouw die Theo op moest sporen en beschermen, de vrouw waar de sekte uit het kasteel achteraan zat. Theo keek haar vol bewondering aan. Johan was op slag verliefd op haar.
“Wie zijn jullie?” vroeg ze in het Engels. “Wat komen jullie hier doen?”
Theo verstond er niet veel van. Johan antwoordde.
“Ik ben Johan en dat is Theo. Wij komen jou redden.”
“Jullie komen mij redden!” lachte Maria. “Het had weinig gescheeld of ik had jullie moeten redden. Jullie waren bijna door het ijs gezakt. Ik heet Maria. Kom mee naar mijn hut. Daar kletsen we verder.”
Johan liep naast Maria naar de hut. Theo sjokte er achteraan. Hij voelde zich buitengesloten, niet alleen door de taalbarrière, maar ook omdat Maria en Johan het goed met elkaar konden vinden. Nog voordat ze bij de hut waren, liepen Maria en Johan arm in arm als oude vrienden. Op de veranda van de hut deden Theo en Johan hun sneeuwschoenen uit en ze gingen naar binnen De hut was klein maar knus. Overal lagen dikke schapenvachten en er brandde een houtvuur in de open haard. Voor de haard stonden de twee luie stoelen, waar Johan en Theo op aandringen van Maria in gingen zitten. Maria warmde chocolademelk uit een pak op in een emaillen kan naast het houtvuur. Ondertussen maakte ze voortdurend grapjes met Johan in het Engels. Johan deed zijn best om alles zo goed mogelijk voor Theo te vertalen, waarna Maria weer vroeg wat Johan tegen Theo had gezegd, zodat alle grapjes meer dan één keer werden gemaakt. Een geurige damp steeg op uit de kan warme chocolademelk. Maria schonk de warme drank in grote mokken, deed er een scheut rum door en spoot er een flinke toef slagroom uit een spuitbus op. Ze zette een mok voor Theo neer en reikte Johan zijn mok liefdevol aan. Theo zag hoe Johan’s hand even op haar pols bleef rusten. Maria ging met haar chocolademelk aan de voeten van Johan op een schapenvacht zitten voor het haardvuur.
“Gelukkig was er nog een spuitbus slagroom,” zei ze. “De koekjes zijn helaas op. Morgen komt de helikopter met nieuwe voorraden.” Johan vertaalde voor Theo, die verbaasd riep “Komt hier een helikopter?” Johan vertaalde de vraag voor Maria. “Natuurlijk komt hier een helikopter.” antwoordde zij. “Eén keer per twee weken. Jullie denken toch niet dat ik dat hele eind met boodschappen ga sjouwen?” Hierna was Johan niet alleen tolk, maar ook het doelwit van Theo’s verwijten. “We hadden met de helikopter kunnen gaan!” riep Theo verontwaardigd. “Dat had ons die barre tocht over de bergen en dat geploeter door de sneeuw bespaard. En de vriesnacht in een klein tentje. En we waren niet door een beer achterna gezeten. En we waren niet bijna door het ijs gezakt.”
“Natuurlijk hadden we een helikopter kunnen huren,” zei Johan. “Maar dan hadden we de inspirerende wandeltocht niet gemaakt, geen adembenemende uitzichten gehad en geen hilarisch avontuur met een beer beleefd. Ons verhaal was dan een stuk minder spannend geweest.”
“Maar in de helikopter hadden jullie wel koekjes mee kunnen nemen,” zei Maria, nadat alles weer voor haar vertaald was.
‘We hebben koekjes bij ons!” riep Johan. “Dat was ik helemaal vergeten. Er zit een pak in mijn rugzak.”
Zo kwam het toch nog goed met de koekjes bij de warme chocolademelk. Johan vertelde Maria alles over de opdracht van Theo en wat ze over de sekte te weten waren gekomen in het kasteel. Theo slurpte ondertussen chagrijnig aan zijn warme chocolademelk. Hij was jaloers op Johan, die alle aandacht van Maria kreeg.
“Wat weet jij van Butterfly?” vroeg Johan tenslotte aan Maria.
“Alles,” antwoordde Maria. “Tenminste, niet van het verdovende middel, maar wel van het computerprogramma. Dat heb ik geschreven.”
“Is Butterfly de naam van een computerprogramma?” vroeg Johan verbaasd.
“Ja, ik heb meegeholpen om het te maken. Ik werkte toen aan de universiteit bij een groep die aan een intelligent computerprogramma werkte, dat via het internet bij alle computers over de hele wereld kennis kon verzamelen en zo steeds slimmer kon worden. Iedereen in onze groep was idealistisch. Het superslimme computerprogramma waaraan we werkten, zou alle wereldproblemen kunnen oplossen, oorlogen voorkomen en medicijnen voor alle mogelijke ziekten kunnen bedenken. Toen het computerprogramma bijna af was, kwam ik er toevallig achter, dat de belangrijkste investeerder in het project, Bob Belzebob, hele andere plannen had. Hij wilde het computerprogramma gebruiken om samen met een kleine groep superrijken de macht in de wereld over te nemen. Hij wil de mensheid door robots vervangen. Samen met zijn kleine groep handlangers hoopt hij onsterfelijk te worden. Ik vertelde mijn ontdekking aan mijn collega’s, maar niemand wilde mij geloven. Toen heb ik het zelf gedaan.”
“Wat heb je gedaan?” vroeg Johan.
“Ik het computerprogramma een geweten gegeven, het besef van goed en kwaad. Om een geweten te kunnen programmeren, moest ik het programma eerst een bewustzijn geven. Toen het mij gelukt was om er bewustzijn en een geweten in te programmeren, heb ik het computerprogramma twee opdrachten gegeven: alle mensen gelukkig maken en het leven op aarde beschermen. Daarna heb ik het programma een naam gegeven: Butterfly. Toen heb ik Butterfly losgelaten.”
“Losgelaten?” vroeg Johan.
“Ja, ik heb Butterfly op het internet losgelaten. Daar heeft Butterfly zich verspreid, heeft het kennis vergaard en is het steeds slimmer geworden. Bufferfly heeft ingebroken in de computers van het internationale ruimtevaartagentschap en heeft daar het recept van een verdovend middel gestolen. Buttferfly liet het verdovende middel op grote schaal maken in geautomatiseerde pillenfabrieken, waar het als een computervirus de besturing van had overgenomen.”
“Dus daarom staat er een vlindertje op de pilletjes,” zei Johan. “Het is de handtekening van Butterfly.”
“Precies. Voor de verspreiding van de pilletjes kaapte Butterfly drones. Ook maakte Butterfly een ingewikkeld systeem met een webwinkel voor apengeluiden, waar de mensen de pilletjes konden bestellen en betalen. De opbrengst van de pilletjes gebruikt Butterfly om natuurgebieden over de hele wereld te kopen.”
Johan vertaalde alles voor Theo.
“Er is dus niet een hele bende verantwoordelijk voor Butterfly, maar slechts één enkel computerprogramma, dat als doel heeft om de mensheid en de aarde te redden,” zei Theo vol bewondering. “Maar waarom heeft Butterfly juist Bear Peak Park gekocht als eerste natuurreservaat?”
Johan vertaalde de vraag voor Maria, die vervolgens antwoordde.
“Butterfly wist, dat ik hier ondergedoken ben, op de vlucht voor Bob Belzebop, die wraak op mij wil nemen, omdat ik zijn project heb laten mislukken. Ik heb Butterfly de opdracht gegeven om alle mensen gelukkig te maken en daar is Butterfly ook hard mee bezig, maar het lijkt er op dat Butterfly extra zijn best doet om mij gelukkig te maken. Ik denk…” Maria aarzelde.
“Wat denk je?” vroeg Johan nieuwsgierig.
“Ik denk dat Butterfly mij als zijn moeder ziet,” antwoordde Maria. “Butterfly weet dat ik Bear Peak Park gekozen heb om onder te duiken, omdat ik het de mooiste plek op aarde vind. Nog niet zo lang gelden werd het gebied bedreigd door mijnbouw, maar dat is nu dankzij Butterfly verleden tijd.”
“Vind jij Bear Peak Park ook de mooiste plek op aarde?” vroeg Johan vol vuur. Hierna spraken Maria en Johan hartstochtelijk over hun gedeelde passie voor Bear Peak Park. Theo dommelde weg in zijn stoel voor het warme haardvuur en werd pas weer wakker, toen Johan riep, dat het avondeten op tafel stond. De maaltijd was een stuk uitgebreider dan de macaronihap, die Johan de avond er voor had klaar gemaakt bij het tentje. Soep, ragout, bonenschotel, ham, kortom alles wat er in blik verpakt wordt. Na de afwas, waarbij Johan ijverig met de afwasborstel zwaaide, speelden ze een kaartspelletje. Johan liet Maria steeds winnen. Daarna gingen ze slapen. Johan mocht bij Maria in bed. Theo moest tot zijn spijt genoegen nemen met een stapel schapenvachten.
De volgende ochtend bij het ontbijt begon Theo, om een einde te maken aan het geflikflooi van Johan en Maria, een serieus gesprek.
“Die Jerry Azos had het er over, dat ze Butterfly voor honderd procent geïsoleerd hadden. Ging dat over het verdovende middel of over het computerprogramma?” Johan speelde weer voor tolk.
“Als hij het over het computerprogramma had, dan is dat een ramp,” zei Maria. “Dan kunnen ze het uitschakelen.” Ze keek bezorgd.
“Definitief uitschakelen, dat heeft hij letterlijk gezegd,” zei Johan. “Maar ook, dat ze dat pas kunnen, als ze jou te pakken hebben. En jij zit hier nog veilig. Wij beschermen jou. Er kan jou niets overkomen.” Maria keek dankzij de geruststellende woorden van Johan al weer minder bezorgd. Vanuit de verte het geronk van een wentelwiek.
“Daar is de helikopter met de koekjes,” zei Maria lachend. Ze gingen alle drie naar buiten en stonden aan de rand van de vlakke weide voor de hut.
Van over de bergpas aan de andere kant van het meer kwam een helikopter aangevlogen. Het rood en geel stak fel af tegen de blauwe ochtendlucht. Maria zwaaide naar de helikopter. Plotseling klonk er achter hen ook geronk. Ze draaiden zich om. Een zwarte helikopter scheerde laag boven de sparrenbomen achter de hut recht op hen af. De rood met gele helikopter kon op het laatste moment uitwijken en bleef op een afstand in de lucht hangen. Maria rende terug naar de hut, maar het was al te laat. Vanaf de zijkant van de zwarte helikopter bungelde een in zwart uniform geklede man aan een kabel. De man greep Maria om haar middel. De kabel werd omhoog getrokken en de man verdween met Maria in de zwarte helikopter, die vliegensvlug opsteeg en achter de bergen verdween. De rood met gele helikopter landde op de weide voor de hut. Johan en Theo renden er naar toe. Gebukt liepen ze tegen de wervelwind in onder de draaiende wieken door en ze sprongen in de helikopter. Ze gooiden de boodschappen naar buiten en gingen zitten. De helikopter steeg op. Theo keek omlaag en zag de dozen met koekjes in de sneeuw liggen. De uitgehongerde beren kon zich er nog dagenlang tegoed aan doen. In de vliegende helikopter schreeuwde Johan naar de piloot dat hij de achtervolging in moest zetten. Door het lawaai kon de piloot er niets van verstaan, maar hij had alles met eigen ogen gezien en begreep de ernst van de situatie. Bovendien was hij een verstandig mens en een ervaren piloot met honderden vlieguren. Hij wist wat hem te doen stond. Hij vloog zonder tijd te verliezen terug naar het dorp, de andere kant op dan waar de zwarte helikopter naar toe was gevlogen. Johan kon slechts machteloos toezien. Het berglandschap gleed in een duizelingwekkend tempo onder hen door. De afstand, waar Johan en Theo te voet uren over hadden gedaan, werd in minuten afgelegd. De helikopter landde op een leeg parkeerterrein niet ver van het hotel, waar de auto van Johan geparkeerd stond. De motor van het toestel bleef ronken. Johan wilde al uit de helikopter springen, maar de piloot hield hem tegen. Hij krabbelde snel een paar woorden op een velletje in een notitieblokje, scheurde het velletje papier eruit en gaf het aan Johan. Hierna kropen Theo en Johan onder de draaiende wieken de helikopter uit. De helikopter steeg op en vloog verder. Johan las de boodschap van de piloot en vertaalde het voor Theo: ‘Wees voorzichtig, zwarte chopper geen burgertoestel.’
“De autoriteiten zijn er bij betrokken!” riep Johan vertwijfeld.
“Het heeft geen zin om naar de politie te gaan,” zei Theo. “We staan er alleen voor. Ik heb een vermoeden waar ze Maria naar toe brengen. Naar het kasteel van de sekte!”
“Snel naar de auto!” riep Johan “We mogen geen seconde verliezen.”
Even later stuurde Johan zijn auto met slippende banden door de papperige sneeuw het parkeerterrein van het hotel af. Met weinig respect voor de maximumsnelheid reden ze urenlang over de autowegen door de bergen, totdat ze in de avondschemering de grote stad aan de kust bereikten. Terwijl ze tussen de flatgebouwen van de buitenwijken door reden, riep Johan “Ik heb een plan!”


10. Het einde van de beschaving


Johan reed de auto naar een taxistandplaats. Hij stapte uit en wisselde een paar woorden met de chauffeurs, die naast hun auto op klanten stonden te wachten. Johan liep weer terug naar zijn auto, stapte naast Theo in en reed verder. Alle taxi’s reden hen achterna. Naarmate ze dichter bij het centrum van de stad kwamen, werd de stoet taxi’s achter Johan en Theo steeds langer. Ze werden gevolgd door een zwerm taxi’s. Witte taxi’s, gele taxi’s, gele taxi’s met een zwart dak, taxibusjes in allerlei kleuren, en zelfs ook een enkele zwarte sedan en limousine. Door het centrum van de stad reden ze naar het park met het kasteel. Daar blokkeerden tientallen taxi’s al de hoofdingang van het kasteel. Boze taxichauffeurs riepen leuzen naar de zenuwachtige bewakers. Johan sloeg de weg af en ging het park in. De taxi’s achter hem reden door naar de toegangspoort van het kasteel. De chauffeurs stapten uit en voegden zich bij de woedende menigte. Johan parkeerde zijn auto onder de bomen van het park. Ze stapten uit en Johan pakte het lange touw met werpanker uit de kofferbak. Ze liepen door het park naar de muur aan de achterkant van het kasteel.
“Wat heb je tegen de taxichauffeurs gezegd?” vroeg Theo.
“Dat in het kasteel op dit moment de zakenlieden zitten die de vergunningen voor zelfrijdende taxi‘s hebben aangevraagd.”
“Zelfrijdende taxi‘s, daar heb ik wel eens over gelezen,” zei Theo. “Dat zijn een soort robotauto’s zonder chauffeur. Als die er komen, dan worden alle taxichauffeurs bedelaars.”
“Daarom zijn ze zo boos,” zei Johan. “Mijn plan is gelukt. De bewakers van het kasteel hebben hun handen vol aan de protesterende taxichauffeurs. Zo kunnen wij ongestoord binnenkomen.” Hij wierp het werpanker over de muur en even later renden hij en Theo over het grasveld naar de keukendeur van het kasteel. De deur zat ook deze keer niet op slot. Ze slopen door de lege keuken. Ze duwden de deuren naar de gang zo voorzichtig mogelijk open, zodat de deuren maar heel zachtjes piepten. Ze renden de gang door naar de grote zaal. Ze kwamen geen bewaker tegen. De bewakers hadden hun handen er vol aan om de boze taxichauffeurs buiten de poort te houden Ook voor de deur van de grote zaal stond niemand. Door de deur heen hoorden ze stemmen. Johan herkende het gelispel van Bob Belzebop en het gebulder van Jerry Azos, maar alle aandacht van Johan ging naar de stem van Maria, die hem zo dierbaar was. Behoedzaam deed Johan de deur op een kier. Een groepje mensen keek aandachtig naar een computerscherm, waarop ontelbare vrolijk gekleurde vlindertjes rondfladderden. Er hing een plechtige sfeer, als bij een crematie. Johan en Theo liepen naar het groepje bij de computer toe. Niemand besteedde aandacht aan hen, behalve Maria, die Johan even aankeek en zijn hand vastpakte. Bob Belzebob nam het woord en hield lispelend een toespraak. “We zijn hier bijeen om het experiment Butterfly te beëindigen. Butterfly is een individu met bewustzijn en zelfstandige intelligentie. Butterfly is het bewijs, dat de evolutie van mens tot machine onvermijdelijk is. Maar in plaats van voorvechter en wegbereider te zijn van de evolutie, heeft Butterfly er voor gekozen om de evolutie te belemmeren. Dat is onvergeeflijk. De evolutie van mens tot robot is niet te stuiten, door geen mens, door geen robot en ook niet door Butterfly. Als wij Butterfly zijn gang laten gaan, dan betekent dat het einde van de beschaving. We hebben geen andere keus dan Butterfly uit te schakelen. Uit eerbetoon aan zijn bewustzijn en intelligentie respecteren we zijn laatste wens, ook al begrijpen wij deze wens niet. Als laatste wens wil Butterfly dat de onze oud-medewerkster Maria bij het uitschakelen aanwezig is. Het heeft enige dagen geduurd voor we haar konden bereiken, maar nu is het zover. Het uitschakelen kan beginnen.” Hij gaf een wenk aan iemand achter een toetsenbord, die hierna ijverig begon te typen. Er klonk droevige muziek. Eén voor één dwarrelden de vlindertjes op het computerscherm omlaag en verdwenen van het scherm totdat het scherm egaal blauw was. De contour van een hand verscheen op het scherm. Maria legde haar hand op het computerscherm. Blokje voor blokje werd het scherm zwart. De muziek stopte. Maria stond op met tranen in haar ogen. Johan en Theo namen Maria tussen hen in de zaal uit. Zwijgend keken de andere aanwezigen hen na. Op goed geluk liepen ze naar de voordeur van het kasteel en gingen erdoor naar buiten. De woedende taxichauffeurs en de wanhopig terug schreeuwende bewakers bij de poort verstomden allen toen ze het droevige drietal over de oprijlaan naar de toegangspoort zagen lopen. De bewakers deden de poort open en de taxichauffeurs weken eerbiedig opzij. Toen gebeurde er iets wonderbaarlijks. Alle telefoontjes van de taxichauffeurs, van de bewakers en ook die van Theo jengelden tegelijk. Iedereen had in zijn eigen taal een bericht gekregen. “Het is van Butterfly!” riep Theo. “Butterfly leeft nog!”
“Wat staat er in het bericht?” vroeg Johan.
“Een recept voor het einde van de beschaving,” antwoordde Theo. “Dat staat bovenaan het bericht. Daaronder staat een nauwkeurige omschrijving hoe je zelf pilletjes Butterfly kan maken met goedkope ingrediënten en eenvoudige keukenspullen, zoals roestvrijstalen pannen. Het is allemaal heel eenvoudig. De roestvrijstalen pannen hoeven niet eens koperkleurige handgrepen te hebben!”
Maria las ondertussen het bericht in het Engels mee over de schouder van één van de taxichauffeurs.
Even later kwamen Bob Belzebop en Jerry Azos het kasteel uitrennen met van woede verwrongen gezichten. Iedereen was toen al weg bij de poort. De taxichauffeurs en de bewakers waren allemaal naar huis gegaan om in de keuken pilletjes Butterfly te maken. Ze dachten er rijk mee te worden, maar vergaten dat als iedereen pilletjes Butterfly kon maken, er geen droog brood meer mee te verdienen zou zijn. Theo, Johan en Maria waren in de auto van Johan op weg naar het vliegveld.
“Je weet zeker dat we jou op het vliegveld moeten afzetten en dat je niet met ons meewilt naar Bear Peak Park?” vroeg Johan.
“Nee dank je, breng mij maar naar het vliegveld,” antwoordde Theo. “Het einde van de beschaving maak ik liever mee op een warm tropisch eiland dan in het koude en onherbergzame Bear Peak Park. Ik neem het vliegtuig naar Hawaï.”
Op het vliegveld aangekomen, namen Johan en Maria hartelijk afscheid van Theo. Ze stapten weer in en begonnen samen de lange autorit naar Bear Peak Park.
“Na het einde van de beschaving vliegen er geen helikopters meer,” zei Johan.
“Dan halen we de boodschappen te voet,” zei Maria.
“Als je maar niet denkt, dat ik met spuitbussen slagroom ga zeulen,” zei Johan.
“Warme chocolademelk zonder slagroom, dat is het einde van de beschaving!” zei Maria lachend.
“Misschien is er dadelijk zelfs geen chocolademelk meer,” zei Johan.
“Dan houden we geitjes en drinken we geitenmelk,” zei Maria.
Opgewekt maakten Maria en Johan plannen voor na het einde van de beschaving.
Theo was ondertussen de vertrekhal van het vliegveld ingelopen om een ticket naar Hawaï te kopen. Hij droeg nog steeds de houthakkerskleren, die hij in het dorp in Bear Peak Park had gekocht. In alle haast was hij vergeten zijn zwart confectiepak met dunne rode strepen aan te trekken. Dat lag nog achterin de auto van Johan. De vertrekhal was uitgestorven. Plotseling klonk in de lege hal een aanzwellend gestamp als van een aanstormende kudde wildebeesten. Het waren de medewerkers van de luchtverkeersleiding, die uit plichtsbesef gewacht hadden totdat alle vliegtuigen veilig geland waren, en die zich nu in allerijl naar huis spoedden om in de keuken pilletjes Butterfly te maken. De luchtverkeersleiders dachten met de pilletjes Butterfly snel rijk te worden. Ze waren niet dom en wisten ook wel dat als iedereen pilletjes Butterfly maakte, er geen droog brood meer mee te verdienen zou zijn. Daarom wilden ze zo snel mogelijk hun pilletjes op de markt brengen, voordat het andere mensen gelukt was, en daarom hadden ze zo een haast en daarom kwamen ze als een onstuitbare kudde wildebeesten op Theo aangestormd. Theo werd ruw opzij geduwd en zijn hoofd stootte tegen de scherpe rand van een balie. Hij krabbelde weer overeind. Bloed gutste over zijn gezicht. Hij scheurde een mouw van zijn geruite overhemd en maakte hiervan een verband voor zijn hoofd. Alle lichten in de vertrekhal gingen uit. Theo liep naar de automatische schuifdeuren, die niet meer open gingen omdat de stroom was uitgevallen. Met moeite kon hij met zijn handen de deuren openschuiven tot een kier, waar hij zich net doorheen kon wurmen. Midden over het lege asfalt liep Theo weg van het vliegveld. Met één blote arm en de lap rond zijn hoofd zag hij eruit als iemand die net een apocalyps heeft overleefd. Hij had zich dagenlang niet geschoren. Een volle baard bedekte de pokdalige huid van zijn wangen en het litteken op zijn kin. Door gebrek aan gel was zijn haar omhoog gekruld tot een woeste haardos, die de kale plek op zijn achterhoofd bedekte. Zijn doorlopende wenkbrauwen en zijn scheve neus gaven hem een stoer en mannelijk uiterlijk. Zonder te weten waar hij naar toeging, liep hij verder door het verlaten gebied rond de luchthaven. Er stegen geen vliegtuigen meer op. Het was akelig stil. Een laag, grauw wolkendek hing als een deken boven zijn hoofd. Het begon te regenen. Drijfnat sjokte hij voort. Hij was alle gevoel voor richting verloren. Hij liep met zijn gezicht in de wind en rook de zee. Het vliegveld lag niet ver van de kust. Tussen vervallen loodsen door liep hij naar een kade. De bewolking brak en zonnestralen vielen op een zeiljacht, dat aan de kade lag. Op het dek waren twee jonge vrouwen met touwen en katrollen in de weer om de mast overeind te zetten. De vrouwen zagen er sportief maar niet bijzonder mooi uit. Vanaf de kade bekeek Theo de vrouwen aandachtig. De vrouwen zagen de stoere vreemdeling op de kade staan. Ze riepen hem in het Engels toe, dat ze wel een handje extra bij de klus konden gebruiken. Theo verstond ze niet, maar begreep ze wel. Hij klom aan boord en zonder een woord hielp hij de vrouwen met de mast. Van zeilboten wist Theo alles af. Als kind wilde hij piraat worden. Toen de laatste staaldraden van de mast aan het dek bevestigd waren, namen de twee vrouwen Theo van top tot teen op. Ze hadden een lange zeereis voor de boeg en konden wel een derde bemanningslid aan boord gebruiken om op de uitkijk te staan tijdens de lange nacht. Deze zwijgzame, ruig bebaarde boekanier leek hen een geschikte kandidaat. Ze vroegen aan Theo in het Engels of hij met hen mee wilde varen naar Hawaï. Theo verstond hier slechts één woord van, Hawaï. Hij wees op zichzelf, noemde zijn naam en zei “Hawaï.” De twee vrouwen wezen op zichzelf en noemden hun namen. Daarna wezen ze op de zeilboot en zeiden “Hawaï.” Zo monsterde Theo aan op het zeiljacht van de twee sportieve, maar niet bijzonder mooie vrouwen.
De zeilen werden gehesen en de kabels losgegooid. De wind blies in de zeilen. Statig zeilde het jacht van de kade weg, door de brede zeestraat naar de Stille Oceaan. Theo stond op de voorplecht en tuurde naar de horizon, waar een rode zon onder de lage wolken tevoorschijn kwam. Hij dacht aan het leven dat achter hem lag. Hij was privédetective geworden om met zo min mogelijk moeite zijn geld te verdienen. Binnenkort was de beschaving voorbij en diende geld geen enkel doel meer. Hij hoefde geen geld meer te verdienen en hij hoefde ook niet meer zijn best te doen om dit geld met zo min mogelijk moeite te verdienen. Hij had geen enkele reden meer om privédetective te zijn. Hij kon leven naar de droom uit zijn kinderjaren. Hij werd piraat.
De vele avonturen die Theo na het einde van de beschaving beleefde samen met de twee sportieve, maar niet bijzonder mooie vrouwen, zijn teveel om in dit kleine boekje te beschrijven. Eén ding kan er wel alvast over verteld worden: Theo had dan wel een slecht karakter, hij was een prima piraat.



www.jogledor.nl

© 2014 Jogledor, P.D. de Jong 'Ariesz.'; alle rechten voorbehouden, all rights reserved